Het Boek

Psalmen 119:1-176

1Gelukkig zijn de mensen die een zuiver leven leiden

en zich houden aan de wet van de Here.

2Gelukkig zijn de mensen die Hem dienen

en zijn woord bewaren in hun hart.

3Gelukkig zijn de mensen die geen misdaden begaan,

maar leven zoals God wil.

4U hebt ons uw bevelen gegeven

met de bedoeling dat wij ons daaraan houden.

5Ik wilde wel dat ik zo standvastig was,

dat ik altijd uw regels zou naleven.

6Dan zou ik mij nooit hoeven schamen

als ik uw wet las.

7Met een eerlijk en oprecht hart zal ik U prijzen,

als ik anderen lesgeef over rechtvaardige wetten.

8Ik zal mij houden aan uw leefregels.

Laat mij niet in de steek.

9Hoe kan een jonge man zuiver leven?

Als hij zich laat leiden door uw woord.

10Met mijn hele hart wil ik U volgen.

Helpt U mij om niet van U af te dwalen.

11Ik vul mijn hart met uw woorden, dat is de enige manier

om niet te zondigen en U geen verdriet te doen.

12Here, U bent het zo waard te worden geprezen!

Leer mij alles over uw wet.

13Ik spreek over alle wetten

die U hebt gemaakt.

14Ik ben zo blij als ik veel over U mag spreken.

Dat geeft mij meer vreugde dan aardse rijkdom.

15Ik wil blijven nadenken over uw leefregels

en zal U trouw volgen.

16Uw gebod geeft mij de grootste vreugde.

Ik zal uw woord nooit vergeten.

17Ik ben uw dienaar, bewaart U mij,

dan kan ik mij mijn hele leven houden aan uw woord.

18Open mijn ogen,

zodat ik alle wonderen in uw wet kan ontdekken.

19Hier op aarde voel ik mij slechts een vreemdeling,

laat uw gebod niet voor mij zijn verborgen.

20Alles in mij verlangt

voortdurend naar uw voorschriften.

21Mensen die eigenzinnig van uw wet afdwalen,

worden door U bedreigd en zijn al vervloekt.

22Wilt U elke vorm van spot en schande bij mij weghouden,

want ik ben trouw aan alles wat U zegt.

23Zelfs al zouden koningen gezamenlijk een aanslag op mij beramen,

dan nog zou ik, uw dienaar, alleen maar uw wetten overdenken.

24Alles wat U hebt gezegd en wat in uw woord staat,

is voor mij een grote vreugde

en ik laat mij door uw woorden raad geven.

25Ik merk hoe mijn hart aan deze aarde hangt,

geef mij het leven door uw woord.

26Ik heb U alles verteld wat ik heb gedaan

en U hebt mij ook antwoord gegeven.

Leer mij nu hoe ik naar uw wil kan leven.

27Laat mij begrijpen wat U in uw wet bedoelt,

zodat ik kan nadenken over alle wonderen die U doet.

28Mijn hart huilt van verdriet en wanhoop,

helpt U mij overeind door uw woord.

29Wilt U mij op het rechte pad houden?

Geef mij in uw genade uw wetten.

30Ik kies ervoor de waarheid te volgen.

Daarom denk ik voortdurend aan uw leefregels.

31Ik houd mij vast aan alles wat U gezegd hebt, Here.

Stel mij niet teleur.

32Ik zal de weg van uw wet volgen,

omdat U mij alle levensruimte geeft.

33Leer mij, Here, hoe ik de weg van uw wet kan volgen.

Dan zal ik mij mijn leven lang daaraan houden.

34Maak mij verstandig,

want dan kan ik uw wet houden zoals U wilt.

Met mijn hele hart wil ik mij aan uw wet houden.

35Laat mij lopen op het pad van uw geboden,

dat maakt mij gelukkig.

36Ik wil zo graag dat mijn hart uitgaat

naar alles wat U gezegd hebt en niet naar geld verdienen.

37Help mij niet naar zinloze dingen te kijken.

Ik wil in dit leven gelukkig worden door U te volgen.

38Ik ben uw dienaar en heb diep ontzag voor U.

Wilt U laten blijken dat uw beloften waar zijn?

39Ik ben bang voor schande.

Neemt U die angst toch weg,

want uw geboden zijn zo goed.

40Heus, ik verlang naar uw bevelen.

Laat U mij toch zuiver leven door uw rechtvaardigheid.

41Ik bid dat U mij uw goedheid en liefde laat ervaren, Here.

En bevrijdt U mij zoals U hebt beloofd.

42Dan weet ik iets terug te zeggen als men mij bespot,

want ik wil alleen zo spreken dat het overeenstemt met uw woord.

43Laat mij uw woorden van waarheid spreken.

Ik heb vertrouwen in uw besluiten.

44Ik wil mij onafgebroken houden aan uw wet,

mijn leven lang.

45Dan ga ik mijn weg onbevangen en zonder belemmering,

omdat ik mij richt naar uw woord.

46Zelfs voor koningen kan ik dan over uw wet spreken

zonder mij te schamen.

47Ik geniet van uw wet en houd van haar.

48Daarom strek ik mijn handen uit naar uw geboden,

waarvan ik zoveel houd.

Dan denk ik rustig na over alles wat U hebt vastgelegd.

49Denk aan wat U tegen mij hebt gezegd,

ik ben immers uw dienaar en U hebt mij hoop gegeven.

