Het Boek

Psalmen 119

1Gelukkig zijn de mensen die een zuiver leven leiden
en zich houden aan de wet van de Here.
Gelukkig zijn de mensen die Hem dienen
en zijn woord bewaren in hun hart.
Gelukkig zijn de mensen die geen misdaden begaan,
maar leven zoals God wil.
U hebt ons uw bevelen gegeven
met de bedoeling dat wij ons daaraan houden.
Ik wilde wel dat ik zo standvastig was,
dat ik altijd uw regels zou naleven.
Dan zou ik mij nooit hoeven te schamen
als ik uw wet las.
Met een eerlijk en oprecht hart zal ik U prijzen,
als ik anderen les geef over rechtvaardige wetten.
Ik zal mij houden aan uw leefregels.
Laat mij niet in de steek.
Hoe kan een jonge man zuiver leven?
Als hij zich laat leiden door uw woord.
10 Met mijn hele hart wil ik U volgen.
Helpt U mij om niet van U af te dwalen.
11 Ik vul mijn hart met uw woorden, dat is de enige manier
om niet te zondigen en U geen verdriet te doen.
12 Here, U bent het zo waard te worden geprezen!
Leer mij alles over uw wet.
13 Ik spreek over alle wetten
die U hebt gemaakt.
14 Ik ben zo blij als ik veel over U mag spreken.
Dat geeft mij meer vreugde dan aardse rijkdom.
15 Ik wil blijven nadenken over uw leefregels
en zal U trouw volgen.
16 Uw gebod geeft mij de grootste vreugde.
Ik zal uw woord nooit vergeten.
17 Ik ben uw dienaar, bewaart U mij,
dan kan ik mij mijn hele leven houden aan uw woord.
18 Open mijn ogen,
zodat ik alle wonderen in uw wet kan ontdekken.
19 Hier op aarde voel ik mij slechts een vreemdeling,
laat uw gebod niet voor mij zijn verborgen.
20 Alles in mij verlangt
voortdurend naar uw voorschriften.
21 Mensen die eigenzinnig van uw wet afdwalen,
worden door U bedreigd en zijn al vervloekt.
22 Wilt U elke vorm van spot en schande bij mij weghouden,
want ik ben trouw aan alles wat U zegt.
23 Zelfs al zouden koningen gezamenlijk een aanslag op mij beramen,
dan nog zou ik, uw dienaar, alleen maar uw wetten overdenken.
24 Alles wat U hebt gezegd en wat in uw woord staat,
is voor mij een grote vreugde
en ik laat mij door uw woorden raad geven.
25 Ik merk hoe mijn hart aan deze aarde hangt,
geef mij het leven door uw woord.
26 Ik heb U alles verteld wat ik heb gedaan
en U hebt mij ook antwoord gegeven.
Leer mij nu hoe ik naar uw wil kan leven.
27 Laat mij begrijpen wat U in uw wet bedoelt,
zodat ik kan nadenken over alle wonderen die U doet.
28 Mijn hart huilt van verdriet en wanhoop,
helpt U mij overeind door uw woord.
29 Wilt U mij op het rechte pad houden?
Geef mij in uw genade uw wetten.
30 Ik kies ervoor de waarheid te volgen.
Daarom denk ik voortdurend aan uw leefregels.
31 Ik houd mij vast aan alles wat U gezegd hebt, Here.
Stel mij niet teleur.
32 Ik zal de weg van uw wet volgen,
omdat U mij alle levensruimte geeft.
33 Leer mij, Here, hoe ik de weg van uw wet kan volgen.
Dan zal ik mij mijn leven lang daaraan houden.
34 Maak mij verstandig,
want dan kan ik uw wet houden zoals U wilt.
Met mijn hele hart wil ik mij aan uw wet houden.
35 Laat mij lopen op het pad van uw geboden,
dat maakt mij gelukkig.
36 Ik wil zo graag dat mijn hart uitgaat
naar alles wat U gezegd hebt en niet naar geld verdienen.
37 Help mij niet naar zinloze dingen te kijken.
Ik wil in dit leven gelukkig worden door U te volgen.
38 Ik ben uw dienaar en heb diep ontzag voor U.
Wilt U laten blijken dat uw beloften waar zijn?
39 Ik ben bang voor schande.
Neemt U die angst toch weg,
want uw geboden zijn zo goed.
40 Heus, ik verlang naar uw bevelen.
Laat U mij toch zuiver leven door uw rechtvaardigheid.
41 Ik bid dat U mij uw goedheid en liefde laat ervaren, Here.
En bevrijdt U mij zoals U hebt beloofd.
42 Dan weet ik iets terug te zeggen als men mij bespot,
want ik wil alleen zo spreken dat het overeenstemt met uw woord.
43 Laat mij uw woorden van waarheid spreken.
Ik heb vertrouwen in uw besluiten.
44 Ik wil mij onafgebroken houden aan uw wet,
mijn leven lang.
45 Dan ga ik mijn weg onbevangen en zonder belemmering,
omdat ik mij richt naar uw woord.
