Het Boek

Psalmen 51

1Een psalm van David voor de koordirigent. Deze psalm schreef David nadat de profeet Nathan bij hem was gekomen om hem te wijzen op zijn zonde met Bathséba.

Geef mij genade, o God,
hoewel ik dat niet heb verdiend.
Laat toch blijken hoe groot
uw liefde en goedheid is.
Wilt U door uw vergevende mildheid
mijn zonden wegdoen?
Reinig mij toch van deze zonde,
die een smet op mij werpt.
Ik weet dat ik heb gezondigd,
steeds opnieuw gaan mijn gedachten
terug naar deze daad,
waarmee ik van uw pad afweek.
Mijn God, ik heb tegen U gezondigd
en uw gebod overtreden.
Uw uitspraken zijn altijd rechtvaardig,
uw oordelen zijn altijd zuiver.
Ik weet dat ik vanaf mijn geboorte
al een zondaar ben, ja zelfs
vanaf het moment van mijn bevruchting.
En U wilt dat uw waarheid
wordt nagevolgd, tot diep in mijn hart.
U geeft mij uw wijsheid, tot diep in mijn hart.
Wilt U met hysop
de zonde van mij afwassen,
dan zal ik helemaal schoon zijn.
Als U mij wast, ben ik witter dan sneeuw.
10 Wilt U mij weer blijdschap
en echte vreugde geven?
Mijn lichaam en mijn ziel
zijn terneergeslagen,
maar U kunt mij weer oprichten
en U laten prijzen.
11 Let niet op mijn zonden
en vernietig al mijn misstappen.
12 Geeft U mij een zuiver hart, mijn God,
en een nieuwe geest
die mij innerlijk standvastig maakt.
13 Stuur mij niet van u weg
en laat uw Heilige Geest niet van mij wijken.
14 Ik wil zo graag opnieuw
de blijdschap over uw redding ervaren.
Ik wil U volgen
en mijn gehoorzaamheid aan U
zal mij kracht geven.
15 Dan zal ik ook aan andere zondaars
laten zien wat uw wil is,
zodat zij zich bekeren
en U ook zullen volgen.
16 Bevrijd mij van de schuld
die ik op mij heb geladen, o God.
U bent de God van mijn heil.
Ik wil over uw rechtvaardigheid juichen.
17 Here, stel mij in staat
U openlijk lof en eer te geven.
18 Want ik weet dat U er geen prijs op stelt
dat ik U nu brandoffers zou brengen,
daar gaat het U niet om.
19 Het werkelijke offer waarop U wacht,
is een aan U overgegeven geest
van iemand die weet
dat hij niet zonder U kan.
En een hart dat geheel en al weet
dat U de enige bent die helpen kan.
Zulke mensen stuurt U nooit weg, mijn God.
20 Wilt U Jeruzalem zegenen
en haar muren herbouwen?
21 Dan zullen de offers
die volgens de wet worden gebracht,
U genoegen doen.
Dan zullen grote brandoffers
aan U gebracht worden,
hele stieren worden op uw altaar gebracht.

Nkwa Asem

Nnwom 51

Bɔne fafiri mpaebɔ

1Hu me mmɔbɔ, O Onyankopɔn, wɔ dɔ a wodɔ me daa nti. Esiane w’ahummɔbɔ kɛse nti, popa me bɔne! Hohoro m’amumɔyɛ nyinaa na tew me ho fi me bɔne mu! Mihu me mfomso; daa mekae me bɔne. Mayɛ bɔne atia wo; atia wo nko. Na mayɛ nea woka se ɛyɛ amumɔyɛ. Enti sɛ wubu me atɛn a, na ɛfata. Na wudi bem nso sɛ wubu me fɔ. Meyɛ bɔne fi m’awosu mu; efi da a wɔwoo me no, na meyɛ bɔne. Nokware na wohwehwɛ. Fa wo nyansa hyɛ m’adwene mu.

Yi me bɔne na me ho bɛtew. Hohoro me ho na mɛhoa asen sukyerɛmma. Ma mente ahosɛpɛw ne anigye. Ɛwom, woabubu me pasaa de; nanso me ho bɛtɔ me bio. Kata w’ani wɔ me bɔne ho na popa m’amumɔyɛ nyinaa. 10 Ma me koma mu ntew, O Onyankopɔn, na fa nokware honhom foforo hyɛ me mu. 11 Mpam me mfi w’anim. Nyi wo honhom kronkron, mfi me mu. 12 Ma me ahosɛpɛw a efi wo nkwagye mu no bio. Na ma ɛnyɛ me pɛ sɛ metie wo. 13 Na mɛkyerɛ nnebɔneyɛfo wo mmara na wɔbɛsan aba wo nkyɛn. 14 Fa me nkwa kyɛ me, O Onyankopɔn, na gye me nkwa na mede anigye bɛda wo trenee adi. 15 Boa me na menkasa, Awurade, na mɛkamfo wo.

16 Wompɛ afɔrebɔ anka mɛbɔ wo bi. Ɔhyew afɔre nsɔ w’ani. 17 M’afɔrebɔ yɛ ahobrɛase honhom, O Onyankopɔn. Worempo ahobrɛase ne koma a anu ne ho.

18 O Onyankopɔn, ma Sion nhu w’ayamye na boa no na ɔnto Yerusalem afasuw no.

19 Na afei w’ani bɛsɔ afɔrebɔ a edi mu ne ɔhyew afɔre ne anantwinini afɔre a wɔbɛbɔ wɔ w’afɔremuka so.