Het Boek

Psalmen 94

1Here, U bent de enige
die het recht heeft wraak te nemen.
Kom met uw licht naar ons toe.
U bent de grote rechter van deze aarde.
Sta op en spreek uw oordeel uit
over alle hoogmoedige mensen.
Hoelang mogen de ongelovigen
nog blij zijn dat zij het wel alleen kunnen, Here?
Zij spreken smalend en hooghartig,
al die zondaars denken
dat zij het hoogste woord kunnen voeren.
Zij lopen uw volk onder de voet, Here.
Zij onderdrukken uw land.
Zij plegen moord en doodslag
onder de vreemdelingen, de weduwen en wezen.
Zij denken bij zichzelf:
‘De Here ziet het toch niet,
ach, Jakobs God heeft wel iets anders te doen.’
Laten alle onverstandigen maar eens opletten.
Dwazen, ga uw hersens maar eens gebruiken!
Denkt u nu echt dat God, die het oor maakte,
Zelf niet horen kan?
Of dat de Maker van het oog
Zelf niets ziet?
10 Hij leert de volken hoe zij moeten leven,
daarom zal Hij hen ook straffen.
Hij geeft de mensen immers alles wat zij nodig hebben?
11 De Here weet precies wat in de mensen omgaat:
het is allemaal nutteloos.
12 Gelukkig is de man die door U wordt getuchtigd, Here.
Die van U onderricht krijgt in uw wetten.
13 Hij zal rust ervaren in moeilijke tijden,
zelfs als zijn vijand een val voor hem opzet.
14 De Here laat zijn volk niet in de steek,
Hij blijft naar hen omzien.
15 Er zal weer eerlijk recht worden gesproken
en alle oprechte mensen zullen zich daarbij aansluiten.
16 Wie verdedigt mij tegen deze slechte mensen?
Wie komt voor mij op tegen deze zondaars?
17 Als de Here mij niet had geholpen,
had niemand meer iets van mij gehoord.
18 Juist toen ik dacht dat ik het niet meer aankon,
ervoer ik de kracht van uw goedheid en liefde, Here.
19 Terwijl allerlei gedachten in mij omgingen,
waren het juist uw troostwoorden die mij opbeurden.
20 Zou U iets te maken hebben met de plaats waar de zonde zetelt?
Waar men zogenaamd uit eerlijkheid het grootste onheil aanricht?
21 Dat soort mensen loert op het leven van de oprechte mensen,
zij veroordelen onschuldigen.
22 Maar ik vond mijn toevlucht bij de Here,
Hij was mij tot een burcht.
Mijn God is mijn rots.
23 Hij heeft hun het kwaad vergolden.
Hij vernietigde hen in hun zonde.
Hij is de Here, onze God.

New International Version

Psalm 94

Psalm 94

The Lord is a God who avenges.
    O God who avenges, shine forth.
Rise up, Judge of the earth;
    pay back to the proud what they deserve.
How long, Lord, will the wicked,
    how long will the wicked be jubilant?

They pour out arrogant words;
    all the evildoers are full of boasting.
They crush your people, Lord;
    they oppress your inheritance.
They slay the widow and the foreigner;
    they murder the fatherless.
They say, “The Lord does not see;
    the God of Jacob takes no notice.”

Take notice, you senseless ones among the people;
    you fools, when will you become wise?
Does he who fashioned the ear not hear?
    Does he who formed the eye not see?
10 Does he who disciplines nations not punish?
    Does he who teaches mankind lack knowledge?
11 The Lord knows all human plans;
    he knows that they are futile.

12 Blessed is the one you discipline, Lord,
    the one you teach from your law;
13 you grant them relief from days of trouble,
    till a pit is dug for the wicked.
14 For the Lord will not reject his people;
    he will never forsake his inheritance.
15 Judgment will again be founded on righteousness,
    and all the upright in heart will follow it.

16 Who will rise up for me against the wicked?
    Who will take a stand for me against evildoers?
17 Unless the Lord had given me help,
    I would soon have dwelt in the silence of death.
18 When I said, “My foot is slipping,”
    your unfailing love, Lord, supported me.
19 When anxiety was great within me,
    your consolation brought me joy.

20 Can a corrupt throne be allied with you—
    a throne that brings on misery by its decrees?
21 The wicked band together against the righteous
    and condemn the innocent to death.
22 But the Lord has become my fortress,
    and my God the rock in whom I take refuge.
23 He will repay them for their sins
    and destroy them for their wickedness;
    the Lord our God will destroy them.