Het Boek

Psalmen 119

1Gelukkig zijn de mensen die een zuiver leven leiden
en zich houden aan de wet van de Here.
Gelukkig zijn de mensen die Hem dienen
en zijn woord bewaren in hun hart.
Gelukkig zijn de mensen die geen misdaden begaan,
maar leven zoals God wil.
U hebt ons uw bevelen gegeven
met de bedoeling dat wij ons daaraan houden.
Ik wilde wel dat ik zo standvastig was,
dat ik altijd uw regels zou naleven.
Dan zou ik mij nooit hoeven te schamen
als ik uw wet las.
Met een eerlijk en oprecht hart zal ik U prijzen,
als ik anderen les geef over rechtvaardige wetten.
Ik zal mij houden aan uw leefregels.
Laat mij niet in de steek.
Hoe kan een jonge man zuiver leven?
Als hij zich laat leiden door uw woord.
10 Met mijn hele hart wil ik U volgen.
Helpt U mij om niet van U af te dwalen.
11 Ik vul mijn hart met uw woorden, dat is de enige manier
om niet te zondigen en U geen verdriet te doen.
12 Here, U bent het zo waard te worden geprezen!
Leer mij alles over uw wet.
13 Ik spreek over alle wetten
die U hebt gemaakt.
14 Ik ben zo blij als ik veel over U mag spreken.
Dat geeft mij meer vreugde dan aardse rijkdom.
15 Ik wil blijven nadenken over uw leefregels
en zal U trouw volgen.
16 Uw gebod geeft mij de grootste vreugde.
Ik zal uw woord nooit vergeten.
17 Ik ben uw dienaar, bewaart U mij,
dan kan ik mij mijn hele leven houden aan uw woord.
18 Open mijn ogen,
zodat ik alle wonderen in uw wet kan ontdekken.
19 Hier op aarde voel ik mij slechts een vreemdeling,
laat uw gebod niet voor mij zijn verborgen.
20 Alles in mij verlangt
voortdurend naar uw voorschriften.
21 Mensen die eigenzinnig van uw wet afdwalen,
worden door U bedreigd en zijn al vervloekt.
22 Wilt U elke vorm van spot en schande bij mij weghouden,
want ik ben trouw aan alles wat U zegt.
23 Zelfs al zouden koningen gezamenlijk een aanslag op mij beramen,
dan nog zou ik, uw dienaar, alleen maar uw wetten overdenken.
24 Alles wat U hebt gezegd en wat in uw woord staat,
is voor mij een grote vreugde
en ik laat mij door uw woorden raad geven.
25 Ik merk hoe mijn hart aan deze aarde hangt,
geef mij het leven door uw woord.
26 Ik heb U alles verteld wat ik heb gedaan
en U hebt mij ook antwoord gegeven.
Leer mij nu hoe ik naar uw wil kan leven.
27 Laat mij begrijpen wat U in uw wet bedoelt,
zodat ik kan nadenken over alle wonderen die U doet.
28 Mijn hart huilt van verdriet en wanhoop,
helpt U mij overeind door uw woord.
29 Wilt U mij op het rechte pad houden?
Geef mij in uw genade uw wetten.
30 Ik kies ervoor de waarheid te volgen.
Daarom denk ik voortdurend aan uw leefregels.
31 Ik houd mij vast aan alles wat U gezegd hebt, Here.
Stel mij niet teleur.
32 Ik zal de weg van uw wet volgen,
omdat U mij alle levensruimte geeft.
33 Leer mij, Here, hoe ik de weg van uw wet kan volgen.
Dan zal ik mij mijn leven lang daaraan houden.
34 Maak mij verstandig,
want dan kan ik uw wet houden zoals U wilt.
Met mijn hele hart wil ik mij aan uw wet houden.
35 Laat mij lopen op het pad van uw geboden,
dat maakt mij gelukkig.
36 Ik wil zo graag dat mijn hart uitgaat
naar alles wat U gezegd hebt en niet naar geld verdienen.
37 Help mij niet naar zinloze dingen te kijken.
Ik wil in dit leven gelukkig worden door U te volgen.
38 Ik ben uw dienaar en heb diep ontzag voor U.
Wilt U laten blijken dat uw beloften waar zijn?
39 Ik ben bang voor schande.
Neemt U die angst toch weg,
want uw geboden zijn zo goed.
40 Heus, ik verlang naar uw bevelen.
Laat U mij toch zuiver leven door uw rechtvaardigheid.
41 Ik bid dat U mij uw goedheid en liefde laat ervaren, Here.
En bevrijdt U mij zoals U hebt beloofd.
42 Dan weet ik iets terug te zeggen als men mij bespot,
want ik wil alleen zo spreken dat het overeenstemt met uw woord.
43 Laat mij uw woorden van waarheid spreken.
Ik heb vertrouwen in uw besluiten.
44 Ik wil mij onafgebroken houden aan uw wet,
mijn leven lang.
45 Dan ga ik mijn weg onbevangen en zonder belemmering,
omdat ik mij richt naar uw woord.