50Dat troost mij in alle ellende die ik meemaak.

Uw beloften geven mij weer leven.

51Ongelovigen kunnen mij nog zo bespotten,

ik stap niet af van uw wet.

52Here, als ik denk aan alles

wat U sinds mensenheugenis hebt voorgeschreven,

voel ik mij getroost.

53De goddeloze mensen die uw wet links laten liggen,

brengen mij tot grote verontwaardiging.

54Uw leefregels zijn muziek voor mij,

zolang ik hier op aarde woon,

ik voel mij hier een vreemdeling.

55Als ik ʼs nachts wakker lig,

denk ik aan uw grote naam, Here,

en ook dan houd ik mij aan uw wetten.

56Dat heb ik van U ontvangen,

omdat ik uw leefregels zorgvuldig bewaar.

57De Here heeft Zichzelf aan mij gegeven,

ik heb ook beloofd mij altijd aan uw woord te houden.

58Ik verlang er met mijn hele hart naar

dat U mij goedgezind bent,

geef mij uw genade zoals U hebt beloofd.

59Ik denk na over mijn levensweg

en haast mij om uw woord te volgen.

60Zonder aarzelen haast ik mij

te doen wat U voorschrijft.

61Hoewel de ongelovigen om mij heen

mij voortdurend willen vangen,

vergeet ik niet wat U in uw wet zegt.

62Rond middernacht sta ik op om U te prijzen

voor uw rechtvaardige wetten en geboden.

63Ik ga mijn weg samen met alle mensen

die ook ontzag voor U hebben

en die leven volgens uw gebod.

64De aarde is vol van uw goedheid en liefde, Here.

Leer mij alles over uw wetten.

65U hebt mij, uw dienaar, het goede gegeven.

Precies, Here, zoals uw woord dat aangeeft.

66Geef mij een goed onderscheidingsvermogen en verstand,

want ik stel mijn vertrouwen op uw wet.

67Voordat ik in moeilijkheden kwam, dwaalde ik vaak van U af.

Maar nu houd ik mij alleen nog aan wat U zegt.

68U bent een goede God en doet het goede voor de mensen.

Leer mij alles wat U van de mensen wilt.

69Ongelovigen schuiven mij allerlei leugens in de schoenen,

maar ik houd mij met mijn hele hart vast aan uw wet.

70Zij hebben harten van steen,

maar ik ervaar vreugde als ik aan uw wet denk.

71Het is goed dat ik grote moeilijkheden heb doorgemaakt,

want daardoor heb ik U en uw wet beter leren kennen.

72Uw woorden gaan voor mij ver boven

grote rijkdommen aan goud en zilver.

73U hebt mij met uw eigen handen gemaakt.

Maak mij verstandig, zodat ik alles over uw wet kan leren.

74Andere mensen die ook diep ontzag voor U hebben,

zijn blij als zij mij zien en meemaken,

omdat ik op uw woord vertrouw.

75Here, ik weet dat uw oordeel een rechtvaardig oordeel is.

Dat U mij trouw bleef in al mijn ellende.

76Ik bid dat uw goedheid en liefde mij zullen troosten.

Dat hebt U mij, uw dienaar, immers beloofd?

77Laat uw liefdevolle meeleven mij bereiken,

zodat ik leven kan. Ik verheug mij in uw wetten.

78Laat de ongelovigen toch tot inzicht komen en zich schamen,

omdat zij mij onterecht kwaad deden.

Ik denk voortdurend aan wat U mij hebt opgedragen.

79Wilt U mensen die diep ontzag voor U koesteren

en uw wet kennen, naar mij toe sturen?

80Ik wil met volledige toewijding uw wet naleven,

zodat ik mij nooit hoef te schamen.

81Alles in mij verlangt naar uw bevrijding,

zoals U hebt beloofd.

82Mijn ogen kijken verlangend uit naar

de vervulling van uw belofte,

wanneer komt U om mij te troosten?

83Ik ben oud en onaantrekkelijk geworden,

maar toch heb ik uw wet niet vergeten.

84Hoelang laat U mij nog in leven?

Wanneer gaat U nu eens wraak nemen op mijn vijanden?

85Ongelovigen, die zich niet interesseren voor uw wet,

hebben een kuil voor mij gegraven.

86U bent toch trouw aan alles wat U hebt beloofd?

Help mij toch! Zij achtervolgen mij terwijl ik niets heb gedaan.

87Het is hun bijna gelukt mij te doden,

maar ik heb mij vastgehouden aan uw bevelen.

88Laat ik mogen leven

in overeenstemming met uw goedheid en liefde.

Dan zal ik blijven spreken over uw grote daden.

89Here, uw woord blijft eeuwig bestaan

tot in de hemelen toe.

90U bewijst uw trouw aan elke generatie.

U hebt ook de aarde gemaakt,

zodat die stevig gegrondvest is.

91Vandaag de dag staat alles vast volgens uw voorschriften.

Alles is aan U onderworpen.

92Als ik niet voortdurend de vreugde van uw wet had ervaren,

was ik in alle moeilijkheden ten onder gegaan.

93Nooit zal ik uw wetten vergeten,

want juist door die wetten hebt U mij het leven weer gegeven.

94Ik ben uw eigendom, bevrijd mij.

Ik verlang naar uw opdrachten.

95Ongelovigen zijn eropuit mij te vernietigen,

maar ik let uitsluitend op uw woord.

