Het Boek

Psalmen 88:1-19

1Een psalm van de Korachieten voor de koordirigent. Te zingen bij ziekte en droefheid. Het leerzame gedicht werd gemaakt door de Ezrachiet Heman.

2Here,

U bent de God die mij redt.

Dag en nacht roep ik U aan

en kom ik tot U.

3Laat mijn gebed U toch bereiken,

luister toch naar mij!

4Nog meer ziekten en tegenslagen kan ik niet verdragen.

Ik heb het gevoel dat ik ga sterven.

5Men beschouwt mij als iemand die de dood nabij is,

alle kracht is uit mij geweken.

6Eigenlijk hoor ik al bij de gestorvenen,

de mensen aan wie U niet meer denkt

en die door U zijn vergeten.

7U hebt mij door de diepste diepte

en door de donkerste duisternis gevoerd.

8U hebt Zich tegen mij gekeerd

en ik kan dat niet verdragen.

Ik heb het gevoel

alsof U mij tegen de grond hebt geslagen.

9U hebt ervoor gezorgd dat mijn kennissen

mij niet meer willen zien en van mij gruwen.

Ik zie geen uitweg meer.

10Ik weet niet meer waar ik het zoeken moet.

Dag in, dag uit bid ik tot U, Here.

Mijn handen strek ik naar U uit.

11Kunt U wonderen onder de doden doen?

Kunnen de geesten van de gestorvenen U prijzen?

12Spreekt men in het graf over uw liefde en goedheid?

Blijkt uw trouw waar lichamen vergaan?

13Kan uw grote macht dan in de duisternis

worden bekendgemaakt?

Blijkt uw rechtvaardigheid dan daar

waar alles en iedereen wordt vergeten?

14Toch roep ik naar U, Here.

Ik leg alles ʼs morgens voor U neer.

15Here, waarom verwerpt U mij?

Waarom wilt U mij niet zien?

16Van jongs af aan heb ik het moeilijk

en ben ik vaak ernstig ziek.

Het is aan mij te zien hoe U mij beproeft,

ik weet mij geen raad meer.

17Uw toorn gaat als vuur over mij heen

en ik word vernietigd door wat U mij aandoet.

18Ik kan er niet aan ontkomen,

alles komt op mij af.

19U hebt ervoor gezorgd dat vrienden en kennissen

mij niet meer willen kennen,

ik hoor van niemand meer iets.

New International Reader's Version

Psalm 88:1-18

Psalm 88

For the director of music. According to mahalath leannoth. A song. A psalm of the Sons of Korah. A maskil of Heman the Ezrahite.

1Lord, you are the God who saves me.

Day and night I cry out to you.

2Please hear my prayer.

Pay attention to my cry for help.

3I have so many troubles

I’m about to die.

4People think my life is over.

I’m like someone who doesn’t have any strength.

5People treat me as if I were dead.

I’m like those who have been killed and are now in the grave.

You don’t even remember them anymore.

They are cut off from your care.

6It’s as if you have put me deep down in the grave.

It’s as if you have put me in that deep, dark place.

7Your great anger lies heavy on me.

All the waves of your anger have crashed over me.

8You have taken my closest friends away from me.

You have made me sickening to them.

I feel trapped and can’t escape.

9I’m crying so much I can’t see very well.

Lord, I call out to you every day.

I lift up my hands to you in prayer.

10Do you do wonderful things for those who are dead?

Do their spirits rise up and praise you?

11Do those who are dead speak about your love?

Do those who are in the grave tell how faithful you are?

12Are your wonderful deeds known in that dark place?

Are your holy acts known in that land where the dead are forgotten?

13Lord, I cry out to you for help.

In the morning I pray to you.

14Lord, why do you say no to me?

Why do you turn your face away from me?

15I’ve been in pain ever since I was young.

I’ve been close to death.

You have made me suffer terrible things.

I have lost all hope.

16Your great anger has swept over me.

Your terrors have destroyed me.

17All day long they surround me like a flood.

They have closed in all around me.

18You have taken my friends and neighbors away from me.

Darkness is my closest friend.