Het Boek

Psalmen 39

1Een psalm van David voor de koordirigent. Voor Jeduthun.

Ik was van plan zorgvuldig te leven
en ook in mijn spreken niet te zondigen.
Ik wilde mijzelf in bedwang houden,
zolang ongelovigen op mij letten.
Ik zweeg en sprak geen woord,
ik hield mijn mond en zei zelfs geen goede dingen.
Mijn zorgen en problemen werden alleen maar groter.
Het verteerde mij van binnen.
Als ik zuchtte, laaide alles weer op.
Toen sprak ik wel.
Here, laat mij toch zien hoe het met mij afloopt,
hoelang ik nog te leven heb.
Toon mij maar dat ik eigenlijk niets voorstel.
Want voor U is mijn leven niet langer dan enkele decimeters.
Mijn leven stelt in uw ogen niets voor.
Ieder mens is maar een ademtocht.
Een mens gaat voorbij als een schaduw,
als een zuchtje wind vliegt zijn leven weg.
Mensen verzamelen van alles,
maar beseffen niet dat anderen het na hun dood zullen nemen.
Maar wat heb ik te verwachten, Here?
Ik vertrouw geheel op U.
Vergeef mij al mijn zonden,
laten de dwazen niet over mij spotten.
10 Ik kan niet spreken, ik zeg niets.
Want U hebt alles voor mij gedaan.
11 Neem al dit lijden van mij af,
ik zal sterven als U Zich tegen mij verzet.
12 Als U iemand straft voor zijn zonden,
vergaat alles wat hem tot aanzien bracht,
net zoals een mot een kledingstuk vernielt.
Een mens is immers niets meer dan een ademtocht.
13 Here, luister toch naar mijn bidden
en hoor mijn smeken om hulp.
Blijf niet zwijgen als ik moet huilen,
want dan voel ik mij een vreemde bij U.
Ver van U zoals mijn voorouders.
14 Neem uw straf van mij af,
zodat ik weer blij door het leven kan gaan,
voor ik sterf en niet meer zal bestaan.

Nkwa Asem

Nnwom 39

Ɔmanehunufo bɔneka

1Mekae se, “Nea meyɛ biara, mɛhwɛ yiye na meremma me tɛkrɛma nyɛ bɔne; sɛ ɔdebɔneyɛfo bɛn me a, merenka hwee.” Meyɛɛ komm. Manka asɛm baako po; manka biribi a ɛfa ade pa ho. Nanso m’amanehunu kɔɔ so ara maa ahopere hyɛɛ me so. Migu so redwen no, na me haw mu remia. Mantumi antena a mimmisa se, “Awurade, mɛtena ase nna ahe? Da bɛn na mewu? Kyerɛ me bere a me nkwa bɛba awiei.” Wɔatew me nkwa nna so! W’ani so de, me nkwa nna nka hwee. Nokware, ɔteasefo biara nsen mframa mu tutuw; ɔnsen sunsumma. Nea ɔyɛ biara yɛ ɔkwa; ɔboa ahonya ano nanso onnim nea ɛbɛyɛ ne de. Afei ɛdɛn na memfa me ho nto so, Awurade? Mede me ho to wo so.

Gye me fi me bɔne nyinaa mu. Na mma agyimifo nserew me.

Mɛyɛ komm. Merenka asɛm baako po efisɛ, wo na woma mihu amane saa.

10 Ntwe m’aso bio. Mereyɛ awu wɔ wo nsa ano. 11 Wode animka na ɛtwe onipa bɔne aso te sɛ afofantɔ sɛe nea ɔpɛ. Nokware, afei onipa nte sɛ mframa mu tutuw bio.

12 Tie me mpaebɔ, Awurade, na tie me sufrɛ; na sɛ misu frɛ wo a, bɛboa me. Meyɛ wo hɔho mmere tiaa bi sɛ yɛn nenanom pɛ.

13 Gyaa me na minnya ahotɔ ansa na mafi ha a mente ase bio.