46 Zelfs voor koningen kan ik dan over uw wet spreken
zonder mij te schamen.
47 Ik geniet van uw wet en houd van haar.
48 Daarom strek ik mijn handen uit naar uw geboden,
waarvan ik zoveel houd.
Dan denk ik rustig na over alles wat U hebt vastgelegd.
49 Denk aan wat U tegen mij hebt gezegd,
ik ben immers uw dienaar en U hebt mij hoop gegeven.
50 Dat troost mij in alle ellende die ik meemaak.
Uw beloften geven mij weer leven.
51 Ongelovigen kunnen mij nog zo bespotten,
ik stap niet af van uw wet.
52 Here, als ik denk aan alles
wat U sinds mensenheugenis hebt voorgeschreven,
voel ik mij getroost.
53 De goddeloze mensen die uw wet links laten liggen,
brengen mij tot grote verontwaardiging.
54 Uw leefregels zijn muziek voor mij,
zolang ik hier op aarde woon,
ik voel mij hier een vreemdeling.
55 Als ik ʼs nachts wakker lig,
denk ik aan uw grote naam, Here,
en ook dan houd ik mij aan uw wetten.
56 Dat heb ik van U ontvangen,
omdat ik uw leefregels zorgvuldig bewaar.
57 De Here heeft Zichzelf aan mij gegeven,
ik heb ook beloofd mij altijd aan uw woord te houden.
58 Ik verlang er met mijn hele hart naar
dat U mij goed gezind bent,
geef mij uw genade zoals U hebt beloofd.
59 Ik denk na over mijn levensweg
en haast mij om uw woord te volgen.
60 Zonder aarzelen haast ik mij
te doen wat U voorschrijft.
61 Hoewel de ongelovigen om mij heen
mij voortdurend willen vangen,
vergeet ik niet wat U in uw wet zegt.
62 Rond middernacht sta ik op om U te prijzen
voor uw rechtvaardige wetten en geboden.
63 Ik ga mijn weg samen met alle mensen
die ook ontzag voor U hebben
en die leven volgens uw gebod.
64 De aarde is vol van uw goedheid en liefde, Here.
Leer mij alles over uw wetten.
65 U hebt mij, uw dienaar, het goede gegeven.
Precies, Here, zoals uw woord dat aangeeft.
66 Geef mij een goed onderscheidingsvermogen en verstand,
want ik stel mijn vertrouwen op uw wet.
67 Voordat ik in moeilijkheden kwam, dwaalde ik vaak van U af.
Maar nu houd ik mij alleen nog aan wat U zegt.
68 U bent een goede God en doet het goede voor de mensen.
Leer mij alles wat U van de mensen wilt.
69 Ongelovigen schuiven mij allerlei leugens in de schoenen,
maar ik houd mij met mijn hele hart vast aan uw wet.
70 Zij hebben harten van steen,
maar ik ervaar vreugde als ik aan uw wet denk.
71 Het is goed dat ik grote moeilijkheden heb doorgemaakt,
want daardoor heb ik U en uw wet beter leren kennen.
72 Uw woorden gaan voor mij ver boven
grote rijkdommen aan goud en zilver.
73 U hebt mij met uw eigen handen gemaakt.
Maak mij verstandig, zodat ik alles over uw wet kan leren.
74 Andere mensen die ook diep ontzag voor U hebben,
zijn blij als zij mij zien en meemaken,
omdat ik op uw woord vertrouw.
75 Here, ik weet dat uw oordeel een rechtvaardig oordeel is.
Dat U mij trouw bleef in al mijn ellende.
76 Ik bid dat uw goedheid en liefde mij zullen troosten.
Dat hebt U mij, uw dienaar, immers beloofd?
77 Laat uw liefdevolle meeleven mij bereiken,
zodat ik leven kan. Ik verheug mij in uw wetten.
78 Laat de ongelovigen toch tot inzicht komen en zich schamen,
omdat zij mij onterecht kwaad deden.
Ik denk voortdurend aan wat U mij hebt opgedragen.
79 Wilt U mensen die diep ontzag voor U koesteren
en uw wet kennen, naar mij toe sturen?
80 Ik wil met volledige toewijding uw wet naleven,
zodat ik mij nooit hoef te schamen.
81 Alles in mij verlangt naar uw bevrijding,
zoals U hebt beloofd.
82 Mijn ogen kijken verlangend uit naar
de vervulling van uw belofte,
wanneer komt U om mij te troosten?
83 Ik ben oud en onaantrekkelijk geworden,
maar toch heb ik uw wet niet vergeten.
84 Hoe lang laat U mij nog in leven?
Wanneer gaat U nu eens wraak nemen op mijn vijanden?
85 Ongelovigen, die zich niet interesseren voor uw wet,
hebben een kuil voor mij gegraven.
86 U bent toch trouw aan alles wat U hebt beloofd?
Help mij toch! Zij achtervolgen mij terwijl ik niets heb gedaan.
87 Het is hun bijna gelukt mij te doden,
maar ik heb mij vastgehouden aan uw bevelen.
88 Laat ik mogen leven