96Ik heb gezien hoe alles, hoe geweldig ook,

eens een einde heeft.

Maar ik weet dat uw geboden oneindig zijn.

97Wat houd ik veel van uw wet!

Ik denk er de hele dag over na.

98Uw geboden geven mij meer wijsheid

dan mijn vijanden hebben.

Want ik heb ze altijd bij me.

99Ik heb meer verstand

dan de mensen die mij eens lesgaven,

omdat ik voortdurend uw woorden overdenk.

100Ik heb meer inzicht

dan de oude mensen,

omdat ik uw bevelen zorgvuldig bewaar.

101Ik zorg ervoor dat ik niet op het verkeerde pad kom,

zo kan ik mij houden aan uw woord.

102Ik volg uw voorschriften nauwgezet op,

alles leer ik van U.

103Alles wat U zegt, is heerlijk om naar te luisteren.

Het klinkt zoeter dan honing.

104Door uw wet heb ik inzicht gekregen

en daarom haat ik de leugen.

105Uw woord is een stralend licht,

dat mij de weg door het leven wijst.

106Ik heb een eed afgelegd

en daar wil ik mij aan houden.

Ik heb daarbij toegezegd dat ik mij altijd

zal houden aan uw rechtvaardige wetten.

107Ik heb zulke grote moeilijkheden. Here,

geef mij toch het leven weer door uw woord.

108Ik spreek ongedwongen over U, Here,

en hoop dat U daar genoegen in hebt.

Leer mij alles over uw wetten.

109Ik zal nooit uw wet vergeten,

ook al is mijn leven voortdurend in gevaar.

110Ongelovigen proberen mij te vangen,

maar ik blijf bij wat U hebt gezegd.

111Alles wat U hebt gezegd,

heb ik als een blijvend erfdeel gekregen.

Ik ben er heel erg blij mee.

112Ik verlang ernaar altijd te doen

wat U hebt gezegd, mijn leven lang.

113Ik heb een hekel aan aarzelende mensen,

maar houd zielsveel van uw wet.

114Bij U kan ik schuilen en U beschermt mij.

Ik verwacht het van uw beloften.

115Kom mij niet te na, misdadigers,

want ik wil mij houden aan het gebod van mijn God.

116U hebt beloofd mij te zullen ondersteunen.

Doet U dat nu ook, zodat ik blijf leven. Stel mij niet teleur.

117Geef mij uw kracht en bevrijd mij.

Dan zal ik mij blijven verheugen in uw geboden.

118Ieder die zich niet aan uw wet houdt,

doet U ver van U weg.

Wat zij zeggen en doen is zinloos.

119Alle goddelozen op aarde

worden eens door U weggevaagd.

Ook dat is voor mij een reden uw wet lief te hebben.

120Ik ben bang voor uw oordeel,

mijn hele lichaam trilt van angst.

121Ik heb altijd eerlijk en oprecht geleefd,

laten mijn vijanden mij niet in hun macht krijgen.

122Stelt U Zich garant voor mij en zorg ervoor

dat ongelovigen mij niet achtervolgen.

123Ik verlang ernaar U te zien

en uw rechtvaardig woord te horen.

124Wilt U met uw goedheid en liefde met mij omgaan

en mij alles leren over uw wetten.

125Ik ben uw dienaar, maak mij verstandig,

zodat ik uw wetten kan begrijpen.

126Here, voor U is de tijd aangebroken om op te treden,

want men heeft uw wetten overtreden.

127Ik houd van uw geboden,

meer dan van het mooiste goud.

128Daarom geloof ik ook

dat al uw bevelen rechtvaardig zijn,

ik haat de leugen.

129Alles wat U hebt gezegd, is geweldig en heerlijk.

Daarom onthoud ik alles wat ik van U hoor.

130Door te luisteren naar uw woord,

komt er licht en duidelijkheid in mijn leven.

Zelfs onverstandige mensen ontwikkelen inzicht.

131Ik smacht van verlangen

naar alles wat U gebiedt.

132Kom bij mij en geef mij uw genade.

Mensen die van U houden, mogen zich immers daarop beroepen?

133Doet U mij wandelen op mijn levenspad, zoals U hebt beloofd.

Houd het onrecht ver van mij.

134Bevrijd mij uit de onderdrukking van mijn vijanden,

dan zal ik voortaan alles doen wat U hebt bevolen.

135Ik ben uw dienaar, laat uw licht over mij schijnen

en leer mij alles wat ik van U moet weten.

136Mijn tranen vloeien als rivieren en mijn verdriet is groot,

omdat mijn volk niet leeft volgens uw wet.

137Here, U bent rechtvaardig

en uw leefregels zijn betrouwbaar.

138Toen U ons uw geboden gaf,

was dat in oprechtheid

en het getuigde van uw grote trouw.

139Ik word beheerst door het verlangen U te dienen,

temeer omdat mijn vijanden U in de steek laten.

140Uw woorden zijn volkomen zuiver.

Ik, uw dienaar, heb ze van harte lief.

141Ik ben maar gering en niemand acht mij hoog,

maar ik denk voortdurend aan uw geboden.

142Uw rechtvaardigheid is eeuwig

en alleen uw wet is de waarheid.

143Ook al overkomt mij allerlei ellende en achtervolging,

juist dan zijn uw geboden voor mij een vreugde.

