Het Boek

Psalmen 49:1-21

1Een psalm van de Korachieten voor de koordirigent.

2Luister, alle volken der aarde!

Neem het goed in u op, alle wereldburgers,

3of u nu niets betekent of aanzienlijk bent,

of u arm bent of rijk.

4Uit mijn mond hoort u wijsheid,

wat uit mijn hart voortkomt,

is puur inzicht.

5Ik zal u wijze spreuken laten horen

en u bij het geluid van de citer geheimen vertellen.

6Waarom zou ik bang zijn als er dagen komen

waarop het kwaad lijkt te overheersen?

Als ik word belaagd door mijn vijanden

die mij kwaad willen doen?

7Als mensen

die hun vertrouwen op geld stellen

en zich op hun rijkdom beroemen,

mij naar het leven staan?

8Het is onmogelijk

om een ander vrij te kopen met geld,

om God een losgeld voor hem te betalen.

9De prijs voor een mensenleven

is immers altijd te hoog.

10Het is onmogelijk

dat iemand altijd blijft leven

en nooit zou sterven.

11Steeds weer zien wij

dat wijze mensen sterven

en ook dat onredelijke en domme mensen

allemaal sterven.

Zij moeten hun aardse bezittingen

aan anderen nalaten.

12Het ‘grootste’ wat zij tot stand brengen,

is dat hun huizen jarenlang blijven staan

en dat hun nageslacht daarin zal wonen.

Of zij noemen hun land naar zichzelf.

13Maar hoeveel een mens ook bezit,

hij zal toch eenmaal sterven,

net als de dieren vergaat hij

en er blijft niets over.

14Zo gaat het met degenen

die op zichzelf vertrouwen.

Zo is het einde van hen

die zichzelf zo graag horen praten.

15Ze komen in het dodenrijk terecht

en de dood zelf is daar hun herder.

Wanneer een nieuwe morgen aanbreekt,

zullen de oprechte mensen over hen heersen.

Hun lichaam zal vergaan

zodat zij geen aards huis meer hebben.

16Mijn leven zal echter door God worden bevrijd

uit de macht van het dodenrijk,

want Hij zal mij bij Zich opnemen.

17Maak u niet druk als iemand rijk wordt

en zijn bezittingen alleen maar toenemen.

18Wanneer hij sterft

kan hij niets meenemen

en zijn bezit kan hem niet volgen.

19Al voelt hij zich tijdens zijn leven

de gelukkigste man van de wereld,

al prijst men u

omdat u geniet van al het goede,

20toch zal hij sterven zoals zijn voorouders,

die het licht nooit meer zullen zien.

21De mens

die ondanks al zijn rijkdom

geen inzicht heeft,

is net als de dieren

die tot stof vergaan.

Nova Versão Internacional

Salmos 49:1-20

Salmo 49

Para o mestre de música. Salmo dos coraítas.

1Ouçam isto vocês, todos os povos;

escutem, todos os que vivem neste mundo,

2gente do povo, homens importantes,

ricos e pobres igualmente:

3A minha boca falará com sabedoria;

a meditação do meu coração trará entendimento.

4Inclinarei os meus ouvidos a um provérbio;

com a harpa exporei o meu enigma:

5Por que deverei temer, quando vierem dias maus,

quando inimigos traiçoeiros me cercarem,

6aqueles que confiam em seus bens

e se gabam de suas muitas riquezas?

7Homem algum pode redimir seu irmão

ou pagar a Deus o preço de sua vida,

8pois o resgate de uma vida não tem preço.

Não há pagamento que o livre

9para que viva para sempre

e não sofra decomposição.

10Pois todos podem ver que os sábios morrem,

como perecem o tolo e o insensato

e para outros deixam os seus bens.

11Seus túmulos serão sua morada para sempre,49.11 Conforme a Septuaginta e a Versão Siríaca. O Texto Massorético diz Em seus pensamentos suas casas serão perpétuas.

sua habitação de geração em geração,

ainda que tenham49.11 Ou pois eles têm dado seu nome a terras.

12O homem, mesmo que muito importante,

não vive para sempre49.12 Conforme o Texto Massorético. A Septuaginta e a Versão Siríaca dizem não tem entendimento. Veja o versículo 20.;

é como os animais, que perecem.

13Este é o destino dos que confiam em si mesmos,

e dos seus seguidores, que aprovam o que eles dizem. Pausa

14Como ovelhas, estão destinados à sepultura49.14 Hebraico: Sheol. Essa palavra também pode ser traduzida por profundezas, ou morte; também no final deste versículo e no versículo 15.,

e a morte lhes servirá de pastor.

Pela manhã os justos triunfarão sobre eles!

A aparência deles se desfará na sepultura,

longe das suas gloriosas mansões.

15Mas Deus redimirá a minha vida da sepultura

e me levará para si. Pausa

16Não se aborreça quando alguém se enriquece

e aumenta o luxo de sua casa;

17pois nada levará consigo quando morrer;

não descerá com ele o seu esplendor.

18Embora em vida ele se parabenize:

“Todos o elogiam, pois você está prosperando”,

19ele se juntará aos seus antepassados,

que nunca mais verão a luz.

20O homem, mesmo que muito importante, não tem entendimento;

é como os animais, que perecem.