46 Zelfs voor koningen kan ik dan over uw wet spreken
zonder mij te schamen.
47 Ik geniet van uw wet en houd van haar.
48 Daarom strek ik mijn handen uit naar uw geboden,
waarvan ik zoveel houd.
Dan denk ik rustig na over alles wat U hebt vastgelegd.
49 Denk aan wat U tegen mij hebt gezegd,
ik ben immers uw dienaar en U hebt mij hoop gegeven.
50 Dat troost mij in alle ellende die ik meemaak.
Uw beloften geven mij weer leven.
51 Ongelovigen kunnen mij nog zo bespotten,
ik stap niet af van uw wet.
52 Here, als ik denk aan alles
wat U sinds mensenheugenis hebt voorgeschreven,
voel ik mij getroost.
53 De goddeloze mensen die uw wet links laten liggen,
brengen mij tot grote verontwaardiging.
54 Uw leefregels zijn muziek voor mij,
zolang ik hier op aarde woon,
ik voel mij hier een vreemdeling.
55 Als ik ʼs nachts wakker lig,
denk ik aan uw grote naam, Here,
en ook dan houd ik mij aan uw wetten.
56 Dat heb ik van U ontvangen,
omdat ik uw leefregels zorgvuldig bewaar.
57 De Here heeft Zichzelf aan mij gegeven,
ik heb ook beloofd mij altijd aan uw woord te houden.
58 Ik verlang er met mijn hele hart naar
dat U mij goed gezind bent,
geef mij uw genade zoals U hebt beloofd.
59 Ik denk na over mijn levensweg
en haast mij om uw woord te volgen.
60 Zonder aarzelen haast ik mij
te doen wat U voorschrijft.
61 Hoewel de ongelovigen om mij heen
mij voortdurend willen vangen,
vergeet ik niet wat U in uw wet zegt.
62 Rond middernacht sta ik op om U te prijzen
voor uw rechtvaardige wetten en geboden.
63 Ik ga mijn weg samen met alle mensen
die ook ontzag voor U hebben
en die leven volgens uw gebod.
64 De aarde is vol van uw goedheid en liefde, Here.
Leer mij alles over uw wetten.
65 U hebt mij, uw dienaar, het goede gegeven.
Precies, Here, zoals uw woord dat aangeeft.
66 Geef mij een goed onderscheidingsvermogen en verstand,
want ik stel mijn vertrouwen op uw wet.
67 Voordat ik in moeilijkheden kwam, dwaalde ik vaak van U af.
Maar nu houd ik mij alleen nog aan wat U zegt.
68 U bent een goede God en doet het goede voor de mensen.
Leer mij alles wat U van de mensen wilt.
69 Ongelovigen schuiven mij allerlei leugens in de schoenen,
maar ik houd mij met mijn hele hart vast aan uw wet.
70 Zij hebben harten van steen,
maar ik ervaar vreugde als ik aan uw wet denk.
71 Het is goed dat ik grote moeilijkheden heb doorgemaakt,
want daardoor heb ik U en uw wet beter leren kennen.
72 Uw woorden gaan voor mij ver boven
grote rijkdommen aan goud en zilver.
73 U hebt mij met uw eigen handen gemaakt.
Maak mij verstandig, zodat ik alles over uw wet kan leren.
74 Andere mensen die ook diep ontzag voor U hebben,
zijn blij als zij mij zien en meemaken,
omdat ik op uw woord vertrouw.
75 Here, ik weet dat uw oordeel een rechtvaardig oordeel is.
Dat U mij trouw bleef in al mijn ellende.
76 Ik bid dat uw goedheid en liefde mij zullen troosten.
Dat hebt U mij, uw dienaar, immers beloofd?
77 Laat uw liefdevolle meeleven mij bereiken,
zodat ik leven kan. Ik verheug mij in uw wetten.
78 Laat de ongelovigen toch tot inzicht komen en zich schamen,
omdat zij mij onterecht kwaad deden.
Ik denk voortdurend aan wat U mij hebt opgedragen.
79 Wilt U mensen die diep ontzag voor U koesteren
en uw wet kennen, naar mij toe sturen?
80 Ik wil met volledige toewijding uw wet naleven,
zodat ik mij nooit hoef te schamen.
81 Alles in mij verlangt naar uw bevrijding,
zoals U hebt beloofd.
82 Mijn ogen kijken verlangend uit naar
de vervulling van uw belofte,
wanneer komt U om mij te troosten?
83 Ik ben oud en onaantrekkelijk geworden,
maar toch heb ik uw wet niet vergeten.
84 Hoe lang laat U mij nog in leven?
Wanneer gaat U nu eens wraak nemen op mijn vijanden?
85 Ongelovigen, die zich niet interesseren voor uw wet,
hebben een kuil voor mij gegraven.
86 U bent toch trouw aan alles wat U hebt beloofd?
Help mij toch! Zij achtervolgen mij terwijl ik niets heb gedaan.
87 Het is hun bijna gelukt mij te doden,
maar ik heb mij vastgehouden aan uw bevelen.
88 Laat ik mogen leven
