Het Boek

Psalmen 17

1Een gebed van David.

Luister toch, Here,
want ik vraag uw oordeel over een eerlijke zaak.
Schenk mij uw aandacht
en luister naar mijn smeekgebed.
Ik kom bij U met een volkomen eerlijk hart
en spreek oprecht tot U.
Spreek uw oordeel over mij uit,
want U weet wat goed en rechtvaardig is.
Beoordeel mijn geweten,
U kunt dat zelfs ʼs nachts doen.
Test mij maar.
U zult niets verkeerds bij mij vinden,
waar ik ook over spreek.
Zoals U mij hebt geleerd,
ben ik ook nooit op pad gegaan met zondaars.
Daarvoor heb ik gewaakt.
Integendeel, ik heb alleen uw weg betreden
en daarop liep ik met vaste tred.
Maar nu roep ik naar U,
juist naar U, mijn God,
omdat ik weet dat U mij zult antwoorden.
Luister alstublieft!
Laat ook nu blijken
hoe genadig en liefdevol U bent.
Want U bevrijdt de mensen
die bij U schuilen.
Bescherm mij
zoals een vader zijn geliefde kind beschermt.
Laat ik mij in uw schaduw mogen verbergen.
Want de ongelovigen
willen mij de baas worden
en mijn aartsvijanden
dreigen mij in te sluiten.
10 De stem van hun geweten
leggen zij het zwijgen op
en ze spreken op arrogante toon.
11 Zij zijn overal om mij heen,
waar ik ook ben.
Hun enige bedoeling is
mij te vernietigen.
12 Mijn vijand lijkt op een leeuw,
klaar om zijn prooi te bespringen.
Of op een roofdier,
weggedoken in zijn schuilplaats.
13 Gaat U hem tegemoet, Here,
en sla hem neer.
Red mijn leven door uw zwaard.
14 Sla hen met uw eigen hand, Here,
die mannen van deze wereld,
die buiten dit leven niets meer verwachten.
Geef hun maar wat goed voor hen is.
Laat zelfs hun nageslacht er nog last van hebben.
15 Ik wil rechtvaardig blijven
en U altijd kunnen aanzien.
ʼs Morgens wil ik,
denkend aan uw goddelijke heerlijkheid,
blij en dankbaar wakker worden.

The Message

Psalm 17

A David Prayer

11-2 Listen while I build my case, God,
    the most honest prayer you’ll ever hear.
Show the world I’m innocent—
    in your heart you know I am.

Go ahead, examine me from inside out,
    surprise me in the middle of the night—
You’ll find I’m just what I say I am.
    My words don’t run loose.

4-5 I’m not trying to get my way
    in the world’s way.
I’m trying to get your way,
    your Word’s way.
I’m staying on your trail;
    I’m putting one foot
In front of the other.
    I’m not giving up.

6-7 I call to you, God, because I’m sure of an answer.
    So—answer! bend your ear! listen sharp!
Paint grace-graffiti on the fences;
    take in your frightened children who
Are running from the neighborhood bullies
    straight to you.

8-9 Keep your eye on me;
    hide me under your cool wing feathers
From the wicked who are out to get me,
    from mortal enemies closing in.

10-14 Their hearts are hard as nails,
    their mouths blast hot air.
They are after me, nipping my heels,
    determined to bring me down,
Lions ready to rip me apart,
    young lions poised to pounce.
Up, God: beard them! break them!
    By your sword, free me from their clutches;
Barehanded, God, break these mortals,
    these flat-earth people who can’t think beyond today.

I’d like to see their bellies
    swollen with famine food,
The weeds they’ve sown
    harvested and baked into famine bread,
With second helpings for their children
    and crusts for their babies to chew on.

15 And me? I plan on looking
    you full in the face. When I get up,
I’ll see your full stature
    and live heaven on earth.