Het Boek

Psalmen 53:1-7

1Een leerzaam gedicht van David voor de koordirigent. Op de wijs van ‘De rietpijp.’

2Dwaze mensen denken dat God niet bestaat.

Ze doen vreselijk onrechtvaardige dingen.

Zelfs niet één ervan doet wat goed is.

3God kijkt vanuit de hemel naar alle mensen.

Hij zoekt of er misschien één bij is die verstandig is,

wellicht één die God zoekt.

4Maar allemaal hebben zij zich van Hem afgekeerd.

Allemaal hebben zij Hem verlaten,

niemand van hen doet goed, nog niet één.

5Weten zij dan helemaal niets, al die zondaars?

Zij eten mijn volk op alsof het brood is.

Zij piekeren er niet over God aan te roepen.

6Zij schrikken terwijl er niets te schrikken is.

God strooit de beenderen van uw vijanden uit,

u laat hen beschaamd staan.

God heeft hen al verworpen.

7Wij zien uit naar de redding van Israël,

die vanuit Jeruzalem zal komen.

Wanneer God zijn volk redding biedt,

zal Jakob jubelen en Israël vol vreugde zijn.

King James Version

Psalms 53:1-6

To the chief Musician upon Mahalath, Maschil, A Psalm of David.

1The fool hath said in his heart, There is no God. Corrupt are they, and have done abominable iniquity: there is none that doeth good.53.1 Maschil: or, of instruction

2God looked down from heaven upon the children of men, to see if there were any that did understand, that did seek God.

3Every one of them is gone back: they are altogether become filthy; there is none that doeth good, no, not one.

4Have the workers of iniquity no knowledge? who eat up my people as they eat bread: they have not called upon God.

5There were they in great fear, where no fear was: for God hath scattered the bones of him that encampeth against thee: thou hast put them to shame, because God hath despised them.53.5 were…: Heb. they feared a fear

6Oh that the salvation of Israel were come out of Zion! When God bringeth back the captivity of his people, Jacob shall rejoice, and Israel shall be glad.53.6 Oh that…: Heb. Who will give salvation, etc