Het Boek

Psalmen 95

1Kom, laten wij lofliederen zingen
tot eer van de Here,
laten wij Hem loven,
want Hij is de rots van ons heil.
Laten wij met lofliederen naar Hem toegaan,
met snaarinstrumenten Hem prijzen.
De Here is een machtige God,
de grote Koning.
Er is niemand zoals Hij.
Hij beheerst de diepten van deze schepping
en reikt met zijn hand
tot aan de toppen van de bergen.
De zee en het land zijn van Hem,
want Hij heeft beide gemaakt.
Kom, laten wij ons buigen,
knielen en ons neerwerpen voor de Here,
die ons heeft gemaakt.
Hij is onze God
en wij horen bij het volk dat Hij leidt.
Als schapen volgen wij Hem.
Luister toch elke dag naar wat Hij u zegt.
‘Wees niet koppig,
zoals de mensen bij Massa en Meriba,
indertijd in de woestijn.
Uw voorouders hebben Mij toen uitgedaagd.
Zij stelden Mij op de proef,
hoewel zij mijn macht hadden gezien in wat Ik deed.
10 Veertig jaar lang heeft uw volk
Mij moeite gegeven.
Ik ergerde Mij aan hen.
Ten slotte zei Ik:
“Dit volk loopt voortdurend van Mij weg,
het wil Mij niet volgen.”
11 Daarom heb Ik, toen Ik toornig was,
gezworen dat het geen rust bij Mij zou vinden.’

King James Version

Psalm 95

1O come, let us sing unto the Lord: let us make a joyful noise to the rock of our salvation.

Let us come before his presence with thanksgiving, and make a joyful noise unto him with psalms.

For the Lord is a great God, and a great King above all gods.

In his hand are the deep places of the earth: the strength of the hills is his also.

The sea is his, and he made it: and his hands formed the dry land.

O come, let us worship and bow down: let us kneel before the Lord our maker.

For he is our God; and we are the people of his pasture, and the sheep of his hand. To day if ye will hear his voice,

Harden not your heart, as in the provocation, and as in the day of temptation in the wilderness:

When your fathers tempted me, proved me, and saw my work.

10 Forty years long was I grieved with this generation, and said, It is a people that do err in their heart, and they have not known my ways:

11 Unto whom I sware in my wrath that they should not enter into my rest.