in overeenstemming met uw goedheid en liefde.
Dan zal ik blijven spreken over uw grote daden.
89 Here, uw woord blijft eeuwig bestaan
tot in de hemelen toe.
90 U bewijst uw trouw aan elke generatie.
U hebt ook de aarde gemaakt,
zodat die stevig gegrondvest is.
91 Vandaag de dag staat alles vast volgens uw voorschriften.
Alles is aan U onderworpen.
92 Als ik niet voortdurend de vreugde van uw wet had ervaren,
was ik in alle moeilijkheden ten onder gegaan.
93 Nooit zal ik uw wetten vergeten,
want juist door die wetten hebt U mij het leven weer gegeven.
94 Ik ben uw eigendom, bevrijd mij.
Ik verlang naar uw opdrachten.
95 Ongelovigen zijn er op uit mij te vernietigen,
maar ik let uitsluitend op uw woord.
96 Ik heb gezien hoe alles, hoe geweldig ook,
eens een einde heeft.
Maar ik weet dat uw geboden oneindig zijn.
97 Wat houd ik veel van uw wet!
Ik denk er de hele dag over na.
98 Uw geboden geven mij meer wijsheid
dan mijn vijanden hebben.
Want ik heb ze altijd bij me.
99 Ik heb meer verstand
dan de mensen die mij eens lesgaven,
omdat ik voortdurend uw woorden overdenk.
100 Ik heb meer inzicht
dan de oude mensen,
omdat ik uw bevelen zorgvuldig bewaar.
101 Ik zorg ervoor dat ik niet op het verkeerde pad kom,
zo kan ik mij houden aan uw woord.
102 Ik volg uw voorschriften nauwgezet op,
alles leer ik van U.
103 Alles wat U zegt, is heerlijk om naar te luisteren.
Het klinkt zoeter dan honing.
104 Door uw wet heb ik inzicht gekregen
en daarom haat ik de leugen.
105 Uw woord is een stralend licht,
dat mij de weg door het leven wijst.
106 Ik heb een eed afgelegd
en daar wil ik mij aan houden.
Ik heb daarbij toegezegd dat ik mij altijd
zal houden aan uw rechtvaardige wetten.
107 Ik heb zulke grote moeilijkheden. Here,
geef mij toch het leven weer door uw woord.
108 Ik spreek ongedwongen over U, Here,
en hoop dat U daar genoegen in hebt.
Leer mij alles over uw wetten.
109 Ik zal nooit uw wet vergeten,
ook al is mijn leven voortdurend in gevaar.
110 Ongelovigen proberen mij te vangen,
maar ik blijf bij wat U hebt gezegd.
111 Alles wat U hebt gezegd,
heb ik als een blijvend erfdeel gekregen.
Ik ben er heel erg blij mee.
112 Ik verlang ernaar altijd te doen
wat U hebt gezegd, mijn leven lang.
113 Ik heb een hekel aan aarzelende mensen,
maar houd zielsveel van uw wet.
114 Bij U kan ik schuilen en U beschermt mij.
Ik verwacht het van uw beloften.
115 Kom mij niet te na, misdadigers,
want ik wil mij houden aan het gebod van mijn God.
116 U hebt beloofd mij te zullen ondersteunen.
Doet U dat nu ook, zodat ik blijf leven. Stel mij niet teleur.
117 Geef mij uw kracht en bevrijd mij.
Dan zal ik mij blijven verheugen in uw geboden.
118 Ieder die zich niet aan uw wet houdt,
doet U ver van U weg.
Wat zij zeggen en doen is zinloos.
119 Alle goddelozen op aarde
worden eens door U weggevaagd.
Ook dat is voor mij een reden uw wet lief te hebben.
120 Ik ben bang voor uw oordeel,
mijn hele lichaam trilt van angst.
121 Ik heb altijd eerlijk en oprecht geleefd,
laten mijn vijanden mij niet in hun macht krijgen.
122 Stelt U Zich garant voor mij en zorg ervoor
dat ongelovigen mij niet achtervolgen.
123 Ik verlang ernaar U te zien
en uw rechtvaardig woord te horen.
124 Wilt U met uw goedheid en liefde met mij omgaan
en mij alles leren over uw wetten.
125 Ik ben uw dienaar, maak mij verstandig,
zodat ik uw wetten kan begrijpen.
126 Here, voor U is de tijd aangebroken om op te treden,
want men heeft uw wetten overtreden.
127 Ik houd van uw geboden,
meer dan van het mooiste goud.
128 Daarom geloof ik ook
dat al uw bevelen rechtvaardig zijn,
ik haat de leugen.
129 Alles wat U hebt gezegd, is geweldig en heerlijk.
Daarom onthoud ik alles wat ik van U hoor.
130 Door te luisteren naar uw woord,
komt er licht en duidelijkheid in mijn leven.
Zelfs onverstandige mensen ontwikkelen inzicht.
131 Ik smacht van verlangen
naar alles wat U gebiedt.
132 Kom bij mij en geef mij uw genade.
Mensen die van U houden, mogen zich immers daarop beroepen?