in overeenstemming met uw goedheid en liefde.
Dan zal ik blijven spreken over uw grote daden.
89 Here, uw woord blijft eeuwig bestaan
tot in de hemelen toe.
90 U bewijst uw trouw aan elke generatie.
U hebt ook de aarde gemaakt,
zodat die stevig gegrondvest is.
91 Vandaag de dag staat alles vast volgens uw voorschriften.
Alles is aan U onderworpen.
92 Als ik niet voortdurend de vreugde van uw wet had ervaren,
was ik in alle moeilijkheden ten onder gegaan.
93 Nooit zal ik uw wetten vergeten,
want juist door die wetten hebt U mij het leven weer gegeven.
94 Ik ben uw eigendom, bevrijd mij.
Ik verlang naar uw opdrachten.
95 Ongelovigen zijn er op uit mij te vernietigen,
maar ik let uitsluitend op uw woord.
96 Ik heb gezien hoe alles, hoe geweldig ook,
eens een einde heeft.
Maar ik weet dat uw geboden oneindig zijn.
97 Wat houd ik veel van uw wet!
Ik denk er de hele dag over na.
98 Uw geboden geven mij meer wijsheid
dan mijn vijanden hebben.
Want ik heb ze altijd bij me.
99 Ik heb meer verstand
dan de mensen die mij eens lesgaven,
omdat ik voortdurend uw woorden overdenk.
100 Ik heb meer inzicht
dan de oude mensen,
omdat ik uw bevelen zorgvuldig bewaar.
101 Ik zorg ervoor dat ik niet op het verkeerde pad kom,
zo kan ik mij houden aan uw woord.
102 Ik volg uw voorschriften nauwgezet op,
alles leer ik van U.
103 Alles wat U zegt, is heerlijk om naar te luisteren.
Het klinkt zoeter dan honing.
104 Door uw wet heb ik inzicht gekregen
en daarom haat ik de leugen.
105 Uw woord is een stralend licht,
dat mij de weg door het leven wijst.
106 Ik heb een eed afgelegd
en daar wil ik mij aan houden.
Ik heb daarbij toegezegd dat ik mij altijd
zal houden aan uw rechtvaardige wetten.
107 Ik heb zulke grote moeilijkheden. Here,
geef mij toch het leven weer door uw woord.
108 Ik spreek ongedwongen over U, Here,
en hoop dat U daar genoegen in hebt.
Leer mij alles over uw wetten.
109 Ik zal nooit uw wet vergeten,
ook al is mijn leven voortdurend in gevaar.
110 Ongelovigen proberen mij te vangen,
maar ik blijf bij wat U hebt gezegd.
111 Alles wat U hebt gezegd,
heb ik als een blijvend erfdeel gekregen.
Ik ben er heel erg blij mee.
112 Ik verlang ernaar altijd te doen
wat U hebt gezegd, mijn leven lang.
113 Ik heb een hekel aan aarzelende mensen,
maar houd zielsveel van uw wet.
114 Bij U kan ik schuilen en U beschermt mij.
Ik verwacht het van uw beloften.
115 Kom mij niet te na, misdadigers,
want ik wil mij houden aan het gebod van mijn God.
116 U hebt beloofd mij te zullen ondersteunen.
Doet U dat nu ook, zodat ik blijf leven. Stel mij niet teleur.
117 Geef mij uw kracht en bevrijd mij.
Dan zal ik mij blijven verheugen in uw geboden.
118 Ieder die zich niet aan uw wet houdt,
doet U ver van U weg.
Wat zij zeggen en doen is zinloos.
119 Alle goddelozen op aarde
worden eens door U weggevaagd.
Ook dat is voor mij een reden uw wet lief te hebben.
120 Ik ben bang voor uw oordeel,
mijn hele lichaam trilt van angst.
121 Ik heb altijd eerlijk en oprecht geleefd,
laten mijn vijanden mij niet in hun macht krijgen.
122 Stelt U Zich garant voor mij en zorg ervoor
dat ongelovigen mij niet achtervolgen.
123 Ik verlang ernaar U te zien
en uw rechtvaardig woord te horen.
124 Wilt U met uw goedheid en liefde met mij omgaan
en mij alles leren over uw wetten.
125 Ik ben uw dienaar, maak mij verstandig,
zodat ik uw wetten kan begrijpen.
126 Here, voor U is de tijd aangebroken om op te treden,
want men heeft uw wetten overtreden.
127 Ik houd van uw geboden,
meer dan van het mooiste goud.
128 Daarom geloof ik ook
dat al uw bevelen rechtvaardig zijn,
ik haat de leugen.
129 Alles wat U hebt gezegd, is geweldig en heerlijk.
Daarom onthoud ik alles wat ik van U hoor.
130 Door te luisteren naar uw woord,
komt er licht en duidelijkheid in mijn leven.
Zelfs onverstandige mensen ontwikkelen inzicht.
131 Ik smacht van verlangen
naar alles wat U gebiedt.
132 Kom bij mij en geef mij uw genade.
Mensen die van U houden, mogen zich immers daarop beroepen?
