Het Boek

Psalmen 45:1-18

1Een leerzaam gezang van de Korachieten voor de koordirigent. Te zingen op de wijs van ‘De Lelies.’ Een liefdeslied.

2Mijn hart trilt van vreugde.

Ik lees mijn gedicht voor aan een koning.

Mijn stem klinkt als de pen van een begaafd dichter.

3U bent mooier dan welk mens ook

en wat u zegt is een lust voor het oor:

het is duidelijk dat God u heeft gezegend.

4Gesp uw wapens aan, o held,

alles wat uw eer en waardigheid onderstreept.

5Trek op en strijd voor eervolle zaken

als waarheid, recht en nederigheid.

Wij verwachten grote daden van u!

6U bent klaar voor de strijd, u beheerst de volken.

Uw pijlen dringen tot in het hart van uw vijanden.

7Uw troon, o goddelijke koning,

staat tot in eeuwigheid vast,

uw bewind is een rechtvaardig bewind.

8U houdt van rechtvaardigheid en haat wetteloosheid.

Daarom heeft uw God u met vreugdeolie gezalfd,

u verkozen boven uw metgezellen.

9U bent gekleed in pracht en praal,

u verheugt zich in lieflijke muziek uit prachtige paleizen.

10Prinsessen zijn uw geliefden,

uw vrouw staat in het fijnste goud gehuld naast u.

11Luister goed, mijn dochter, denk niet meer aan uw volk

en vergeet uw ouderlijk huis.

12Laat het verlangen van de koning naar u uitgaan.

Hij is uw meester, voeg u naar hem.

13Dan zullen de rijken der aarde u, dochter van Tyrus,

geschenken geven en naar uw gunst dingen.

14De koningsdochter is oogverblindend gekleed,

haar gewaad is van goudbrokaat.

15Wanneer zij naar de koning gaat,

draagt zij kleurrijk geborduurde japonnen.

In haar gevolg zijn haar vriendinnen en meisjes van adel.

16Onder gezang en vreugdevol gejubel

worden zij het paleis van de koning binnengebracht.

17Waar eens uw vaders stonden, zullen uw zonen staan.

U zult hen aanstellen tot heersers in het hele land.

18Ik zal uw naam aan alle volgende generaties doorgeven,

men zal u altijd blijven prijzen.

King James Version

Psalms 45:1-17

To the chief Musician upon Shoshannim, for the sons of Korah, Maschil, A Song of loves.

1My heart is inditing a good matter: I speak of the things which I have made touching the king: my tongue is the pen of a ready writer.45.1 Maschil: or, of instruction45.1 is inditing: Heb. boileth, or, bubbleth up

2Thou art fairer than the children of men: grace is poured into thy lips: therefore God hath blessed thee for ever.

3Gird thy sword upon thy thigh, O most mighty, with thy glory and thy majesty.

4And in thy majesty ride prosperously because of truth and meekness and righteousness; and thy right hand shall teach thee terrible things.45.4 ride…: Heb. prosper thou, ride thou

5Thine arrows are sharp in the heart of the king’s enemies; whereby the people fall under thee.

6Thy throne, O God, is for ever and ever: the sceptre of thy kingdom is a right sceptre.

7Thou lovest righteousness, and hatest wickedness: therefore God, thy God, hath anointed thee with the oil of gladness above thy fellows.

8All thy garments smell of myrrh, and aloes, and cassia, out of the ivory palaces, whereby they have made thee glad.

9Kings’ daughters were among thy honourable women: upon thy right hand did stand the queen in gold of Ophir.

10Hearken, O daughter, and consider, and incline thine ear; forget also thine own people, and thy father’s house;

11So shall the king greatly desire thy beauty: for he is thy Lord; and worship thou him.

12And the daughter of Tyre shall be there with a gift; even the rich among the people shall intreat thy favour.45.12 favour: Heb. face

13The king’s daughter is all glorious within: her clothing is of wrought gold.

14She shall be brought unto the king in raiment of needlework: the virgins her companions that follow her shall be brought unto thee.

15With gladness and rejoicing shall they be brought: they shall enter into the king’s palace.

16Instead of thy fathers shall be thy children, whom thou mayest make princes in all the earth.

17I will make thy name to be remembered in all generations: therefore shall the people praise thee for ever and ever.