144Alles wat U hebt gezegd, bevat rechtvaardigheid voor altijd.

Als U mij verstandig maakt, kan ik werkelijk leven.

145Here, ik roep met mijn hele hart naar U,

antwoord mij toch. Ik zal uw geboden naleven.

146Ik roep naar U, bevrijd mij!

Dan zal ik elk gebod van U in ere houden.

147Nog voor de zon opkomt, roep ik U te hulp.

Ik verwacht een woord van U.

148Nog voor de nachtwakers aan het werk gaan,

zie ik al weer uit naar uw belofte.

149Wilt U met uw liefde en goedheid naar mij luisteren?

Here, als uw recht mij leidt, kan ik leven.

150Om mij heen zijn mensen die in zonde leven,

van uw wet willen zij niets weten.

151U bent dicht bij mij, Here.

Ik weet dat al uw woorden waar zijn.

152Uit uw woorden weet ik dat U van het begin af

aan alles een vaste plaats hebt gegeven.

153Let toch op mijn moeilijkheden en bevrijd mij.

Ik zal uw wet echt niet vergeten.

154Wees rechter over mij en red mij.

U hebt beloofd mij nieuw leven te geven.

155De ongelovigen zullen niet worden gered,

want zij willen zich niet aan uw leefregels houden.

156Uw liefdevolle meeleven is zo groot, Here.

U hebt bevolen dat ik het leven weer zou krijgen.

157Het aantal vijanden dat mij achtervolgt, is groot,

toch zal ik niet van uw woorden afwijken.

158Ik voel weerzin als ik mensen zie die van U zijn afgeweken,

want zij houden zich niet aan wat U zegt.

159Ziet U wel hoeveel ik van uw wet houd?

Here, laten uw goedheid en liefde weer nieuw leven geven.

160Nergens in uw woord is iets onwaars, alles is de waarheid.

Al uw rechtvaardige geboden zijn eeuwig.

161Zonder aanleiding word ik achtervolgd door koningen,

maar uw woord is het enige dat ik vrees, daarvoor heb ik ontzag.

162Ik ben zo blij met uw woord,

alsof onverwachte rijkdom mij in de schoot valt.

163Ik heb een hartgrondige hekel aan leugens,

daarentegen houd ik heel veel van uw wet.

164Zeven keer per dag prijs ik U,

omdat U ons een rechtvaardige wet hebt gegeven.

165Mensen die van uw wet houden,

ervaren een diepe vrede in het hart.

Er staat hun niets in de weg.

166Here, ik verwacht alleen uitredding van U

en houd mij aan uw geboden.

167Ik houd mij met mijn hele wezen aan uw woorden,

ik heb ze oprecht lief.

168Ik blijf trouw aan uw wetten en regels,

want U weet wat goed voor mij is.

169Here, ik bid dat U mij zult horen.

Wees trouw aan wat U hebt gezegd en maakt U mij verstandig.

170Laat mijn aanhoudend bidden U bereiken.

Bevrijd mij zoals U hebt beloofd.

171Overal waar ik kom, zal ik U steeds prijzen,

want U leert mij alles wat U goedvindt.

172Ik zal een lied zingen over wat U zegt,

omdat alles wat U gebiedt, rechtvaardig is.

173Laat uw hand mij te hulp komen,

want ik kies ervoor uw geboden na te volgen.

174Ik verlang naar uw bevrijding, Here.

Uw wet maakt mij gelukkig.

175Laat mij leven en U prijzen.

Laten uw leefregels mij tot steun zijn.

176Soms dwaal ik rond als een schaap

dat de herder niet meer kan vinden.

Zoekt U mij dan op,

ik zal uw geboden nooit vergeten.

Ang Pulong Sang Dios

Salmo 119:1-176

Salmo 119

Ang Kasuguan sang Dios

1Bulahan ang mga tawo nga wala kasawayan ang ila kabuhi, nga nagakabuhi suno sa kasuguan sang Ginoo.

2Bulahan ang mga tawo nga nagasunod sa mga pagpanudlo sang Dios, nga nagatuman sa iya sa ila bug-os nga tagipusuon.

3Wala sila nagahimo sang malain kundi nagasunod sila sa mga pamaagi sang Dios.

4Ginoo, ginhatag mo sa amon ang imo mga pagsulundan agod tumanon namon ini nga may katutom.

5Dako gid ang akon handom nga ang akon pagkabuhi permi matutom sa pagtuman sang imo mga pagsulundan.

6Kon tumanon ko ang tanan mo nga mga sugo, indi ako mahuy-an.

7Dayawon ko ikaw nga may matinlo nga tagipusuon samtang nagatuon ako sang imo matarong nga mga sugo.

8Tumanon ko ang imo mga pagsulundan, gani indi gid ako pagpabay-i.

9Ano bala ang himuon sang isa ka pamatan-on agod mangin matinlo ang iya kabuhi?

Ang iya himuon amo ang pagsunod sa imo pulong.

10Nagadangop ako sa imo sa bug-os ko nga tagipusuon,

gani indi pag-itugot nga talikdan ko ang imo mga sugo.

11Ginatipigan ko ang imo pulong sa akon tagipusuon agod indi ako makasala sa imo.

12Dalayawon ikaw, Ginoo!

Tudlui ako sang imo mga pagsulundan.

13Ginasulit-sulit ko hambal ang tanan nga sugo nga imo ginhatag.