133 Doet U mij wandelen op mijn levenspad, zoals U hebt beloofd.
Houd het onrecht ver van mij.
134 Bevrijd mij uit de onderdrukking van mijn vijanden,
dan zal ik voortaan alles doen wat U hebt bevolen.
135 Ik ben uw dienaar, laat uw licht over mij schijnen
en leer mij alles wat ik van U moet weten.
136 Mijn tranen vloeien als rivieren en mijn verdriet is groot,
omdat mijn volk niet leeft volgens uw wet.
137 Here, U bent rechtvaardig
en uw leefregels zijn betrouwbaar.
138 Toen U ons uw geboden gaf,
was dat in oprechtheid
en het getuigde van uw grote trouw.
139 Ik word beheerst door het verlangen U te dienen,
temeer omdat mijn vijanden U in de steek laten.
140 Uw woorden zijn volkomen zuiver.
Ik, uw dienaar, heb ze van harte lief.
141 Ik ben maar gering en niemand acht mij hoog,
maar ik denk voortdurend aan uw geboden.
142 Uw rechtvaardigheid is eeuwig
en alleen uw wet is de waarheid.
143 Ook al overkomt mij allerlei ellende en achtervolging,
juist dan zijn uw geboden voor mij een vreugde.
144 Alles wat U hebt gezegd, bevat rechtvaardigheid voor altijd.
Als U mij verstandig maakt, kan ik werkelijk leven.
145 Here, ik roep met mijn hele hart naar U,
antwoord mij toch. Ik zal uw geboden naleven.
146 Ik roep naar U, bevrijd mij!
Dan zal ik elk gebod van U in ere houden.
147 Nog voor de zon opkomt, roep ik U te hulp.
Ik verwacht een woord van U.
148 Nog voor de nachtwakers aan het werk gaan,
zie ik al weer uit naar uw belofte.
149 Wilt U met uw liefde en goedheid naar mij luisteren?
Here, als uw recht mij leidt, kan ik leven.
150 Om mij heen zijn mensen die in zonde leven,
van uw wet willen zij niets weten.
151 U bent dichtbij mij, Here.
Ik weet dat al uw woorden waar zijn.
152 Uit uw woorden weet ik dat U van het begin af
aan alles een vaste plaats hebt gegeven.
153 Let toch op mijn moeilijkheden en bevrijd mij.
Ik zal uw wet echt niet vergeten.
154 Wees rechter over mij en red mij.
U hebt beloofd mij nieuw leven te geven.
155 De ongelovigen zullen niet worden gered,
want zij willen zich niet aan uw leefregels houden.
156 Uw liefdevolle meeleven is zo groot, Here.
U hebt bevolen dat ik het leven weer zou krijgen.
157 Het aantal vijanden dat mij achtervolgt, is groot,
toch zal ik niet van uw woorden afwijken.
158 Ik voel weerzin als ik mensen zie die van U zijn afgeweken,
want zij houden zich niet aan wat U zegt.
159 Ziet U wel hoeveel ik van uw wet houd?
Here, laten uw goedheid en liefde weer nieuw leven geven.
160 Nergens in uw woord is iets onwaars, alles is de waarheid.
Al uw rechtvaardige geboden zijn eeuwig.
161 Zonder aanleiding word ik achtervolgd door koningen,
maar uw woord is het enige dat ik vrees, daarvoor heb ik ontzag.
162 Ik ben zo blij met uw woord,
alsof onverwachte rijkdom mij in de schoot valt.
163 Ik heb een hartgrondige hekel aan leugens,
daarentegen houd ik heel veel van uw wet.
164 Zeven keer per dag prijs ik U,
omdat U ons een rechtvaardige wet hebt gegeven.
165 Mensen die van uw wet houden,
ervaren een diepe vrede in het hart.
Er staat hun niets in de weg.
166 Here, ik verwacht alleen uitredding van U
en houd mij aan uw geboden.
167 Ik houd mij met mijn hele wezen aan uw woorden,
ik heb ze oprecht lief.
168 Ik blijf trouw aan uw wetten en regels,
want U weet wat goed voor mij is.
169 Here, ik bid dat U mij zult horen.
Wees trouw aan wat U hebt gezegd en maakt U mij verstandig.
170 Laat mijn aanhoudend bidden U bereiken.
Bevrijd mij zoals U hebt beloofd.
171 Overal waar ik kom, zal ik U steeds prijzen,
want U leert mij alles wat U goed vindt.
172 Ik zal een lied zingen over wat U zegt,
omdat alles wat U gebiedt, rechtvaardig is.
173 Laat uw hand mij te hulp komen,
want ik kies ervoor uw geboden na te volgen.
174 Ik verlang naar uw bevrijding, Here.
Uw wet maakt mij gelukkig.
175 Laat mij leven en U prijzen.
Laten uw leefregels mij tot steun zijn.
176 Soms dwaal ik rond als een schaap
dat de herder niet meer kan vinden.
Zoekt U mij dan op,
ik zal uw geboden nooit vergeten.

