Het Boek

Psalmen 44:1-27

1Een leerzaam gezang van de Korachieten voor de koordirigent.

2God, onze ouders hebben ons steeds weer verteld

hoe U in de geschiedenis met ons volk hebt gehandeld.

Wij hebben het zelf gehoord.

3Eigenhandig hebt U de volken weggejaagd

en onze voorouders in het land gezet.

U hebt andere volken verdrukt

en onze voorouders sterker laten worden.

4Zij hebben echt niet

zelf het land veroverd,

noch hun zwaard,

noch hun lichamelijke kracht

heeft hen bevrijd.

Uw kracht

en uw zorg

hebben dat gedaan,

omdat U hen liefhad.

5God, U bent mijn Koning,

zorgt U toch voor de verlossing van uw volk!

6In uw kracht vellen wij onze tegenstanders

en in uw naam lopen wij hen die tegen ons in opstand komen

onder de voet.

7Ik vertrouw niet op mijn boog

en verwacht geen verlossing van mijn zwaard.

8U hebt ons bevrijd van onze vijanden,

hen die ons haten hebt U voor schut gezet.

9Wij beroemen ons voortdurend op onze God,

uw naam zullen wij altijd prijzen.

10Toch hebt U ons weggestuurd en vernederd,

U bent niet meegegaan met onze legers toen die optrokken.

11U zorgde ervoor dat wij voor onze vijanden moesten wijken,

zij konden alles bij ons plunderen.

12U hebt ons overgeleverd als vee dat wordt geslacht.

Wij zijn onder andere volken verdeeld geraakt.

13U hebt uw volk voor een spotprijs van de hand gedaan,

van dat geld bent U niet rijk geworden.

14Onze buren roddelen over ons,

U hebt ons bespottelijk gemaakt voor hen die rondom ons wonen.

15Onze schande is spreekwoordelijk geworden bij andere volken,

ze schudden het hoofd om ons.

16Dag in, dag uit denk ik aan mijn schande,

ik durf mij niet meer te vertonen

17vanwege de woorden van de roddelaars

en de blikken van mijn vijanden en hen die op wraak uit zijn.

18Ondanks dit alles hebben wij U niet vergeten.

Ook hebben wij het verbond met U nooit ontkend.

19Ons hart bleef op U gericht,

wij bleven op het rechte pad.

20Desondanks hebt U ons op gevaarlijke plaatsen gebracht

en tastten wij soms geheel in het duister.

21Als wij uw naam hadden vergeten

en vreemde goden vereerd zouden hebben,

22zou God dat immers altijd merken?

Hij kent immers elke uithoek van het menselijk hart?

23Werkelijk, ter wille van U zijn wij voortdurend in levensgevaar,

wij worden beschouwd als schapen op weg naar het slachthuis.

24Word wakker! Waarom slaapt U, Here? Word toch wakker!

Laat ons toch niet meer in de steek.

25Waarom keert U ons de rug toe?

Waarom trekt U Zich onze ellende en moeiten niet aan?

26Wij stellen zelf niets meer voor

en liggen hulpeloos op de grond.

27Sta op, Here, en help ons, bevrijd ons ter wille van uw goedheid en liefde.

King James Version

Psalms 44:1-26

To the chief Musician for the sons of Korah, Maschil.

1We have heard with our ears, O God, our fathers have told us, what work thou didst in their days, in the times of old.44.1 Maschil: or, of instruction

2How thou didst drive out the heathen with thy hand, and plantedst them; how thou didst afflict the people, and cast them out.

3For they got not the land in possession by their own sword, neither did their own arm save them: but thy right hand, and thine arm, and the light of thy countenance, because thou hadst a favour unto them.

4Thou art my King, O God: command deliverances for Jacob.

5Through thee will we push down our enemies: through thy name will we tread them under that rise up against us.

6For I will not trust in my bow, neither shall my sword save me.

7But thou hast saved us from our enemies, and hast put them to shame that hated us.

8In God we boast all the day long, and praise thy name for ever. Selah.

9But thou hast cast off, and put us to shame; and goest not forth with our armies.

10Thou makest us to turn back from the enemy: and they which hate us spoil for themselves.

11Thou hast given us like sheep appointed for meat; and hast scattered us among the heathen.44.11 like…: Heb. as sheep of meat

12Thou sellest thy people for nought, and dost not increase thy wealth by their price.44.12 for…: Heb. without riches

13Thou makest us a reproach to our neighbours, a scorn and a derision to them that are round about us.

14Thou makest us a byword among the heathen, a shaking of the head among the people.

15My confusion is continually before me, and the shame of my face hath covered me,

16For the voice of him that reproacheth and blasphemeth; by reason of the enemy and avenger.

17All this is come upon us; yet have we not forgotten thee, neither have we dealt falsely in thy covenant.

18Our heart is not turned back, neither have our steps declined from thy way;44.18 steps: or, goings

19Though thou hast sore broken us in the place of dragons, and covered us with the shadow of death.

20If we have forgotten the name of our God, or stretched out our hands to a strange god;

21Shall not God search this out? for he knoweth the secrets of the heart.

22Yea, for thy sake are we killed all the day long; we are counted as sheep for the slaughter.

23Awake, why sleepest thou, O Lord? arise, cast us not off for ever.

24Wherefore hidest thou thy face, and forgettest our affliction and our oppression?

25For our soul is bowed down to the dust: our belly cleaveth unto the earth.

26Arise for our help, and redeem us for thy mercies’ sake.44.26 for our…: Heb. a help for us