14Nagakalipay ako sa pagsunod sang imo mga pagpanudlo, labaw pa sa kalipay nga ginahatag sang manggad.

15Nagapamalandong ako sa imo mga pagsulundan

kag ginahunahuna ko sing maayo ang imo mga pamaagi.

16Nagakalipay ako sa imo mga pagsulundan

kag indi ko pagkalimtan ang imo pulong.

17Magmaayo ka sa akon nga imo alagad

agod padayon ako nga magkabuhi kag magtuman sang imo pulong.

18Buksi ang akon hunahuna

agod nga maintiendihan ko ang matahom nga mga kamatuoran sa imo kasuguan.

19Umalagi lang ako sa sining kalibutan,

gani ipahayag sa akon ang imo mga sugo.

20Sa tanan nga tion nagahandom gid ako sa paghibalo sang imo mga sugo.

21Ginasabdong mo ang mga bugalon, nga imo ginapakamalaot.

Ini sila nagatalikod sa imo mga sugo.

22Ilikaw ako sa ila nga pagpakahuya kag pagyaguta,

kay ginatuman ko ang imo mga pagpanudlo.

23Bisan pa magtipon ang mga manugdumala sa paglibak sa akon,

ako nga imo alagad magapamalandong sa imo mga pagsulundan.

24Ang imo mga pagpanudlo nagahatag sa akon sang kalipay;

amo ini ang akon manuglaygay.

25Daw mapatay na ako, gani padayuna ang akon kabuhi suno sa imo promisa.

26Ginsugid ko sa imo ang parte sa akon kabuhi kag ginpamatian mo ako.

Tudlui ako sang imo mga pagsulundan.

27Paintiendiha ako sang imo mga pagsulundan

agod mapamalandungan ko ang imo makatilingala nga mga binuhatan.

28Daw malumos ako sa kasubo, gani pabaskuga ako suno sa imo promisa.

29Buligi ako nga indi magkabuhi nga madaya;

kag kaluoyi ako nga matuman ko ang imo kasuguan.119:29 nga matuman ko ang imo kasuguan: ukon, paagi sa imo kasuguan.

30Ginpili ko ang husto nga dalan;

gusto ko gid nga magsunod sa imo mga sugo.

31Ginasunod ko, Ginoo, ang imo mga pagpanudlo,

gani indi pag-itugot nga mahuy-an ako.

32Ginatinguhaan ko gid ang pagkabuhi nga matinumanon sa imo mga sugo tungod kay ginadugangan mo ang akon pag-intiendi.119:32 ginadugangan… pag-intiendi: ukon, ginapalipay mo ako.

33Tudlui ako, Ginoo, sang imo mga pagsulundan,

kag pagatumanon ko ini hasta san-o.

34Hatagi ako sang pag-intiendi sa imo kasuguan,

kag sundon ko ini kag tipigan sa bug-os ko nga tagipusuon.

35Tuytuyi ako sa pagsunod sang imo mga sugo,

kay sa sini may kalipay ako.

36Hatagi ako sang handom sa pagtuman sang imo mga pagpanudlo sang sa paghandom nga magmanggaranon.

37Ilikaw ako sa paghandom sang mga butang nga wala sing pulos.

Padayuna119:37 padayuna: ukon, bag-uha. ang akon kabuhi suno sa imo promisa.

38Tumana ang imo promisa sa akon nga imo alagad, nga ginapromisa mo sa mga nagatahod sa imo.

39Kuhaa ang mga pagpakahuya sa akon nga akon ginakahadlukan

kay ginakabig ko nga maayo ang imo mga sugo.

40Luyag ko nga magtuman sang imo mga pagsulundan.

Tungod nga ikaw matarong, padayuna119:40 padayuna: ukon, bag-uha. ang akon kabuhi.

41Ginoo, ipakita ang imo paghigugma kag pagluwas sa akon, suno sa imo promisa.

42Dayon masabat ko ang mga nagapakahuya sa akon,

kay nagasalig ako sa imo mga pulong.

43Pahambala ako sang imo matuod nga mga pulong sa tanan nga tion,

kay ang akon paglaom ara lamang sa imo mga sugo.

44Permi ko tumanon ang imo kasuguan hasta san-o.

45Magakabuhi ako nga may kahilwayan,

kay nagatinguha gid ako sa pagtuman sang imo nga pagsulundan.

46Indi ako magkahuya sa pagsugid sang imo mga pagpanudlo sa atubangan sang mga hari.

47Nagakalipay gid ako sa pagsunod sa imo mga sugo nga akon ginahigugma.

48Ginatahod ko ang imo mga sugo nga akon ginahigugma,

kag ginapamalandungan ko ang imo mga pagsulundan.

49Dumduma ang imo promisa sa akon nga imo alagad,

kay sa sina ginahatagan mo ako sang paglaom.

50Ang imo promisa nagapabuhi sa akon kag nagahatag sa akon sang kalipay sa akon mga pag-antos.

51Puwerte gid ang paghikay sa akon sang mga bugalon,

pero wala ako nagabiya sa imo kasuguan.

52Ginoo, ginadumdom ko ang imo mga sugo nga dugay na nimo nga ginhatag,

kay nagahatag ini sa akon sang kalipay.

53Akig gid ako katama tungod sa mga malaot, nga nagasikway sang imo kasuguan.

54Nagakanta ako parte sa imo mga pagsulundan bisan diin ako mag-estar.119:54 bisan… mag-estar: ukon, diri sa kalibutan nga sa diin umalagi lang ako.