Mawu a Mulungu mu Chichewa Chalero

Masalimo 119

Alefu

1Odala ndi amene moyo wawo ulibe cholakwa,
    amene amayenda monga mwa malamulo a Yehova.
Odala ndi amene amasunga malamulo ake,
    amene amafunafuna Iyeyo ndi mtima wawo wonse.
Sachita cholakwa chilichonse;
    amayenda mʼnjira zake.
Inu mwapereka malangizo
    ndipo ayenera kutsatidwa kwathunthu.
Aa! Ndikanakonda njira zanga zikanakhala zokhazikika
    pa kumvera zophunzitsa zanu!
Pamenepo ine sindikanachititsidwa manyazi,
    poganizira malamulo anu onse.
Ndidzakutamandani ndi mtima wolungama,
    pamene ndikuphunzira malamulo anu olungama.
Ndidzamvera zophunzitsa zanu;
    musanditaye kwathunthu.

Beti

Kodi mnyamata angathe bwanji kuyeretsa mayendedwe ake?
    Akawasamala potsata mawu anu.
10 Ndimakufunafunani ndi mtima wanga wonse;
    musalole kuti ndisochere kuchoka pa malamulo anu.
11 Ndasunga mawu anu mu mtima mwanga
    kuti ndisakuchimwireni.
12 Mutamandike Inu Yehova;
    phunzitseni malamulo anu.
13 Ndi milomo yanga ndimafotokoza malamulo anu onse
    amene amachokera pakamwa panu.
14 Ndimakondwera potsatira malamulo anu
    monga momwe munthu amakondwera akakhala ndi chuma chambiri.
15 Ndimalingalira malangizo anu
    ndipo ndimaganizira njira zanu.
16 Ndimakondwera ndi malamulo anu;
    sindidzayiwala konse mawu anu.

Gimeli

17 Chitirani zokoma mtumiki wanu, ndipo ndidzakhala ndi moyo;
    kuti tsono ndisunge mawu anu.
18 Tsekulani maso anga kuti ndithe kuona
    zinthu zodabwitsa mʼmalamulo anu.
19 Ine ndine mlendo pa dziko lapansi;
    musandibisire malamulo anu.
20 Moyo wanga wafowoka polakalaka
    malamulo anu nthawi zonse.
21 Inu mumadzudzula onyada, otembereredwa,
    amene achoka pa malamulo anu.
22 Mundichotsere chitonzo ndi mnyozo
    pakuti ndimasunga malamulo anu.
23 Ngakhale mafumu akhale pamodzi kundinyoza,
    mtumiki wanu adzalingalirabe zophunzitsa zanu.
24 Malamulo anu amandikondweretsa;
    ndiwo amene amandilangiza.

Daleti

25 Moyo wanga wakangamira fumbi;
    tsitsimutseni molingana ndi mawu anu.
26 Ndinafotokoza njira zanga ndipo Inu munandiyankha;
    phunzitseni malamulo anu.
27 Mundidziwitse chiphunzitso cha malangizo anu;
    pamenepo ndidzalingalira zodabwitsa zanu.
28 Moyo wanga wafowoka ndi chisoni;
    limbikitseni monga mwa mawu anu.
29 Mundichotse mʼnjira zachinyengo;
    mundikomere mtima pondiphunzitsa malamulo anu.
30 Ndasankha njira ya choonadi;
    ndayika malamulo anu pa mtima panga.
31 Ndagwiritsitsa umboni wanu, Inu Yehova;
    musalole kuti ndichititsidwe manyazi.
32 Ndimathamanga mʼnjira ya malamulo anu,
    pakuti Inu mwamasula mtima wanga.

He

33 Yehova, phunzitseni kutsatira zophunzitsa zanu;
    ndipo ndidzazisunga mpaka kumapeto.
34 Mundipatse mtima womvetsa zinthu ndipo ndidzasunga malamulo anu
    ndi kuwamvera ndi mtima wanga wonse.
35 Munditsogolere mʼnjira ya malamulo anu,
    pakuti mʼmenemo ndimapezamo chikondwerero changa.
36 Tembenuzani mtima wanga kuti uzikonda malamulo anu,
    osati chuma.
37 Tembenuzani maso anga kuchoka ku zinthu zachabechabe;
    sungani moyo wanga monga mwa mawu anu.
38 Kwaniritsani lonjezo lanu kwa mtumiki wanu,
    kuti Inu muopedwe.
39 Mundichotsere chipongwe chimene ndikuchiopa,
    pakuti malamulo anu ndi abwino.
40 Taonani, ndimalakalakatu malangizo anu!
    Sungani moyo wanga mʼchilungamo chanu.

Wawi

41 Chikondi chanu chosasinthika chibwere kwa ine, Inu Yehova,
    chipulumutso chanu monga mwa lonjezo lanu;
42 ndipo ndidzayankha amene amandinyoza,
    popeza ndimadalira mawu anu.
43 Musakwatule mawu a choonadi mʼkamwa mwanga,
    pakuti ndakhazikitsa chiyembekezo changa mʼmalamulo anu.
44 Ndidzasunga malamulo anu nthawi zonse,
    ku nthawi za nthawi.
45 Ndidzayendayenda mwaufulu,
    chifukwa ndinafunafuna malangizo anu.
46 Ndidzayankhula za umboni wanu pamaso pa mfumu
    ndipo sindidzachititsidwa manyazi,
47 popeza ndimakondwera ndi malamulo anu
    chifukwa ndimawakonda.
48 Ndikweza manja anga ku malamulo anu, ku malamulo amene ndimawakonda,
    ndipo ndimalingalira malangizo anu.

Zayini

49 Kumbukirani mawu anu kwa mtumiki wanu,
    popeza mwandipatsa chiyembekezo.
50 Chitonthozo changa pa masautso anga ndi ichi:
    lonjezo lanu limasunga moyo wanga.
51 Odzikuza amandinyoza popanda chowaletsa,
    koma sindichoka pa malamulo anu.
52 Ndimakumbukira malamulo anu Yehova akalekale,
    ndipo mwa iwo ndimapeza chitonthozo.
53 Ndayipidwa kwambiri chifukwa cha oyipa
    amene ataya malamulo anu.
54 Zophunzitsa zanu ndi mitu ya nyimbo yanga
    kulikonse kumene ndigonako.
55 Usiku ndimakumbukira dzina lanu Yehova,
    ndipo ndidzasunga malamulo anu.
56 Ichi ndicho ndakhala ndikuchita:
    ndimasunga malangizo anu.

