Het Boek

Psalmen 84:1-13

1Een psalm van de Korachieten voor de koordirigent. Te begeleiden met het muziekinstrument uit Gat.

2Here van de hemelse legers,

wat zijn uw woningen prachtig!

3Ik smacht van verlangen om bij U te komen.

Mijn ziel en mijn lichaam zingen uw lof,

de lof van de God die leeft.

4Uw ogen zien zelfs een mus

die een plekje zoekt om te nestelen,

zelfs het nest van de zwaluw

ontgaat U niet, noch haar jongen.

Ook zij zijn welkom in uw tempel,

Here van de hemelse legers.

U bent mijn Koning en mijn God.

5Gelukkig zijn de mensen

die heel dicht bij U leven,

zij zingen lofliederen voor U.

6Gelukkig zijn de mensen

die uw kracht kennen en ervaren,

zij weten hoe zij op uw weg moeten blijven.

7Wanneer zij in hun leven door een donker dal gaan,

ontspringen daar opeens allemaal bronnen.

Problemen veranderen in zegeningen.

8Zij leven door uw kracht

en worden altijd door U beschermd.

Zij ontmoeten God in Sion, waar Hij woont.

9Och Here, God van de hemelse legers,

luister toch naar mijn gebed.

Luister goed naar mij, God van Jakob.

10God, U beschermt ons.

Kijk naar de man die U hebt uitgekozen.

11Ik ben liever maar heel kort bij U,

dan jarenlang in een omgeving

waar men U niet kent.

Ik heb liever de minste plaats in uw huis

dan een ereplaats in een huis

waar men met U spot.

12God de Here is het licht in mijn leven.

Hij beschermt mij altijd.

Hij schenkt vergeving

en herstelt ons in ere.

Mensen die volkomen naar zijn wil leven,

worden rijk door Hem gezegend.

13Here van de hemelse legers,

gelukkig is hij die zijn vertrouwen op U stelt.

Nueva Versión Internacional (Castilian)

Salmo 84:1-12

Salmo 84

Al director musical. Sígase la tonada de «La canción del lagar». Salmo de los hijos de Coré.

1¡Cuán hermosas son tus moradas,

Señor Todopoderoso!

2Anhelo con el alma los atrios del Señor;

casi agonizo por estar en ellos.

Con el corazón, con todo el cuerpo,

canto alegre al Dios de la vida.

3Señor Todopoderoso, rey mío y Dios mío,

aun el gorrión halla casa cerca de tus altares;

también la golondrina hace allí su nido,

para poner sus polluelos.

4Dichoso el que habita en tu templo,

pues siempre te está alabando. Selah

5Dichoso el que tiene en ti su fortaleza,

que solo piensa en recorrer tus sendas.

6Cuando pasa por el valle de las Lágrimas

lo convierte en región de manantiales;

también las lluvias tempranas

cubren de bendiciones el valle.

7Según avanzan los peregrinos, cobran más fuerzas,

y en Sión se presentan ante el Dios de dioses.

8Oye mi oración, Señor Dios Todopoderoso;

escúchame, Dios de Jacob. Selah

9Oh Dios, escudo nuestro,

pon sobre tu ungido tus ojos bondadosos.

10Vale más pasar un día en tus atrios

que mil fuera de ellos;

prefiero cuidar la entrada de la casa de mi Dios

que habitar entre los impíos.

11El Señor es sol y escudo;

Dios nos concede honor y gloria.

El Señor brinda generosamente su bondad

a los que se conducen sin tacha.

12Señor Todopoderoso,

¡dichosos los que en ti confían!