133 Doet U mij wandelen op mijn levenspad, zoals U hebt beloofd.
Houd het onrecht ver van mij.
134 Bevrijd mij uit de onderdrukking van mijn vijanden,
dan zal ik voortaan alles doen wat U hebt bevolen.
135 Ik ben uw dienaar, laat uw licht over mij schijnen
en leer mij alles wat ik van U moet weten.
136 Mijn tranen vloeien als rivieren en mijn verdriet is groot,
omdat mijn volk niet leeft volgens uw wet.
137 Here, U bent rechtvaardig
en uw leefregels zijn betrouwbaar.
138 Toen U ons uw geboden gaf,
was dat in oprechtheid
en het getuigde van uw grote trouw.
139 Ik word beheerst door het verlangen U te dienen,
temeer omdat mijn vijanden U in de steek laten.
140 Uw woorden zijn volkomen zuiver.
Ik, uw dienaar, heb ze van harte lief.
141 Ik ben maar gering en niemand acht mij hoog,
maar ik denk voortdurend aan uw geboden.
142 Uw rechtvaardigheid is eeuwig
en alleen uw wet is de waarheid.
143 Ook al overkomt mij allerlei ellende en achtervolging,
juist dan zijn uw geboden voor mij een vreugde.
144 Alles wat U hebt gezegd, bevat rechtvaardigheid voor altijd.
Als U mij verstandig maakt, kan ik werkelijk leven.
145 Here, ik roep met mijn hele hart naar U,
antwoord mij toch. Ik zal uw geboden naleven.
146 Ik roep naar U, bevrijd mij!
Dan zal ik elk gebod van U in ere houden.
147 Nog voor de zon opkomt, roep ik U te hulp.
Ik verwacht een woord van U.
148 Nog voor de nachtwakers aan het werk gaan,
zie ik al weer uit naar uw belofte.
149 Wilt U met uw liefde en goedheid naar mij luisteren?
Here, als uw recht mij leidt, kan ik leven.
150 Om mij heen zijn mensen die in zonde leven,
van uw wet willen zij niets weten.
151 U bent dichtbij mij, Here.
Ik weet dat al uw woorden waar zijn.
152 Uit uw woorden weet ik dat U van het begin af
aan alles een vaste plaats hebt gegeven.
153 Let toch op mijn moeilijkheden en bevrijd mij.
Ik zal uw wet echt niet vergeten.
154 Wees rechter over mij en red mij.
U hebt beloofd mij nieuw leven te geven.
155 De ongelovigen zullen niet worden gered,
want zij willen zich niet aan uw leefregels houden.
156 Uw liefdevolle meeleven is zo groot, Here.
U hebt bevolen dat ik het leven weer zou krijgen.
157 Het aantal vijanden dat mij achtervolgt, is groot,
toch zal ik niet van uw woorden afwijken.
158 Ik voel weerzin als ik mensen zie die van U zijn afgeweken,
want zij houden zich niet aan wat U zegt.
159 Ziet U wel hoeveel ik van uw wet houd?
Here, laten uw goedheid en liefde weer nieuw leven geven.
160 Nergens in uw woord is iets onwaars, alles is de waarheid.
Al uw rechtvaardige geboden zijn eeuwig.
161 Zonder aanleiding word ik achtervolgd door koningen,
maar uw woord is het enige dat ik vrees, daarvoor heb ik ontzag.
162 Ik ben zo blij met uw woord,
alsof onverwachte rijkdom mij in de schoot valt.
163 Ik heb een hartgrondige hekel aan leugens,
daarentegen houd ik heel veel van uw wet.
164 Zeven keer per dag prijs ik U,
omdat U ons een rechtvaardige wet hebt gegeven.
165 Mensen die van uw wet houden,
ervaren een diepe vrede in het hart.
Er staat hun niets in de weg.
166 Here, ik verwacht alleen uitredding van U
en houd mij aan uw geboden.
167 Ik houd mij met mijn hele wezen aan uw woorden,
ik heb ze oprecht lief.
168 Ik blijf trouw aan uw wetten en regels,
want U weet wat goed voor mij is.
169 Here, ik bid dat U mij zult horen.
Wees trouw aan wat U hebt gezegd en maakt U mij verstandig.
170 Laat mijn aanhoudend bidden U bereiken.
Bevrijd mij zoals U hebt beloofd.
171 Overal waar ik kom, zal ik U steeds prijzen,
want U leert mij alles wat U goed vindt.
172 Ik zal een lied zingen over wat U zegt,
omdat alles wat U gebiedt, rechtvaardig is.
173 Laat uw hand mij te hulp komen,
want ik kies ervoor uw geboden na te volgen.
174 Ik verlang naar uw bevrijding, Here.
Uw wet maakt mij gelukkig.
175 Laat mij leven en U prijzen.
Laten uw leefregels mij tot steun zijn.
176 Soms dwaal ik rond als een schaap
dat de herder niet meer kan vinden.
Zoekt U mij dan op,
ik zal uw geboden nooit vergeten.