55Ginoo, sa kagab-ihon ginadumdom ko ikaw kag ang imo kasuguan, kon paano ko ini matuman.

56Amo ini ang akon kalipay: ang pagsunod sa imo mga pagsulundan.

57Ikaw lang gid Ginoo ang akon kinahanglan.

Nagapromisa ako sa pagtuman sang imo mga pulong.

58Ginapangabay ko ikaw sa bug-os ko nga tagipusuon nga kaluoyan mo ako suno sa imo promisa.

59Ginhunahuna ko kon paano ako nagkabuhi,

kag nagdesisyon ako nga magsunod sa imo mga pagpanudlo.

60Ginatuman ko gilayon ang imo mga sugo.

61Bisan pa ginagapos ako sang mga malaot, wala ko ginakalimtan ang imo kasuguan.

62Bisan pa sa tungang gab-i nagamata ako sa pagpasalamat sa imo tungod sang imo matarong nga mga sugo.

63Abyan ako sang tanan nga nagatahod sa imo kag nagatuman sang imo mga pagsulundan.

64Ginoo, ginahigugma mo ang tanan nga tawo sa kalibutan.

Tudlui ako sang imo mga pagsulundan.

65Ginoo, magmaayo ka sa akon nga imo alagad, suno sa imo promisa.

66Hatagi ako sang kaalam kag ihibalo

kay nagasalig ako sa imo mga sugo.

67Sang una, sang wala mo pa ako pagdisiplinaha, nagbiya ako sa imo,

pero subong ginatuman ko na ang imo pulong.

68Maayo ka gid kag maayo ang imo mga ginahimo.

Tudlui ako sang imo mga pagsulundan.

69Bisan ginabutang-butangan ako sang mga bugalon, ginatuman ko gihapon ang imo mga pagsulundan sa bug-os ko nga tagipusuon.

70Ina nga mga bugalon wala sing pag-intiendi sa imo kasuguan,

pero ako iya nagakalipay sa pagsunod sini.

71Maayo nga ginsilutan mo ako,

kay paagi sini nakatuon ako sang imo mga pagsulundan.

72Para sa akon, ang kasuguan nga imo ginhatag mas bilidhon pa sang sa madamo gid nga manggad.

73Gintuga mo ako kag ginporma;

hatagi ako sang pag-intiendi agod makatuon ako sang imo mga sugo.

74Nagakalipay ang mga nagatahod sa imo kon makita nila ako,

kay nagasalig ako sa imo pulong.

75Nakahibalo ako, Ginoo, nga matarong ang imo mga sugo.

Kag tungod nga matutom ka, gindisiplina mo ako.

76Kabay pa nga lipayon mo ako sang imo gugma suno sa imo promisa sa akon nga imo alagad.

77Kaluoyi ako agod padayon ako nga magakabuhi,

kay nagakalipay ako sa pagsunod sa imo kasuguan.

78Kabay pa nga mahuy-an ang mga bugalon tungod kay ginabutang-butangan nila ako.

Kon sa akon, magapamalandong ako sa imo mga pagsulundan.

79Kabay pa nga magpalapit sa akon ang mga nagatahod sa imo kag nakahibalo sang imo mga pagpanudlo.

80Kabay pa nga tumanon ko sa bug-os ko nga tagipusuon ang imo mga pagsulundan agod indi ako mahuy-an.

81Ginakapoy na ako sa paghulat sang imo pagluwas sa akon,

pero nagasalig ako sa imo pulong.

82Nagapalangdulom na ang akon panulok sing hulat sa imo promisa.

Nagapamangkot ako, “San-o mo pa bala ako pabaskugon kag lipayon?”

83Bisan pa pareho na ako sa indi na mapuslan nga panit nga suludlan sang bino, wala ko ginakalimtan ang imo mga pagsulundan.

84Hasta san-o pa bala ang akon paghulat?

San-o mo pa bala silutan ang mga nagahingabot sa akon nga imo alagad?

85Nagkutkot sang mga buho sa pagsiod sa akon ang mga bugalon nga wala nagasunod sa imo kasuguan.

86Masaligan gid ang tanan mo nga mga sugo.

Buligi ako, kay ginahingabot ako sang mga tawo bisan wala sing kabangdanan.

87Diutayan na lang ako nila mapatay,

pero wala ko ginsikway ang imo mga pagsulundan.

88Tipigi ang akon kabuhi suno sa imo gugma;

tumanon ko ang pagpanudlo nga ginhatag mo.

89Ginoo, ang imo pulong magapadayon sa wala sing katapusan;

malig-on ini pareho sa langit.

90Ang imo katutom nagapadayon hasta san-o.

Ginpahamtang mo sing malig-on ang kalibutan, gani nagapabilin ini.

91Ang tanan nga butang nagapabilin hasta subong tungod sa imo pagbuot.

Kay ini sila nagaalagad sa imo.

92Kon ang imo kasuguan wala nagalipay sa akon, kuntani napatay na ako tungod sang akon pag-antos.

93Indi ko gid pagkalimtan ang imo mga pagsulundan,

kay paagi sini ginapadayon119:93 ginapadayon: ukon, ginabag-o. mo ang akon kabuhi.

94Imo ako, gani luwasa ako!

Kay nagatinguha gid ako sa pagtuman sang imo mga pagsulundan.