Heti

57 Yehova, Inu ndiye gawo langa;
    ndalonjeza kumvera mawu anu.
58 Ndimafunafuna nkhope yanu ndi mtima wanga wonse;
    mundikomere mtima monga mwa lonjezo lanu.
59 Ndinalingalira za njira zanga
    ndipo ndatembenuza mayendedwe anga kutsatira umboni wanu.
60 Ndidzafulumira ndipo sindidzazengereza
    kumvera malamulo anu.
61 Ngakhale oyipa andimange ndi zingwe,
    sindidzayiwala lamulo lanu.
62 Ndimadzuka pakati pa usiku kuyamika Inu
    chifukwa cha malamulo anu olungama.
63 Ine ndine bwenzi la onse amene amakukondani,
    kwa onse amene amatsatira malangizo anu.
64 Dziko lapansi ladzaza ndi chikondi chanu chosasinthika,
    phunzitseni malamulo anu.

Teti

65 Inu Yehova, chitirani chabwino mtumiki wanu
    molingana ndi mawu anu.
66 Phunzitseni nzeru ndi chiweruzo chabwino,
    pakuti ndimakhulupirira malamulo anu.
67 Ndisanayambe kuzunzika ndinasochera,
    koma tsopano ndimamvera mawu anu.
68 Inu ndinu abwino ndipo zimene mumachita ndi zabwino;
    phunzitseni malamulo anu.
69 Ngakhale odzikuza andipaka mabodza,
    ine ndimasunga malangizo anu ndi mtima wanga wonse.
70 Mitima yawo ndi yowuma ndi yosakhudzidwa,
    koma ine ndimakondwera ndi malamulo anu.
71 Ndi bwino kuti ndinasautsidwa
    kuti ndithe kuphunzira malamulo anu.
72 Lamulo lochokera mʼkamwa mwanu limandikomera kwambiri
    kuposa ndalama zambirimbiri za siliva ndi golide.

Yodi

73 Manja anu anandilenga ndi kundiwumba;
    patseni nzeru zomvetsa zinthu kuti ndiphunzire malamulo anu.
74 Iwo amene amakuopani akondwere akandiona,
    chifukwa chiyembekezo changa chili mʼmawu anu.
75 Ine ndikudziwa, Inu Yehova, kuti malamulo anu ndi olungama
    ndipo mwandizunza chifukwa cha kukhulupirika kwanu.
76 Chikondi chanu chosasinthika chikhale chitonthozo changa,
    molingana ndi lonjezo lanu kwa mtumiki wanu.
77 Chifundo chanu chindifikire kuti ndikhale ndi moyo,
    popeza malamulo anu ndiye chikondwerero changa.
78 Odzikuza achititsidwe manyazi chifukwa cha kundilakwira popanda chifukwa;
    koma ine ndidzalingalira malangizo anu.
79 Iwo amene amakuopani atembenukire kwa ine,
    iwo amene amamvetsetsa umboni wanu.
80 Mtima wanga ukhale wopanda cholakwa pa chiphunzitso chanu
    kuti ndisachititsidwe manyazi.

Kafu

81 Moyo wanga wafowoka ndi kufunafuna chipulumutso chanu,
    koma chiyembekezo changa chili mʼmawu anu.
82 Maso anga alefuka pofunafuna lonjezo lanu;
    Ine ndikuti, “Kodi mudzanditonthoza liti?”
83 Ngakhale ndili ngati thumba lachikopa la vinyo pa utsi
    sindiyiwala zophunzitsa zanu.
84 Kodi mtumiki wanu ayenera kudikira mpaka liti?
    Kodi mudzawalanga liti amene amandizunza?
85 Anthu osalabadira za Mulungu,
    odzikuza amandikumbira dzenje motsutsana ndi malamulo anu.
86 Malamulo anu onse ndi odalirika;
    thandizeni, pakuti anthu akundizunza popanda chifukwa.
87 Iwo anatsala pangʼono kundichotsa pa dziko lapansi
    koma sindinataye malangizo anu.
88 Sungani moyo wanga molingana ndi chikondi chanu chosasinthika,
    ndipo ndidzamvera umboni wa pakamwa panu.

Lamedi

89 Mawu anu Yehova ndi amuyaya;
    akhazikika kumwambako.
90 Kukhulupirika kwanu kumakhala mpaka ku mibado yonse;
    Inu munakhazikitsa dziko lapansi ndipo lilipobe.
91 Malamulo anu alipobe mpaka lero lino,
    pakuti zinthu zonse zimatumikira Inu.
92 Malamulo anu akanapanda kukhala chikondwerero changa,
    ndikanawonongeka mʼmasautso anga.
93 Ine sindidzayiwala konse malangizo anu,
    pakuti ndi malangizo anuwo munasunga moyo wanga.
94 Ndine wanu, ndipulumutseni;
    pakuti ndasamala malangizo anu.
95 Anthu oyipa akudikira kuti andiwononge,
    koma ndidzalingalira umboni wanu.
96 Ndadziwa kuti zinthu zonse zili ndi malire,
    koma malamulo anu alibe malire konse.

