Het Boek

Psalmen 129

1Een bedevaartslied.

Laat Israël het volgende zeggen:
sinds de tijd dat ons volk ontstond,
zijn wij onderdrukt.
Van het begin af aan
hebben zij ons in moeilijkheden gebracht,
maar zij hebben ons niet overwonnen.
Zij hebben ons onderdrukt
en zelfs gemarteld.
Maar de Here, die rechtvaardig oordeelt,
heeft de touwen waarmee de ongelovigen
ons hadden vastgebonden doorgesneden.
Alle volken die Jeruzalem haten,
zullen te kijk worden gezet en wegvluchten.
Zij lijken op gras dat op de daken groeit
en al is verdord voor het wordt uitgetrokken.
Het kan zelfs niet meer als hooi dienen.
Voor zulke mensen geldt niet de zegenwens:
‘Ik bid dat de Here u zegent.’
Ook niet:
‘Wij zegenen u in de naam van de Here.’

Священное Писание (Восточный Перевод)

Забур 129

1Из глубин взываю я к Тебе, Вечный.
    Владыка, услышь мой голос;
    будь внимателен к моим молениям!

Если бы Ты, Вечный, вёл счёт беззакониям,
    то, о Владыка, кто бы устоял?
Но у Тебя есть прощение;
    пусть боятся Тебя.

На Вечного я надеюсь, надеется душа моя,
    и на слово Его уповаю.
Душа моя ждёт Владыку
    более, чем стражи – утра,
    да, более, чем стражи – утра.

Да уповает Исраил на Вечного,
    потому что у Вечного – милость,
    и великое избавление – у Него.
Он избавит Исраил
    от всех его беззаконий.[a]

Песнь восхождения, Давуда.

Notas al pie

  1. 129:8 См. Мат. 1:21.