Nkwa Asem

Nnwom 119

Awurade mmara

1Nhyira nka wɔn a wɔn asetena yɛ pɛ, na wodi Awurade mmara so. Nhyira nka wɔn a wofi wɔn koma nyinaa mu di n’ahyɛde so. Wɔnyɛɛ mfomso. Wɔnam Awurade akwan so. Awurade, wo na wohyɛɛ mmara maa yɛn na wokae se yɛnni so nokwarem. Mewɔ anidaso yiye sɛ medi w’asɛm so. Sɛ meyɛ aso ma w’ahyɛde a, m’anim rengu ase.

Mesua w’atɛntrenee yi; mede koma a emu tew bɛkamfo wo. Medi wo mmara so; nnyaw me.

Osetie wɔ Awurade mmara ho

Ɛbɛyɛ dɛn na aberante abɔ ɔbra pa? Ɛsɛ sɛ odi wo mmara so. 10 Mifi me koma nyinaa mu pɛ sɛ mesom wo. Mma mennyɛ asoɔden wɔ wo mmara no so di ho. 11 Mede wo mmara no sie me koma mu sɛnea merenyɛ bɔne ntia wo.

12 Mekamfo wo, O Awurade; kyerɛ me w’akwan. 13 Mɛpae mu mati mmara a woahyɛ ama me no nyinaa mu. 14 M’ani gye sɛ medi wo mmara so sen sɛ mɛyɛ ɔdefo. 15 Misua wo mmara na mehwehwɛ wo nkyerɛkyerɛ mu. 16 M’ani gye wo mmara ho; me werɛ remfi w’ahyɛde da.

Awurade mmara mu ahotɔ

17 Yɛ me wo somfo yiye, sɛnea mɛtena ase na m’adi wo nkyerɛkyerɛ so. 18 Bue m’ani na minhu nokware a ɛyɛ nwonwa wɔ wo mmara no mu. 19 Mewɔ asase yi so mmere tiaa bi; mfa wo mmara no nhintaw me. 20 Me koma ani agyina sɛ ebehu w’atemmu bere nyinaa.

21 Woka ahantanfo anim. Nnome nka wɔn a wobuu wo mmara so. 22 Gye me fi wɔn kasatia ne wɔn atwetwesi mu efisɛ, madi wo mmara so. 23 Ahene hyia pam me tiri so, nanso mesua wo nkyerɛkyerɛ. 24 Wo mmara ma m’ani gye; ɛyɛ me fotufo.

Awurade mmara so di ho nsua

25 Wɔadi me so ma meda mfutuma mu; kanyan me sɛnea woahyɛ me bɔ no. 26 Mekaa nea mayɛ nyinaa ma wubuaa me; kyerɛ me w’akwan. 27 Boa me na mente wo mmara no ase na mede wo nkyerɛkyerɛ no bɛkɔ adwenem.

28 Awerɛhow ahyɛ me so; hyɛ me den sɛnea woahyɛ me bɔ no. 29 Mma memmfa ɔkwan bɔne so na wo yiyedi mu, kyerɛ me wo mmara. 30 Maka se mɛyɛ osetie. Matie w’atemmu. 31 Awurade, madi wo nkyerɛkyerɛ akyi; mma m’anim nngu ase. 32 Mede ahosɛpɛw bedi w’ahyɛde so efisɛ, wobɛma mate ase yiye.

Ntease ho mpaebɔ

33 Kyerɛkyerɛ me wo mmara no ase, Awurade, na medi so mmere nyinaa mu. 34 Kyerɛ wo mmara no mu kyerɛ me na medi so; mede me koma nyinaa bedi so. 35 Ma menyɛ osetie mma wo mmara no efisɛ, emu na menya ahotɔ.

36 Ma me ɔpɛ pa na minni wo mmara no so sen sɛ mɛyɛ ɔdefo. 37 Mma minnni nneɛma a ɛho nni mfaso akyi; yɛ me adɔe sɛnea woahyɛ me bɔ no. 38 Hyɛ me wo bɔ; wo somfo; ɛbɔ a wohyɛ wɔn a wotie wo no.

39 Gye me fi kasatia a misuro mu; w’atemmu yɛ nwonwa. 40 Mepɛ sɛ midi wo mmara so; ma me nkwa foforo efisɛ, woyɛ trenee.

Awurade mmara no mu ahotoso

41 Ma minhu dɔ a wodɔ me, Awurade, na gye me nkwa sɛnea wohyɛɛ bɔ no. 42 Afei metumi mabua wɔn a wɔkasa tia me no efisɛ, migye w’asɛm no midi.

43 Ma menka nokware daa efisɛ, m’anidaso wɔ w’atemmu mu. 44 Mɛkae wo mmara no daa daa. 45 Mɛfa me ho adi kora kora efisɛ, mebɔ mmɔden sɛ metie wo nkyerɛkyerɛ. 46 Mɛbɔ wo mmara no dawuru akyerɛ ahene na m’ani renwu.