Memu

97 Ndithu, ine ndimakonda malamulo anu!
    Ndimalingaliramo tsiku lonse.
98 Malamulo anu amachititsa kuti ndikhale wanzeru kuposa adani anga,
    popeza malamulowo ali ndi ine nthawi zonse.
99 Ndimamvetsa zinthu kwambiri kuposa aphunzitsi anga onse
    popeza ndimalingalira umboni wanu.
100 Ndili ndi nzeru zochuluka zomvetsera zinthu kuposa anthu okalamba,
    popeza ndimamvera malangizo anu.
101 Ndimaletsa miyendo yanga kuyenda mʼnjira iliyonse yoyipa
    kuti ndithe kumvera mawu anu.
102 Sindinapatuke kuchoka pa malamulo anu,
    pakuti Inu mwini munandiphunzitsa.
103 Mawu anu ndi otsekemera ndikawalawa,
    otsekemera kuposa uchi mʼkamwa mwanga!
104 Ndimapeza nzeru zodziwira zinthu kuchokera mʼmalangizo anu;
    kotero ndimadana ndi njira iliyonse yoyipa.

Nuni

105 Mawu anu ndi nyale ya kumapazi kwanga
    ndi kuwunika kwa pa njira yanga.
106 Ndalumbira ndipo ndatsimikiza,
    kuti ndidzatsatira malamulo anu olungama.
107 Ndazunzika kwambiri;
    Inu Yehova, sungani moyo wanga molingana ndi mawu anu.
108 Inu Yehova, landirani matamando aufulu ochokera pakamwa panga,
    ndipo ndiphunzitseni malamulo anu.
109 Ngakhale moyo wanga umakhala mʼzoopsa nthawi ndi nthawi,
    sindidzayiwala malamulo anu.
110 Anthu oyipa anditchera msampha,
    koma sindinasochere kuchoka pa malangizo anu.
111 Umboni wanu ndiye cholowa changa kwamuyaya;
    Iwo ndiye chimwemwe cha mtima wanga.
112 Mtima wanga wakhazikika pa kusunga zophunzitsa zanu
    mpaka kumapeto kwenikweni.

Samekhi

113 Ndimadana ndi anthu apawiripawiri,
    koma ndimakonda malamulo anu.
114 Inu ndinu pothawirapo panga ndi chishango changa;
    chiyembekezo changa chili mʼmawu anu.
115 Chokani kwa ine, inu anthu ochita zoyipa,
    kuti ndisunge malamulo a Mulungu wanga!
116 Mundichirikize molingana ndi lonjezo lanu, ndipo ndidzakhala ndi moyo;
    musalole kuti chiyembekezo changa chipite pachabe.
117 Gwirizizeni, ndipo ndidzapulumutsidwa;
    nthawi zonse ndidzasamalira zophunzitsa zanu.
118 Inu mumakana onse amene amasochera kuchoka pa zophunzitsa zanu,
    pakuti chinyengo chawo ndi chopanda phindu.
119 Anthu onse oyipa a pa dziko lapansi mumawayesa ngati zinthu zakudzala;
    nʼchifukwa chake ndimakonda umboni wanu.
120 Thupi langa limanjenjemera chifukwa cha kuopa Inu;
    ndimachita mantha ndi malamulo anu.

Ayini

121 Ndachita zolungama ndi zabwino;
    musandisiye mʼmanja mwa ondizunza.
122 Onetsetsani kuti mtumiki wanu akukhala bwino,
    musalole kuti anthu odzikuza andipondereze.
123 Maso anga alefuka, kufunafuna chipulumutso chanu,
    kufunafuna lonjezo lanu lolungama.
124 Muchite naye mtumiki wanu molingana ndi chikondi chanu chosasinthika,
    ndipo mundiphunzitse malamulo anu.
125 Ine ndine mtumiki wanu; patseni mzimu wondizindikiritsa,
    kuti ndimvetsetse umboni wanu.
126 Yehova, ndi nthawi yoti muchitepo kanthu;
    malamulo anu akuswedwa.
127 Chifukwa choti ndimakonda malamulo anu
    kuposa golide, kuposa golide woyengeka bwino,
128 ndiponso chifukwa choti ndimaona kuti malangizo anu onse ndi wowongoka,
    ndimadana ndi njira iliyonse yoyipa.

Pe

129 Maumboni anu ndi odabwitsa
    nʼchifukwa chake ndimawamvera.
130 Mawu anu akamaphunzitsidwa amapereka kuwunika;
    ngakhale anthu wamba amamvetsetsa.
131 Ndimatsekula pakamwa panga ndi kupuma wefuwefu,
    kufunafuna malamulo anu.
132 Tembenukirani kwa ine ndipo mundichitire chifundo,
    monga mumachitira nthawi zonse kwa iwo amene amakonda dzina lanu.
133 Tsogolerani mayendedwe anga molingana ndi mawu anu;
    musalole kuti tchimo lizindilamulira.
134 Ndiwomboleni mʼdzanja la anthu ondizunza,
    kuti ndithe kumvera malangizo anu.
135 Nkhope yanu iwalire mtumiki wanu
    ndipo mundiphunzitse malamulo anu.
136 Mitsinje ya misozi ikuyenda kuchoka mʼmaso mwanga,
    chifukwa anthu sakumvera malamulo anu.

