Het Boek

Psalmen 27

1Een lied van David.

De Here is mijn licht en mijn redder.
Voor wie zou ik dan bang zijn?
De Here is mijn levenskracht.
Zou ik dan nog angst voor iemand hebben?
Toen de misdadigers, mijn vijanden,
kwamen om mij te vernietigen,
zijn zij zelf gestruikeld en gevallen.
Al komt een heel leger op mij af,
ik word niet bang.
Al wordt er oorlog tegen mij gevoerd,
ik blijf toch vertrouwen!
Ik heb de Here slechts één ding gevraagd,
daar gaat mijn hele hart naar uit:
dat ik mijn hele leven in het huis van de Here mag blijven.
Om de lieflijkheid van de Here te kunnen zien
en steeds meer over Hem te leren in zijn tempel.
Want wanneer kwade tijden aanbreken,
verbergt Hij mij in zijn hut.
Hij verstopt mij in zijn tent,
op een plaats die niemand kent.
Hij zet mij hoog op een rots.
Daarom kan ik mijn hoofd opheffen.
Ik kijk over al mijn vijanden heen.
Daarom wil ik Hem offers brengen met luid trompetgeschal.
Ik wil zingen voor de Here,
psalmen zingen voor Hem.
Luister Here, hoe ik hardop naar U roep!
Wees zo goed mij te antwoorden
en geef mij genade.
U Zelf laat mijn hart naar U vragen.
Ik wil U zoeken, Here.
Verberg U niet voor mij
en stuur mij niet toornig weg.
U bent altijd mijn hulp.
Laat mij niet in de steek
en stoot mij niet van U af,
God van mijn heil.
10 Al zouden mijn vader en moeder mij in de steek laten,
de Here laat mij nooit alleen.
11 Leer mij uw bedoelingen, Here,
en laat mij op een vlakke weg lopen,
zodat mijn vijanden mij niet kunnen pakken.
12 Geef mij niet over aan mijn tegenstanders.
Er wordt vals tegen mij getuigd
en geweldenaars bedreigen mij.
13 Gelukkig wist ik zeker
dat de goedheid van de Here mij zou redden.
Hij spaarde mijn leven!
14 Wees sterk en wacht op de Here.
Laat uw hart sterk zijn en krachtig
door altijd op de Here te wachten.

The Message

Psalm 27

A David Psalm

1Light, space, zest—
    that’s God!
So, with him on my side I’m fearless,
    afraid of no one and nothing.

    When vandal hordes ride down
    ready to eat me alive,
Those bullies and toughs
    fall flat on their faces.

When besieged,
    I’m calm as a baby.
When all hell breaks loose,
    I’m collected and cool.

I’m asking God for one thing,
    only one thing:
To live with him in his house
    my whole life long.
I’ll contemplate his beauty;
    I’ll study at his feet.

That’s the only quiet, secure place
    in a noisy world,
The perfect getaway,
    far from the buzz of traffic.

God holds me head and shoulders
    above all who try to pull me down.
I’m headed for his place to offer anthems
    that will raise the roof!
Already I’m singing God-songs;
    I’m making music to God.

7-9 Listen, God, I’m calling at the top of my lungs:
    “Be good to me! Answer me!”
When my heart whispered, “Seek God,”
    my whole being replied,
“I’m seeking him!”
    Don’t hide from me now!

9-10 You’ve always been right there for me;
    don’t turn your back on me now.
Don’t throw me out, don’t abandon me;
    you’ve always kept the door open.
My father and mother walked out and left me,
    but God took me in.

11-12 Point me down your highway, God;
    direct me along a well-lighted street;
    show my enemies whose side you’re on.
Don’t throw me to the dogs,
    those liars who are out to get me,
    filling the air with their threats.

13-14 I’m sure now I’ll see God’s goodness
    in the exuberant earth.
Stay with God!
    Take heart. Don’t quit.
I’ll say it again:
    Stay with God.