Het Boek

Psalmen 94:1-23

1Here, U bent de enige

die het recht heeft wraak te nemen.

Kom met uw licht naar ons toe.

2U bent de grote rechter van deze aarde.

Sta op en spreek uw oordeel uit

over alle hoogmoedige mensen.

3Hoelang mogen de ongelovigen

nog blij zijn dat zij het wel alleen kunnen, Here?

4Zij spreken smalend en hooghartig,

al die zondaars denken

dat zij het hoogste woord kunnen voeren.

5Zij lopen uw volk onder de voet, Here.

Zij onderdrukken uw land.

6Zij plegen moord en doodslag

onder de vreemdelingen, de weduwen en wezen.

7Zij denken bij zichzelf:

‘De Here ziet het toch niet,

ach, Jakobs God heeft wel iets anders te doen.’

8Laten alle onverstandigen maar eens opletten.

Dwazen, ga uw hersens maar eens gebruiken!

9Denkt u nu echt dat God, die het oor maakte,

Zelf niet horen kan?

Of dat de Maker van het oog

Zelf niets ziet?

10Hij leert de volken hoe zij moeten leven,

daarom zal Hij hen ook straffen.

Hij geeft de mensen immers alles wat zij nodig hebben?

11De Here weet precies wat in de mensen omgaat:

het is allemaal nutteloos.

12Gelukkig is de man die door U wordt getuchtigd, Here.

Die van U onderricht krijgt in uw wetten.

13Hij zal rust ervaren in moeilijke tijden,

zelfs als zijn vijand een val voor hem opzet.

14De Here laat zijn volk niet in de steek,

Hij blijft naar hen omzien.

15Er zal weer eerlijk recht worden gesproken

en alle oprechte mensen zullen zich daarbij aansluiten.

16Wie verdedigt mij tegen deze slechte mensen?

Wie komt voor mij op tegen deze zondaars?

17Als de Here mij niet had geholpen,

had niemand meer iets van mij gehoord.

18Juist toen ik dacht dat ik het niet meer aankon,

ervoer ik de kracht van uw goedheid en liefde, Here.

19Terwijl allerlei gedachten in mij omgingen,

waren het juist uw troostwoorden die mij opbeurden.

20Zou U iets te maken hebben met de plaats waar de zonde zetelt?

Waar men zogenaamd uit eerlijkheid het grootste onheil aanricht?

21Dat soort mensen loert op het leven van de oprechte mensen,

zij veroordelen onschuldigen.

22Maar ik vond mijn toevlucht bij de Here,

Hij was mij tot een burcht.

Mijn God is mijn rots.

23Hij heeft hun het kwaad vergolden.

Hij vernietigde hen in hun zonde.

Hij is de Here, onze God.

New International Version - UK

Psalms 94:1-23

Psalm 94

1The Lord is a God who avenges.

O God who avenges, shine forth.

2Rise up, Judge of the earth;

pay back to the proud what they deserve.

3How long, Lord, will the wicked,

how long will the wicked be jubilant?

4They pour out arrogant words;

all the evildoers are full of boasting.

5They crush your people, Lord;

they oppress your inheritance.

6They slay the widow and the foreigner;

they murder the fatherless.

7They say, ‘The Lord does not see;

the God of Jacob takes no notice.’

8Take notice, you senseless ones among the people;

you fools, when will you become wise?

9Does he who fashioned the ear not hear?

Does he who formed the eye not see?

10Does he who disciplines nations not punish?

Does he who teaches mankind lack knowledge?

11The Lord knows all human plans;

he knows that they are futile.

12Blessed is the one you discipline, Lord,

the one you teach from your law;

13you grant them relief from days of trouble,

till a pit is dug for the wicked.

14For the Lord will not reject his people;

he will never forsake his inheritance.

15Judgment will again be founded on righteousness,

and all the upright in heart will follow it.

16Who will rise up for me against the wicked?

Who will take a stand for me against evildoers?

17Unless the Lord had given me help,

I would soon have dwelt in the silence of death.

18When I said, ‘My foot is slipping,’

your unfailing love, Lord, supported me.

19When anxiety was great within me,

your consolation brought me joy.

20Can a corrupt throne be allied with you –

a throne that brings on misery by its decrees?

21The wicked band together against the righteous

and condemn the innocent to death.

22But the Lord has become my fortress,

and my God the rock in whom I take refuge.

23He will repay them for their sins

and destroy them for their wickedness;

the Lord our God will destroy them.