Het Boek

Psalmen 96

1Zing een nieuw lied voor de Here,
laat de hele aarde maar meezingen.
Zing een loflied voor de Here
tot eer van zijn naam,
vertel ieder over zijn uitredding, dag in, dag uit.
Vertel alle volken hoe groot Hij is
en welke machtige wonderen Hij doet.
De Here is immers groot en machtig?
Hij is het waard van harte te worden geprezen,
roemrucht is zijn naam.
De goden van alle andere volken zijn maar afgoden,
de Here heeft de hemel gemaakt.
Zijn grootheid en macht gaan voor Hem uit
en zijn kracht en eer omringen Hem.
Laten alle mensen, van elk volk en elke generatie,
de Here eer geven.
Laten zij allemaal zijn macht en kracht prijzen.
Prijs de grootheid van de naam van de Here.
Kom naar zijn huis en breng Hem uw offers.
Doe uw mooiste kleren aan en buig u voor de Here neer.
Laat de hele aarde beven als Hij komt.
10 Zeg tegen de volken: de Here is de grote Koning.
De wereld is stevig gefundeerd.
God zal een rechtvaardig oordeel over de volken uitspreken.
11 Er is blijdschap in de hemel en de aarde jubelt het uit.
De zee bruist van vreugde, samen met alles wat er in is.
12 Ook de velden en alles wat daarop leeft, verheugen zich.
De bomen in de bossen jubelen.
13 Dat is voor de Here, want Hij komt
om zijn oordeel over de aarde uit te spreken.
Hij zal in oprechtheid over de wereld rechtspreken
en zijn trouw aan alle volken bekendmaken.

King James Version

Psalm 96

1O sing unto the Lord a new song: sing unto the Lord, all the earth.

Sing unto the Lord, bless his name; shew forth his salvation from day to day.

Declare his glory among the heathen, his wonders among all people.

For the Lord is great, and greatly to be praised: he is to be feared above all gods.

For all the gods of the nations are idols: but the Lord made the heavens.

Honour and majesty are before him: strength and beauty are in his sanctuary.

Give unto the Lord, O ye kindreds of the people, give unto the Lord glory and strength.

Give unto the Lord the glory due unto his name: bring an offering, and come into his courts.

O worship the Lord in the beauty of holiness: fear before him, all the earth.

10 Say among the heathen that the Lord reigneth: the world also shall be established that it shall not be moved: he shall judge the people righteously.

11 Let the heavens rejoice, and let the earth be glad; let the sea roar, and the fulness thereof.

12 Let the field be joyful, and all that is therein: then shall all the trees of the wood rejoice

13 Before the Lord: for he cometh, for he cometh to judge the earth: he shall judge the world with righteousness, and the people with his truth.