Het Boek

Psalmen 50:1-23

1Een psalm van Asaf.

De Here, de enig ware God, neemt het woord

en roept naar de hele aarde, van oost tot west.

2God komt

met een ongelooflijke, prachtige glans

vanuit Jeruzalem naar ons toe.

3God is in aantocht en zal niet zwijgen,

omdat Hij móet spreken.

Een laaiend vuur gaat voor Hem uit

en om Hem heen davert een storm.

4God roept tot in de hemelen

en naar de aarde

om zijn volk te onderwijzen.

5Laten mijn volgelingen bijeenkomen,

zij die mijn verbond erkennen

en Mij hun offers brengen.

6De hemel zelf laat horen

wat recht en gerechtigheid is,

want God is de enige rechter.

7‘Luister, mijn volk!

Israël, Ik zal nu spreken

en tegen u getuigen.

Ik ben God, uw God.

8Ik wijs u niet terecht

omdat u verzuimd zou hebben

Mij offers te brengen.

Want Ik heb al uw brandoffers gezien.

9Uit uw stallen neem ik geen stieren aan

en ook geen bokken.

10Alle dieren in het bos zijn al van Mij,

het vee dat op de berghellingen graast

en al de rijkdom aan rundvee.

11Alle vogels die op de bergen nestelen,

ken Ik

en wat door het veld loopt,

is al van Mij.

12Wanneer Ik honger heb,

zal Ik u niet te hulp roepen,

want alles op de hele wereld

is van Mij.

13Eet Ik soms het vlees van geofferde stieren?

Drink Ik soms bloed van geofferde bokken?

14Breng lof en eer aan God:

dat is pas een echt offer!

Kom uw beloften na

die u aan de Allerhoogste hebt gedaan.

15Roep Mij te hulp in moeilijke tijden,

dan zal Ik u redden

en u zult Mij loven en prijzen.’

16Maar tegen de ongelovige zegt God:

‘Waarom bemoeit u zich met mijn wetten?

Waarom spreekt u over mijn verbond?

17U bent immers alleen maar ongehoorzaam

en laat mijn woord links liggen.

18U speelt onder één hoedje met de dieven,

overspel is u niet vreemd.

19In uw drift slaat u de vreselijkste taal uit

en met uw mond bedriegt u.

20U keert zich zelfs tegen uw eigen broer,

u roddelt over uw moeders andere zoon.

21Terwijl u dit deed,

zweeg Ik in alle talen.

Nu verbeeldt u zich dat Ik met u ben

en net zo denk als u.

22Ongelovige, die God vergeet,

laat dit alles goed tot u doordringen,

want anders zal Ik u vernietigen

en kan niemand u meer redden.

23Wie Mij eert,

brengt het ware offer.

Aan wie die weg gaat

zal Ik laten zien wat mijn heil inhoudt.’

New International Reader's Version

Psalm 50:1-23

Psalm 50

A psalm of Asaph.

1The Mighty One, God, the Lord, speaks.

He calls out to the earth

from the sunrise in the east

to the sunset in the west.

2From Zion, perfect and beautiful,

God’s glory shines out.

3Our God comes, and he won’t be silent.

A burning fire goes ahead of him.

A terrible storm is all around him.

4He calls out to heaven and earth to be his witnesses.

Then he judges his people.

5He says, “Gather this holy people around me.

They made a covenant with me by offering a sacrifice.”

6The heavens announce that what God decides is right.

That’s because he is a God of justice.

7God says, “Listen, my people, and I will speak.

I will be a witness against you, Israel.

I am God, your God.

8I don’t bring charges against you because of your sacrifices.

I don’t bring charges because of the burnt offerings you always bring me.

9I don’t need a bull from your barn.

I don’t need goats from your pens.

10Every animal in the forest already belongs to me.

And so do the cattle on a thousand hills.

11I own every bird in the mountains.

The insects in the fields belong to me.

12If I were hungry, I wouldn’t tell you.

The world belongs to me. And so does everything in it.

13Do I eat the meat of bulls?

Do I drink the blood of goats?

14Bring me thank offerings, because I am your God.

Carry out the promises you made to me, because I am the Most High God.

15Call out to me when trouble comes.

I will save you. And you will honor me.”

16But here is what God says to a sinful person.

“What right do you have to speak the words of my laws?

How dare you speak the words of my covenant!

17You hate my teaching.

You turn your back on what I say.

18When you see a thief, you join him.

You make friends with those who commit adultery.

19You use your mouth to speak evil.

You use your tongue to spread lies.

20You are a witness against your brother.

You always tell lies about your own mother’s son.

21When you did these things, I kept silent.

So you thought I was just like you.

But now I’m going to bring you to court.

I will bring charges against you.

22“You who forget God, think about this.

If you don’t, I will tear you to pieces.

No one will be able to save you.

23People who sacrifice thank offerings to me honor me.

To those who are without blame I will show my power to save.”