Het Boek

Psalmen 129

1Een bedevaartslied.

Laat Israël het volgende zeggen:
sinds de tijd dat ons volk ontstond,
zijn wij onderdrukt.
Van het begin af aan
hebben zij ons in moeilijkheden gebracht,
maar zij hebben ons niet overwonnen.
Zij hebben ons onderdrukt
en zelfs gemarteld.
Maar de Here, die rechtvaardig oordeelt,
heeft de touwen waarmee de ongelovigen
ons hadden vastgebonden doorgesneden.
Alle volken die Jeruzalem haten,
zullen te kijk worden gezet en wegvluchten.
Zij lijken op gras dat op de daken groeit
en al is verdord voor het wordt uitgetrokken.
Het kan zelfs niet meer als hooi dienen.
Voor zulke mensen geldt niet de zegenwens:
‘Ik bid dat de Here u zegent.’
Ook niet:
‘Wij zegenen u in de naam van de Here.’

The Message

Psalm 129

A Pilgrim Song

11-4 “They’ve kicked me around ever since I was young”
    —this is how Israel tells it—
“They’ve kicked me around ever since I was young,
    but they never could keep me down.
Their plowmen plowed long furrows
    up and down my back;
Then God ripped the harnesses
    of the evil plowmen to shreds.”

5-8 Oh, let all those who hate Zion
    grovel in humiliation;
Let them be like grass in shallow ground
    that withers before the harvest,
Before the farmhands can gather it in,
    the harvesters get in the crop,
Before the neighbors have a chance to call out,
    “Congratulations on your wonderful crop!
    We bless you in God’s name!”