Tsade

137 Yehova ndinu wolungama,
    ndipo malamulo anu ndi abwino.
138 Maumboni amene munatipatsa ndi olungama;
    ndi odalirika ndithu.
139 Ndikusautsidwa kwambiri mʼkati mwanga
    chifukwa adani anu amanyalanyaza mawu anu.
140 Mawu anu ndi woyera kwambiri
    nʼchifukwa chake mtumiki wanune ndimawakonda.
141 Ngakhale ndili wamngʼono ndi wonyozeka,
    sindiyiwala malangizo anu.
142 Chilungamo chanu nʼchamuyaya,
    ndipo malamulo anu nʼchoona.
143 Mavuto ndi masautso zandigwera,
    koma ndimakondwera ndi malamulo anu.
144 Umboni wanu ndi wabwino nthawi zonse;
    patseni nzeru zomvetsa zinthu kuti ine ndikhale ndi moyo.

Kofu

145 Ndimayitana ndi mtima wanga wonse; ndiyankheni Inu Yehova,
    ndipo ndidzamvera zophunzitsa zanu.
146 Ndikuyitana kwa Inu; pulumutseni
    ndipo ndidzasunga umboni wanu.
147 Ndimadzuka tambala asanalire kuti ndipemphe thandizo;
    chiyembekezo changa chili mʼmawu anu.
148 Maso anga amakhala chipenyere nthawi yonse ya usiku,
    kuti ndithe kulingalira malonjezo anu.
149 Imvani mawu anga molingana ndi chikondi chanu chosasinthika;
    Yehova sungani moyo wanga, molingana ndi malamulo anu.
150 Iwo amene amakonza njira zoyipa andiyandikira,
    koma ali kutali ndi malamulo anu.
151 Koma Inu Yehova muli pafupi,
    malamulo anu onse ndi woona.
152 Ndinaphunzira kalekale kuchokera mʼmaumboni anu
    kuti maumboni amene munakhazikitsawo ndi amuyaya.

Reshi

153 Yangʼanani masautso anga ndipo mundipulumutse,
    pakuti sindinayiwale malamulo anu.
154 Mundiyimirire pa mlandu wanga ndi kundiwombola;
    sungani moyo wanga molingana ndi lonjezo lanu.
155 Chipulumutso chili kutali ndi anthu oyipa,
    pakuti iwowo safunafuna zophunzitsa zanu.
156 Chifundo chanu Yehova nʼchachikulu;
    sungani moyo wanga molingana ndi malamulo anu.
157 Adani amene akundizunza ndi ambiri,
    koma ine sindinatembenuke kuchoka pa umboni wanu.
158 Ndimawayangʼana monyansidwa anthu opanda chikhulupiriro,
    popeza samvera mawu anu.
159 Onani momwe ndimakondera malangizo anu;
    sungani moyo wanga, Inu Yehova, molingana ndi chikondi chanu chosanthika.
160 Mawu anu onse ndi owona;
    malamulo anu onse olungama ndi amuyaya.

Sini ndi Shini

161 Olamulira amandizunza popanda chifukwa,
    koma mtima wanga umanjenjemera ndi mawu anu.
162 Ine ndimakondwa ndi lonjezo lanu,
    ngati munthu amene wapeza chuma chambiri.
163 Ndimadana ndi chinyengo, kwambiri ndimanyansidwa nacho,
    koma ndimakonda malamulo anu.
164 Ndimakutamandani kasanu ndi kawiri pa tsiku
    pakuti malamulo anu ndi olungama.
165 Amene amakonda malamulo anu ali ndi mtendere waukulu,
    ndipo palibe chimene chingawapunthwitse
166 Ndikudikira chipulumutso chanu, Inu Yehova,
    ndipo ndimatsatira malamulo anu.
167 Ndimamvera umboni wanu
    pakuti ndimawukonda kwambiri.
168 Ndimamvera malangizo anu ndi umboni wanu,
    pakuti njira zanga zonse ndi zodziwika pamaso panu.

Tawu

169 Kulira kwanga kufike pamaso panu Yehova;
    patseni nzeru zomvetsa zinthu molingana ndi mawu anu.
170 Kupempha kwanga kufike pamaso panu;
    pulumutseni molingana ndi lonjezo lanu.
171 Matamando asefukire pa milomo yanga,
    pakuti Inu mumandiphunzitsa malamulo anu.
172 Lilime langa liyimbe mawu anu,
    popeza malamulo anu onse ndi olungama.
173 Dzanja lanu likhale lokonzeka kundithandiza
    pakuti ndasankha malangizo anu.
174 Ndikufunitsitsa chipulumutso chanu Yehova,
    ndipo ndimakondwera ndi malamulo anu.
175 Loleni kuti ndikhale ndi moyo kuti ndikutamandeni,
    ndipo malamulo anu andichirikize.
176 Ndasochera ngati nkhosa yotayika,
    funafunani mtumiki wanu,
    pakuti sindinayiwale malamulo anu.