Het Boek

Psalmen 65:1-14

1Een psalm van David, een lied voor de koordirigent.

2U komt toe dat wij in stille verwondering

naar U opzien, o God.

Wij willen U in Jeruzalem lofliederen zingen.

Geloften willen wij U betalen.

3U hoort al onze gebeden

en alles wat leeft, mag dan ook tot U komen.

4Het kwaad dreigde mij te overmeesteren,

maar U vergeeft mij mijn zonden.

5Gelukkig is de man die U uitkiest.

U laat hem bij U komen en bij U wonen.

Al het goede van uw huis zal ons

in overvloed ten deel vallen,

al het heilige in uw tempel.

6U antwoordt ons in oprechtheid met grote daden,

God, U bevrijdt ons.

De hele aarde kan op U vertrouwen,

U bent er tot in de verste zeeën.

7Met uw kracht hebt U de bergen stevig geplant,

vastgezet door uw sterkte.

8U laat de zeeën tot kalmte komen,

zowel het bruisen van de golven

als het geschreeuw van de volken.

9Daarom zijn alle mensen,

tot in de uithoeken van de aarde,

bang voor de tekenen die U doet.

Van oost tot west brengt men U eer en lof.

10U komt naar ons toe

en geeft ons land een overvloedige oogst.

U maakt ons rijk.

De beek van God is gevuld met water.

U laat het koren groeien,

zoals U alles laat groeien.

11U geeft het water op de akkers,

doordrenkt de voren op het land.

Uw regen laat onze gewassen groeien.

U zegent de gewassen.

12Door uw goedheid wordt onze oogst bekroond,

U geeft ons overvloed.

13De rijpe gewassen golven op de akker,

de heuvels juichen over U.

14De vruchtbare streken zijn bezaaid met kudden,

in de dalen groeit welig het koren.

Heel het land jubelt en zingt.

Heel deze overvloed is er dankzij U.

King James Version

Psalms 65:1-13

To the chief Musician, A Psalm and Song of David.

1Praise waiteth for thee, O God, in Sion: and unto thee shall the vow be performed.65.1 waiteth: Heb. is silent

2O thou that hearest prayer, unto thee shall all flesh come.

3Iniquities prevail against me: as for our transgressions, thou shalt purge them away.65.3 Iniquities: Heb. Words, or, Matters of iniquities

4Blessed is the man whom thou choosest, and causest to approach unto thee, that he may dwell in thy courts: we shall be satisfied with the goodness of thy house, even of thy holy temple.

5By terrible things in righteousness wilt thou answer us, O God of our salvation; who art the confidence of all the ends of the earth, and of them that are afar off upon the sea:

6Which by his strength setteth fast the mountains; being girded with power:

7Which stilleth the noise of the seas, the noise of their waves, and the tumult of the people.

8They also that dwell in the uttermost parts are afraid at thy tokens: thou makest the outgoings of the morning and evening to rejoice.65.8 rejoice: or, sing

9Thou visitest the earth, and waterest it: thou greatly enrichest it with the river of God, which is full of water: thou preparest them corn, when thou hast so provided for it.65.9 and…: or, after thou hadst made it to desire rain

10Thou waterest the ridges thereof abundantly: thou settlest the furrows thereof: thou makest it soft with showers: thou blessest the springing thereof.65.10 settlest: or, causest rain to descend into65.10 makest…: Heb. dissolvest it

11Thou crownest the year with thy goodness; and thy paths drop fatness.65.11 with: Heb. of

12They drop upon the pastures of the wilderness: and the little hills rejoice on every side.65.12 rejoice…: Heb. are girded with joy

13The pastures are clothed with flocks; the valleys also are covered over with corn; they shout for joy, they also sing.