47 M’ani gye sɛ midi wo mmara no so efisɛ, medɔ mmara no. 48 Mibu wo mmara no, dɔ no. Mɛdwene wo nkyerɛkyerɛ no ho.

Awurade mmara no mu ahotoso

49 Kae bɔ a woahyɛ me, wo somfo no; ama manya anidaso. 50 M’amanehunu mu mpo, wokyekyee me werɛ efisɛ, wo bɔhyɛ no maa me nkwa. 51 Daa ahantanfo bu me animtia, nanso mentwee me ho mfii wo mmara no ho. 52 Mekae wo tete atemmu no a, na me werɛ akyekye, O Awurade. 53 Sɛ mihu sɛ amumɔyɛfo rebu wo mmara no so a, na me bo afuw. 54 Me bra kakra a mebɔɔ wɔ asase so no, mehyehyɛɛ wo mmara no ho dwom. 55 Anadwo, mekae wo, Awurade, na midwen wo mmara no ho. 56 Minya m’ahotɔ fi wo mmara a midi so no mu.

Awurade mmara no sodi

57 Wo ara na mehwehwɛ wo, O Awurade; mehyɛ bɔ sɛ, medi wo mmara no so. 58 Mede me koma nyinaa srɛ wo sɛ, hu me mmɔbɔ sɛnea wahyɛ bɔ no! 59 Masesa me suban na mehyɛ bɔ sɛ medi wo nkyerɛkyerɛ so. 60 Medi wo mmara no so a meretwentwɛn me nan ase. 61 Amumɔyɛfo asum me firi nanso me werɛ mfi wo mmara no.

62 Ɔdasum, mesɔre kamfo wo w’atɛntrenee ho. 63 Wɔn a wɔsom wo ne wɔn a wodi wo mmara so yɛ me nnamfo. 64 Awurade, wo dɔ a ɛwɔ hɔ daa no ahyɛ asase so ma; kyerɛ me w’ahyɛde.

Awurade mmara sodi mfaso

65 Woadi wo bɔhyɛ so Awurade, na wuye ma me, wo somfo. 66 Ma me nyansa ne adwene efisɛ, migye wo mmara no di. 67 Bere a na wotwe m’aso no, na meyɛ mfomso nanso afei, medi w’asɛm so. 68 Wowɔ adɔe, kyerɛ me wo mmara no.

69 Ahantanfo adi atoro afa me ho, nanso mede me koma nyinaa di wo nkyerɛkyerɛ so. 70 Saa nnipa yi nni ntease, nanso mewɔ anigye wo mmara no mu.

71 Na m’asotwe no fata me efisɛ, ɛma misuaa wo mmara no. 72 Mmara a wode mae no ho baa me mfaso sen wiase sika nyinaa.

Nokware a ɛwɔ Awurade mmara mu

73 Wo na wobɔɔ me na wokoraa me asomdwoe mu; ma me ntease sɛnea metumi asua wo mmara no. 74 Wɔn a wodi wo ni no hu me a, wɔn ani begye efisɛ, migye wo bɔhyɛ no di.

75 Minim sɛ wubu atɛntrenee, Awurade, na wotwee m’aso efisɛ, woyɛ ɔnokwafo. 76 Ma wo dɔ a ɛwɔ hɔ daa no nkyekye me werɛ sɛnea woahyɛ me a meyɛ wo somfo bɔ no. 77 Hu me mmɔbɔ, na mɛtena ase efisɛ, m’ani gye wo mmara no ho.

78 Ma ahantanfo a wɔka nsɛm a enni mu gu me so no ani nwu. Me de, midwen wo nkyerɛkyerɛ no ho. 79 Ma wɔn a wodi wo ni no mmra me nkyɛn; wɔn a wonim wo mmara nyinaa. 80 Ma minni wo mmara so pɛpɛɛpɛ na nkogu aniwu amma me so.

Ogye mpaebɔ

81 Mayɛ mmerɛw, Awurade; meretwɛn sɛ wubegye me. Migye w’asɛm midi. 82 M’ani ahwɛ wo bɔ a wohyɛɛ me no kwan abrɛ, bere a mibisa se, “Bere bɛn na wobɛboa me?” no. 83 Me ho mfaso asa sɛ akotokyiwa a wɔatow akyene, nanso me werɛ mfi wahyɛde no. 84 Mentwɛn nkosi da bɛn? Da bɛn na wobɛtwe wɔn a wɔtaa me no aso? 85 Ahantanfo a wonni wo mmara so no atu amoa de asum me firi. 86 W’ahyɛde nyinaa yɛ nokware; nnipa nam atoro so taa me; boa me! 87 Wɔreyɛ anya me akum me, nanso mempoo w’ahyɛde no. 88 Wo dɔ a ɛwɔ hɔ daa no nti, yɛ me adɔe sɛnea medi wo mmara no so.

