Het Boek

Psalmen 139

1Een psalm van David voor de koordirigent.

Here, U ziet alles van mij,
U kent mij helemaal zoals ik ben.
U weet het als ik zit en als ik weer opsta,
vanuit de hemel weet U wat ik denk.
U ziet waar ik heen ga en weet wanneer ik ga liggen.
Alles wat ik doe, is voor U bekend.
Elk woord dat ik uitspreek kent U al, Here.
U bent bij mij, naast mij, voor mij, achter mij.
Uw hand rust op mij.
Het is voor mij onmogelijk dat te begrijpen.
Het is zo wonderlijk, zo hoog.
Hoe zou ik mij kunnen verbergen voor uw Geest,
waar zou ik naar toe moeten om U te ontvluchten?
Als ik naar de hemel ging, zag ik U daar.
Als ik neerdaalde in het dodenrijk, zou ik U ook daar ontmoeten.
Zelfs als ik vleugels had
en ging wonen aan de andere kant van de zee,
10 zou ik U daar ontmoeten.
U zou mij vasthouden
en uw rechterhand zou mij stevig leiden.
11 Stel dat ik zei dat de duisternis op mij kon vallen,
dan zou het nog licht om mij heen zijn.
12 Ook de duisternis kan niets voor U verbergen.
Voor U is de nacht net zo licht als de dag
en duisternis betekent niets voor U.
13 U hebt mij immers in de buik van mijn moeder gemaakt?
Mijn hele lichaam werd door U geweven.
14 Ik prijs U, omdat U mij zo prachtig hebt gemaakt.
Alles wat U doet, is wonderbaarlijk.
Alles in mij getuigt daarvan.
15 U zag elk van mijn botten,
terwijl zij in het verborgene werden gemaakt.
16 U zag mij al toen ik nog geen vorm had.
Elke dag van mijn leven stond toen al in uw boek opgeschreven.
17 Wat betekenen uw gedachten veel voor mij, mijn God.
Zij zijn ontelbaar.
18 Zelfs als ik ze zou proberen te tellen,
blijken het er nog meer te zijn dan de zandkorrels.
Ik ben voortdurend in uw nabijheid.
19 Mijn God, wilt U uw tegenstanders doden?
Moordenaars, blijf uit mijn buurt!
20 Zij zeggen boosaardige dingen tegen U
en gebruiken uw naam voor hun leugens.
Zij zijn uw vijanden.
21 Ik moet immers wel de mensen haten die U haten, Here?
Ik heb een diepe afkeer van mensen die tegen U in opstand komen.
22 Ik voel een diepe haat tegen hen
en beschouw hen als mijn eigen vijanden.
23 God, houdt U mij in het oog en ken mijn hart.
Toets mij. U mag alles weten wat er in mij omgaat.
24 Let op of ik soms de verkeerde weg opga.
Leid mij op uw weg, die naar uw eeuwigheid voert.

Nova Versão Internacional

Salmos 139

Salmo 139

Para o mestre de música. Davídico. Um salmo.

Senhor, tu me sondas e me conheces.
Sabes quando me sento e quando me levanto;
de longe percebes os meus pensamentos.
Sabes muito bem quando trabalho
    e quando descanso;
todos os meus caminhos
    são bem conhecidos por ti.
Antes mesmo que a palavra
    me chegue à língua,
tu já a conheces inteiramente, Senhor.

Tu me cercas, por trás e pela frente,
e pões a tua mão sobre mim.
Tal conhecimento é maravilhoso demais
    e está além do meu alcance;
é tão elevado que não o posso atingir.

Para onde poderia eu escapar do teu Espírito?
Para onde poderia fugir da tua presença?
Se eu subir aos céus, lá estás;
se eu fizer a minha cama na sepultura[a],
    também lá estás.
Se eu subir com as asas da alvorada
    e morar na extremidade do mar,
10 mesmo ali a tua mão direita me guiará
    e me susterá.
11 Mesmo que eu diga que as trevas
    me encobrirão,
e que a luz se tornará noite ao meu redor,
12 verei que nem as trevas são escuras para ti.
A noite brilhará como o dia,
    pois para ti as trevas são luz.

13 Tu criaste o íntimo do meu ser
e me teceste no ventre de minha mãe.
14 Eu te louvo porque me fizeste
    de modo especial e admirável[b].
Tuas obras são maravilhosas!
Digo isso com convicção.
15 Meus ossos não estavam escondidos de ti
    quando em secreto fui formado
    e entretecido como nas profundezas da terra.
16 Os teus olhos viram o meu embrião;
todos os dias determinados para mim
    foram escritos no teu livro
    antes de qualquer deles existir.

17 Como são preciosos para mim
    os teus pensamentos, ó Deus!
Como é grande a soma deles!
18 Se eu os contasse, seriam mais
    do que os grãos de areia.
Se terminasse de contá-los[c],
    eu ainda estaria contigo.
19 Quem dera matasses os ímpios, ó Deus!
Afastem-se de mim os assassinos!
20 Porque falam de ti com maldade;
em vão rebelam-se contra ti.
21 Acaso não odeio os que te odeiam, Senhor?
E não detesto os que se revoltam contra ti?
22 Tenho por eles ódio implacável!
Considero-os inimigos meus!

23 Sonda-me, ó Deus,
    e conhece o meu coração;
prova-me, e conhece as minhas inquietações.
24 Vê se em minha conduta algo te ofende,
    e dirige-me pelo caminho eterno.

Notas al pie

  1. 139.8 Hebraico: Sheol. Essa palavra também pode ser traduzida por profundezas, pó ou morte.
  2. 139.14 A Septuaginta, a Versão Siríaca e os manuscritos do mar Morto dizem porque tu és tremendo e maravilhoso.
  3. 139.18 Ou Quando acordasse