Het Boek

Psalmen 64:1-11

1Een psalm van David voor de koordirigent.

2Luister naar mij, o God,

als ik met mijn zorgen bij U kom.

Bescherm mijn leven

tegen de aanvallen van de vijand.

3Verberg mij

als de misdadigers iets tegen mij beramen,

als de zondaars het op mij gemunt hebben.

4Zij scherpen hun tong alsof het een zwaard is

en schieten hun boosaardige taal als pijlen op mij af.

5Vanuit hun schuilplaats schieten zij op onschuldigen.

Niets en niemand ontzien zij.

6Zij wagen het kwade dingen te doen

en spreken er zelfs over valstrikken te zetten.

Zij denken dat niemand hen ziet.

7Zij zijn op slechte dingen uit en zeggen:

‘Nu is het zover, het plan is goed doordacht.’

Ja, het hart van de mens is ondoorgrondelijk.

8Maar God kan hen onverwacht treffen.

Als Hij een pijl afschiet,

is het altijd raak, zij zijn gewond.

9Zij struikelen over hun eigen woorden.

Wie hen ziet, schudt misprijzend het hoofd.

10Dan zullen alle mensen ontzag hebben

voor God en voor alles wat Hij doet.

Met ontzag zien zij op naar zijn werk.

11De oprechte mens verheugt zich in de Here

en vindt bij Hem bescherming.

Alle eerlijke mensen beroemen zich op Hem.

Nueva Versión Internacional

Salmo 64:1-10

Salmo 64

Al director musical. Salmo de David.

1Escucha, oh Dios, la voz de mi queja;

protégeme del temor al enemigo.

2Escóndeme de esa pandilla de impíos,

de esa caterva de malhechores.

3Afilan su lengua como espada

y lanzan como flechas palabras ponzoñosas.

4Emboscados, disparan contra el inocente;

le tiran sin temor y sin aviso.

5Unos a otros se animan en sus planes impíos,

calculan cómo tender sus trampas;

y hasta dicen: «¿Quién las verá?»

6Maquinan injusticias, y dicen:

«¡Hemos tramado un plan perfecto!»

¡Cuán incomprensibles son

la mente y los pensamientos humanos!

7Pero Dios les disparará sus flechas,

y sin aviso caerán heridos.

8Su propia lengua será su ruina,

y quien los vea se burlará de ellos.

9La humanidad entera sentirá temor:

proclamará las proezas de Dios

y meditará en sus obras.

10Que se regocijen en el Señor los justos;

que busquen refugio en él;

¡que lo alaben todos los de recto corazón!