Awurade mmara mu gyidi

89 O Awurade, w’asɛm no bɛtena hɔ daa daa; ɛwɔ ɔsoro daa nyinaa. 90 Wo nokwasɛm wɔ hɔ mfe nyinaa. Wode asase adua baabi, na etim hɔ. 91 W’ahyɛde nti, nneɛma nyinaa wɔ hɔ besi nnɛ efisɛ, wɔn nyinaa yɛ w’asomfo.

92 Sɛ wo mmara mma me anigye a, anka ɔhaw bekum me. 93 Meremmu wo nkyerɛkyerɛ no so da efisɛ, ɛno na ama mete ase. 94 Meyɛ wo de; gye me nkwa! Mabɔ mmɔden sɛ medi w’ahyɛde so. 95 Amumɔyɛfo retwɛn pɛ sɛ wokum me nanso medwinnwen wo mmara no ho.

96 Mahu sɛ biribiara wɔ nea ɛkɔpem; nanso w’ahyɛde no ho nni asɛm.

Awurade mmara no ho dɔ

97 Medɔ wo mmara no dodo! Midwen ho bere biara. 98 W’ahyɛde ka me ho bere biara. Ɛma m’ani tew sen m’atamfo. 99 Mete ase yiye sen m’akyerɛkyerɛfo efisɛ, midwen wo nkyerɛkyerɛ ho komm. 100 Mewɔ nyansa sen nkwakoraa efisɛ, midi w’ahyɛde so.

101 Mapa bɔne su nyinaa efisɛ, mepɛ sɛ midi w’asɛm so. 102 Minnyaa wo nkyerɛkyerɛ no mu efisɛ, wone me kyerɛkyerɛfo. 103 Wo nkyerɛkyerɛ no yɛ dɛ dodo. Ɛyɛ dɛ sen ɛwo. 104 Misua nyansa fi wo mmara no mu, ɛno nti, mikyi suban bɔne.

Hann a efi Awurade mmara mu

105 W’asɛm yɛ kanea a ɛkyerɛ me kwan na ɛyɛ me kwan so kanea. 106 Medi me bɔhyɛ so na madi wo nkyerɛkyerɛ so.

107 Awurade, m’amanehunu mu yɛ den dodo; hyɛ me nkwa mu den sɛnea woahyɛ me bɔ no. 108 Gye m’aseda mpae, O Awurade, na kyerɛ me w’ahyɛde. 109 Masiesie me ho sɛ mɛhwere me nkwa; me werɛ mfii wo mmara. 110 Amumɔyɛfo sum me firi nanso, mimmuu w’ahyɛde so. 111 W’ahyɛde yɛ m’agyapade daa; ɛhyɛ me koma anigye. 112 Maka se medi wo mmara so kosi sɛ mewu.

Guankɔbea a ɛwɔ Awurade mmara mu

113 Mikyi wɔn a wɔmfa wɔn ho nyinaa nto wo so; nanso medɔ wo mmara no. 114 Wone me guankɔbea, me hwɛfo. Mede m’anidaso hyɛ wo bɔ no mu. 115 Mo, nnebɔneyɛfo nyinaa, mumfi me so nkɔ. Medi me Nyankopɔn ahyɛde so. 116 Ma me ahoɔden sɛnea wohyɛɛ me bɔ no na mɛtena ase. Nni me huammɔ wɔ m’anidaso mu. 117 So me mu na menya nkwa na daa medi w’ahyɛde so.

118 Wopo obiara a onni wo mmara so. Wɔn adwemmɔne no ho nni mfaso. 119 Wo ne amumɔyɛfo di no sɛ wura, enti mepɛ wo nkyerɛkyerɛ. 120 Esiane wo nti, misuro; w’atemmu ama ehu ahyɛ me ma.

Osetie a wɔyɛ ma Awurade mmara

121 Mayɛ nea ɛteɛ na ɛyɛ pɛ. Nnyaa me mma m’atamfo! 122 Hyɛ bɔ sɛ wobɛboa wo somfo. Mma ahantanfo nhyɛ me so. 123 Mahwɛ wo nkwagye, wo gye kwan ama m’ani abu. 124 Ma wo daa dɔ no nka me na kyerɛkyerɛ me w’ahyɛde. 125 Meyɛ wo somfo; ma me ntease na mahu wo nkyerɛkyerɛ.

126 Awurade, bere aso sɛ woyɛ biribi efisɛ, nnipa rebu mmara so. 127 Medɔ w’ahyɛde sen sikakɔkɔɔ, sikakɔkɔɔ a ɛyɛ fɛ pa ara mpo. 128 Enti midi wo nkyerɛkyerɛ so; mekyi akwammɔne.

Pɛ a wɔpɛ Awurade mmara sodi

129 Wo nkyerɛkyerɛ yɛ nwonwa. Mede me koma nyinaa tie. 130 Wo nkyerɛkyerɛ no kyerɛ me hann na ɛma nea onnim no nyansa. 131 Mede ahopere bue manom pɛ w’ahyɛde akyi kwan.