95Nagahulat ang mga malaot sa pagpatay sa akon,

pero pamalandungan ko ang imo mga pagpanudlo.

96Nakita ko nga ang tanan nga butang may limitasyon,

pero ang imo mga sugo wala.

97Daw ano ang paghigugma ko sang imo kasuguan.

Ginapamalandungan ko gid ini permi.

98Kag tungod nga ari sa akon permi ang imo mga sugo,

mas maalam ako sang sa akon mga kaaway.

99Madamo pa ang akon naintiendihan sang sa akon mga manunudlo,

kay ang imo pagpanudlo amo ang akon ginapamalandungan.

100Labaw pa ang akon pag-intiendi sang sa mga tigulang,

kay ginatuman ko ang imo mga pagsulundan.

101Ginalikawan ko ang tanan nga malain nga pagginawi agod matuman ko ang imo pulong.

102Wala ako nagbiya sa imo mga sugo,

kay ikaw ang nagatudlo sa akon.

103Daw ano katam-is sang imo mga promisa, mas matam-is pa ini sang sa dugos.

104Nagakuha ako sing pag-intiendi halin sa imo mga pagsulundan,

gani ginakaugtan ko ang tanan nga malain nga pagginawi.

105Ang imo pulong pareho sa suga nga nagahatag kasanag sa akon alagyan.

106Tumanon ko gid ang akon ginsumpa nga magsunod sa imo matarong nga mga sugo.

107Puwerte gid ang akon pag-antos;

padayuna ang akon kabuhi, Ginoo, suno sa imo promisa.

108Batuna, Ginoo, ang akon kinabubut-on nga pagdayaw sa imo,

kag tudlui ako sang imo mga sugo.

109Bisan pa ara ako permi sa peligro sang kamatayon, wala ko ginakalimtan ang imo kasuguan.

110Nagbutang sang siod para sa akon ang mga malaot,

pero wala ako magbiya sa imo mga pagsulundan.

111Ang imo mga pagpanudlo amo ang akon bilidhon nga pagkabutang sa wala sing katapusan,

kay amo ini ang akon kalipay.

112Nagdesisyon ako nga tumanon ko gid ang imo mga pagsulundan hasta san-o.

113Ginakaugtan ko ang mga tawo nga indi mainunungon sa imo,

pero ginahigugma ko ang imo kasuguan.

114Ikaw ang akon palanaguan kag manugprotektar;

nagasalig ako sa imo pulong.

115Palayo kamo sa akon, kamo nga mga nagahimo sing malain,

agod matuman ko ang mga sugo sang akon Dios.

116Hatagi ako sang kusog suno sa imo promisa

agod padayon ako nga magakabuhi;

kag indi pag-itugot nga mapaslawan ako sa akon paglaom sa imo.

117Buligi ako agod maluwas ako;

kag isentro ko permi ang akon hunahuna sa imo mga pagsulundan.

118Ginasikway mo ang tanan nga nagabiya sa imo mga pagsulundan.

Sa pagkamatuod, ang ila pagpanunto wala sing pulos.

119Ginakabig mo nga pareho sa basura ang tanan nga malaot nga mga tawo diri sa kalibutan.

Tungod sini ginahigugma ko ang imo pagpanudlo.

120Nagakurog ako sa kahadlok sa imo;

nahadlok gid ako sa imo paghukom.119:120 nahadlok… paghukom: ukon, nagatahod ako sa imo mga sugo.

121Ginhimo ko ang matarong kag husto,

gani indi ako pagpabay-i sa akon mga kaaway.

122Magpromisa ka nga buligan mo ako nga imo alagad;

indi pag-itugot nga piguson ako sang mga bugalon.

123Nagapalangdulom na ang akon panulok sing hulat sa imo promisa nga luwason mo ako.

124Himua sa akon nga imo alagad ang suno sa imo paghigugma,

kag tudlui ako sang imo mga pagsulundan.

125Alagad mo ako, gani hatagi ako sing pag-intiendi

agod maintiendihan ko ang imo mga pagpanudlo.

126Ginoo, tion na ini nga maghulag ka,

kay wala na nagasunod ang mga tawo sa imo kasuguan.

127Tungod nga ginahigugma ko ang imo mga sugo labaw pa sa bulawan, bisan pa sa pinakapuraw nga bulawan,

128kag tungod nga ginasunod ko ang tanan mo nga pagsulundan,

ginakaugtan ko ang tanan nga malain nga pagginawi.

129Maayo gid ang imo mga pagpanudlo,

gani ginasunod ko ini sa bug-os ko nga tagipusuon.

130Ang pagpahayag sang imo mga pulong nagahatag sang kasanag sa hunahuna sang mga tawo kag kaalam sa mga wala sing alam.

131Puwerte gid ang akon handom sa imo mga sugo.

132Talupangda ako kag kaluoyi, pareho sang imo ginahimo permi sa mga nagahigugma sa imo.

133Tuytuyi ako paagi sa imo pulong;

indi pag-itugot nga gamhan ako sang kalautan.

134Luwasa ako sa mga nagapigos sa akon

agod matuman ko ang imo mga pagsulundan.

135Ipakita ang imo kaayo sa akon nga imo alagad,

kag tudlui ako sang imo mga pagsulundan.

136Puwerte gid ang akon hilibion tungod kay wala nagtuman ang mga tawo sa imo kasuguan.