132 Dan w’ani hwɛ me na hu me mmɔbɔ sɛnea woyɛ ma wɔn a wɔdɔ wo no. 133 Sɛnea woahyɛ me bɔ no, mma mennhwe ase. Mma bɔne nni me so. 134 Gye me fi wɔn a wɔhyɛ me so no nsam, sɛnea medi w’ahyɛde so. 135 Ma ba a woba me nkyɛn no nhyira me, na kyerɛ me wo mmara. 136 Me nusu gu te sɛ asubɔnten efisɛ, nnipa ntie wo mmara.

Atɛntrenee a ɛwɔ Awurade mmara mu

137 Woyɛ ɔtreneeni, Awurade, na wo mmara nso yɛ pɛ. 138 Mmara a wode ama no ye na ɛteɛ. 139 M’abufuw hyehye me sɛ ogya efisɛ, m’atamfo mmu w’ahyɛde no. 140 Akyinnye nni wo bɔhyɛ ho! M’ani gye ho! 141 Menka hwee, na wommu me, nanso mempo wo nkyerɛkyerɛ no.

142 Wo treneeyɛ bɛtena hɔ daa daa. Wo mmara no yɛ nokware daa. 143 Ɔhaw ne ahopere ahyɛ me ma nanso w’ahyɛde ma me ahosɛpɛw. 144 Wo nkyerɛkyerɛ yɛ nokware daa; kyɛ me ntease na mɛtena ase.

Ogye mpaebɔ

145 Mede me koma nyinaa mefrɛ wo. Gye me so, Awurade, na medi w’ahyɛde so. 146 Mefrɛ wo; gye me na medi wo mmara so. 147 Ansa na owia bepue no, mɛfrɛ wo na woaboa me. Mede me ho to wo bɔhyɛ no so. 148 Anadwo nyinaa menna na midwen wo nkyerɛkyerɛ no ho. 149 Esiane sɛ wo dɔ wɔ hɔ daa nti, tie me; O Awurade, hu me mmɔbɔ na fa me nkwa sie!

150 Atirimɔdenfo a wɔtaa me no retwiw bɛn me; nnipa a wonni wo mmara so no. 151 Nanso wobɛn me, Awurade, na w’ahyɛde nyinaa tim hɔ daa. 152 Mmere bi a atwam no, misuaa wo nkyerɛkyerɛ; woma ɛtenaa hɔ daa daa.

Mmoa

153 Hwɛ amane a merehu na gye me nkwa efisɛ, mempoo wo mmara no. 154 Bɔ me ho ban na menne me ho. Gye me nkwa sɛnea woahyɛ me bɔ no. 155 Wɔrennye amumɔyɛfo nkwa efisɛ, wonni wo mmara so. 156 Nanso, Awurade, w’ahummɔbɔ so; hu me mmɔbɔ na gye me nkwa.

157 Mewɔ atamfo ne wɔn a wɔhyɛ me so pii, nanso mimmu wo mmara no so. 158 Sɛ mehwɛ saa nkontompofo no a, wɔn ho yɛ me tan efisɛ, wonni w’ahyɛde so. 159 Hwɛ sɛnea m’ani gye wo nkyerɛkyerɛ ho, Awurade. Wo dɔ nsakra, enti gye me! 160 Wo mmara no koma yɛ nokware na w’atɛntrenee nyinaa wɔ hɔ daa.

Awurade mmara mu ahofama

161 Tumidifo bi taa me kwa, nanso mede nidi ma wo mmara. 162 Wo bɔhyɛ no ma me ahotɔ; me ho tɔ me sɛ obi a watu agyapade bi ahu. 163 Mikyi nkontompo nyinaa na m’ani gye wo mmara no ho. 164 Meda wo ase mpɛn ason da biara wɔ w’atɛntrenee no ho.

165 Wɔn a wɔpɛ wo mmara no wɔ banbɔ a biribiara rentumi mma wɔnhwe ase. 166 Metwɛn sɛ wubegye me, Awurade, na meyɛ nea wohyɛ me. 167 Midi wo nkyerɛkyerɛ so. Me dɔ no wɔ me koma mu nyinaa. 168 Midi w’ahyɛde ne wo nkyerɛkyerɛ so; wuhu nea meyɛ nyinaa.

Mmoa mpaebɔ

169 Ma me sufrɛ nnu w’anim, Awurade! Ma me ntease sɛnea woahyɛ me bɔ no. 170 Tie me mpaebɔ na gye me sɛnea wo bɔhyɛ kyerɛ no. 171 Mɛkamfo wo daa efisɛ, wokyerɛ me wo mmara. 172 Mɛto wo mmara no ho dwom efisɛ, w’ahyɛde yɛ nokware. 173 Daa siesie wo ho sɛ wobɛboa me efisɛ, midi w’ahyɛde akyi. 174 M’ani agyina wo nkwagye mmoa, O Awurade! Menya ahotɔ wɔ wo mmoa no mu. 175 Ma me nkwa sɛnea metumi akamfo wo. Wo nkyerɛkyerɛ no mmoa me.

176 Mikyinkyin sɛ oguan a wayera enti bɛhwehwɛ me, wo somfo, efisɛ, mempoo wo mmara no.