137Matarong ka, Ginoo, kag husto ang imo mga sugo.

138Matarong kag masaligan gid ang mga pagpanudlo nga ginhatag mo.

139Puwerte gid ang akon kaakig kay ginasikway sang akon mga kaaway ang imo mga pulong.

140Napamatud-an nga masaligan gid ang imo promisa,

kag ini ginahigugma ko nga imo alagad.

141Bisan kubos ako kag ginahikayan, wala ko ginakalimtan ang imo mga pagsulundan.

142Wala sing katapusan ang imo pagkamatarong

kag matuod ang imo kasuguan.

143Nag-abot sa akon ang kalisod kag kasakit, pero ang imo mga sugo naghatag sa akon sang kalipay.

144Matarong ang imo mga pagpanudlo sa wala sing katapusan.

Hatagi ako sang pag-intiendi sa imo mga pagpanudlo agod padayon ako nga magakabuhi.

145Nagapanawag ako sa imo, Ginoo, sa bug-os ko nga tagipusuon;

sabta ako, kag pagatumanon ko ang imo mga pagsulundan.

146Nagapanawag ako sa imo;

luwasa ako, kag pagatumanon ko ang imo mga pagpanudlo.

147Nagabugtaw ako sa wala pa magbutlak ang adlaw

kag nagapangayo ako sang bulig sa imo.

Nagasalig ako sa imo promisa.

148Nagapulaw ako sa bilog nga gab-i sa pagpamalandong sang imo mga promisa.

149Pamatii ako, Ginoo, suno sa imo gugma;

padayuna ang akon kabuhi suno sa imo nga paghukom.119:149 paghukom: ukon, mga sugo.

150Nagapalapit sa akon ang mga malaot nga nagahingabot sa akon, nga nagasikway sang imo kasuguan.

151Pero malapit ka sa akon, Ginoo; kag masaligan119:151 masaligan: ukon, matuod. ang tanan mo nga mga sugo.

152Sa akon nga pagtuon sang imo mga pagpanudlo, dugay na nga nahibaluan ko nga ang ining imo mga pagpanudlo ginhimo mo nga magpadayon sa wala sing katapusan.

153Tan-awa bala ang akon pag-antos kag luwasa ako,

kay wala ko ginkalimtan ang imo kasuguan.

154Depensahi ako sa mga nagaakusar sa akon kag luwasa ako;

padayuna ang akon kabuhi suno sa imo promisa.

155Indi maluwas ang mga malaot, kay wala sila nagatinguha sa pagtuman sang imo mga pagsulundan.

156Dako ang imo kaluoy, Ginoo;

padayuna ang akon kabuhi suno sa imo nga paghukom.119:156 paghukom: ukon, mga sugo.

157Madamo nga mga kaaway ang nagahingabot sa akon,

pero wala gid ako magbiya sa imo mga pagpanudlo.

158Ginakangil-aran ko ang mga indi matutom sa imo,

kay wala nila ginatuman ang imo pulong.

159Tan-awa, Ginoo, kon daw ano ang akon paghigugma sa imo mga pagsulundan.

Padayuna ang akon kabuhi suno sa imo gugma.

160Matuod ang tanan mo nga pulong,

kag wala sing katapusan ang tanan mo nga matarong nga mga sugo.

161Ginahingabot ako sang mga manugdumala bisan wala sing kabangdanan,

pero ang akon tagipusuon nagatahod gid sa imo pulong.

162Nagakalipay ako sa imo promisa pareho sa isa ka tawo nga nakakita sang dako nga manggad.

163Ginakaugtan ko kag ginakangil-aran ang kabutigan,

pero ginahigugma ko ang imo kasuguan.

164Makapila119:164 Makapila: sa literal, Pito ka beses. ako magdayaw sa imo sa isa ka adlaw, tungod sang imo matarong nga mga sugo.

165Makaangkon sang maayo gid nga kahimtangan ang mga nagahigugma sang imo kasuguan,

kag wala sing may makalaglag sa ila.

166Nagalaom ako nga imo ako luwason, Ginoo,

kag nagasunod ako sa imo mga sugo.

167Dako gid ang akon paghigugma sa imo mga pagpanudlo,

gani ginatuman ko gid ini.

168Nahibaluan mo ang tanan ko nga ginahimo,

gani ginatuman ko ang imo mga pagsulundan kag mga pagpanudlo.

169Ginoo, kabay pa nga pamatian mo ang akon pagpanawag sa imo.

Hatagi ako sang pag-intiendi suno sa imo promisa.

170Kabay pa nga pamatian mo ang akon pangamuyo.

Luwasa ako suno sa imo promisa.

171Magadayaw ako permi sa imo,

kay gintudluan mo ako sang imo mga pagsulundan.

172Magakanta ako parte sa imo pulong,

kay matarong ang tanan mo nga mga sugo.

173Kabay pa nga handa ka permi sa pagbulig sa akon,

kay ginpili ko ang pagtuman sang imo mga pagsulundan.

174Nagahandom ako nga luwason mo ako, Ginoo.

Ang imo kasuguan nagahatag sa akon sang kalipay.

175Padayuna ang akon kabuhi agod madayaw ko ikaw,

kag kabay pa nga magbulig sa akon ang imo mga sugo.

176Nagtalang ako pareho sa nadula nga karnero,

gani pangitaa ako nga imo alagad

kay wala ko ginkalimtan ang imo mga sugo.