Het Boek

Psalmen 119

1Gelukkig zijn de mensen die een zuiver leven leiden
en zich houden aan de wet van de Here.
Gelukkig zijn de mensen die Hem dienen
en zijn woord bewaren in hun hart.
Gelukkig zijn de mensen die geen misdaden begaan,
maar leven zoals God wil.
U hebt ons uw bevelen gegeven
met de bedoeling dat wij ons daaraan houden.
Ik wilde wel dat ik zo standvastig was,
dat ik altijd uw regels zou naleven.
Dan zou ik mij nooit hoeven te schamen
als ik uw wet las.
Met een eerlijk en oprecht hart zal ik U prijzen,
als ik anderen les geef over rechtvaardige wetten.
Ik zal mij houden aan uw leefregels.
Laat mij niet in de steek.
Hoe kan een jonge man zuiver leven?
Als hij zich laat leiden door uw woord.
10 Met mijn hele hart wil ik U volgen.
Helpt U mij om niet van U af te dwalen.
11 Ik vul mijn hart met uw woorden, dat is de enige manier
om niet te zondigen en U geen verdriet te doen.
12 Here, U bent het zo waard te worden geprezen!
Leer mij alles over uw wet.
13 Ik spreek over alle wetten
die U hebt gemaakt.
14 Ik ben zo blij als ik veel over U mag spreken.
Dat geeft mij meer vreugde dan aardse rijkdom.
15 Ik wil blijven nadenken over uw leefregels
en zal U trouw volgen.
16 Uw gebod geeft mij de grootste vreugde.
Ik zal uw woord nooit vergeten.
17 Ik ben uw dienaar, bewaart U mij,
dan kan ik mij mijn hele leven houden aan uw woord.
18 Open mijn ogen,
zodat ik alle wonderen in uw wet kan ontdekken.
19 Hier op aarde voel ik mij slechts een vreemdeling,
laat uw gebod niet voor mij zijn verborgen.
20 Alles in mij verlangt
voortdurend naar uw voorschriften.
21 Mensen die eigenzinnig van uw wet afdwalen,
worden door U bedreigd en zijn al vervloekt.
22 Wilt U elke vorm van spot en schande bij mij weghouden,
want ik ben trouw aan alles wat U zegt.
23 Zelfs al zouden koningen gezamenlijk een aanslag op mij beramen,
dan nog zou ik, uw dienaar, alleen maar uw wetten overdenken.
24 Alles wat U hebt gezegd en wat in uw woord staat,
is voor mij een grote vreugde
en ik laat mij door uw woorden raad geven.
25 Ik merk hoe mijn hart aan deze aarde hangt,
geef mij het leven door uw woord.
26 Ik heb U alles verteld wat ik heb gedaan
en U hebt mij ook antwoord gegeven.
Leer mij nu hoe ik naar uw wil kan leven.
27 Laat mij begrijpen wat U in uw wet bedoelt,
zodat ik kan nadenken over alle wonderen die U doet.
28 Mijn hart huilt van verdriet en wanhoop,
helpt U mij overeind door uw woord.
29 Wilt U mij op het rechte pad houden?
Geef mij in uw genade uw wetten.
30 Ik kies ervoor de waarheid te volgen.
Daarom denk ik voortdurend aan uw leefregels.
31 Ik houd mij vast aan alles wat U gezegd hebt, Here.
Stel mij niet teleur.
32 Ik zal de weg van uw wet volgen,
omdat U mij alle levensruimte geeft.
33 Leer mij, Here, hoe ik de weg van uw wet kan volgen.
Dan zal ik mij mijn leven lang daaraan houden.
34 Maak mij verstandig,
want dan kan ik uw wet houden zoals U wilt.
Met mijn hele hart wil ik mij aan uw wet houden.
35 Laat mij lopen op het pad van uw geboden,
dat maakt mij gelukkig.
36 Ik wil zo graag dat mijn hart uitgaat
naar alles wat U gezegd hebt en niet naar geld verdienen.
37 Help mij niet naar zinloze dingen te kijken.
Ik wil in dit leven gelukkig worden door U te volgen.
38 Ik ben uw dienaar en heb diep ontzag voor U.
Wilt U laten blijken dat uw beloften waar zijn?
39 Ik ben bang voor schande.
Neemt U die angst toch weg,
want uw geboden zijn zo goed.
40 Heus, ik verlang naar uw bevelen.
Laat U mij toch zuiver leven door uw rechtvaardigheid.
41 Ik bid dat U mij uw goedheid en liefde laat ervaren, Here.
En bevrijdt U mij zoals U hebt beloofd.
42 Dan weet ik iets terug te zeggen als men mij bespot,
want ik wil alleen zo spreken dat het overeenstemt met uw woord.
43 Laat mij uw woorden van waarheid spreken.
Ik heb vertrouwen in uw besluiten.
44 Ik wil mij onafgebroken houden aan uw wet,
mijn leven lang.
45 Dan ga ik mijn weg onbevangen en zonder belemmering,
omdat ik mij richt naar uw woord.
46 Zelfs voor koningen kan ik dan over uw wet spreken
zonder mij te schamen.
47 Ik geniet van uw wet en houd van haar.
48 Daarom strek ik mijn handen uit naar uw geboden,
waarvan ik zoveel houd.
Dan denk ik rustig na over alles wat U hebt vastgelegd.
49 Denk aan wat U tegen mij hebt gezegd,
ik ben immers uw dienaar en U hebt mij hoop gegeven.
50 Dat troost mij in alle ellende die ik meemaak.
Uw beloften geven mij weer leven.
51 Ongelovigen kunnen mij nog zo bespotten,
ik stap niet af van uw wet.
52 Here, als ik denk aan alles
wat U sinds mensenheugenis hebt voorgeschreven,
voel ik mij getroost.
53 De goddeloze mensen die uw wet links laten liggen,
brengen mij tot grote verontwaardiging.
54 Uw leefregels zijn muziek voor mij,
zolang ik hier op aarde woon,
ik voel mij hier een vreemdeling.
55 Als ik ʼs nachts wakker lig,
denk ik aan uw grote naam, Here,
en ook dan houd ik mij aan uw wetten.
56 Dat heb ik van U ontvangen,
omdat ik uw leefregels zorgvuldig bewaar.
57 De Here heeft Zichzelf aan mij gegeven,
ik heb ook beloofd mij altijd aan uw woord te houden.
58 Ik verlang er met mijn hele hart naar
dat U mij goed gezind bent,
geef mij uw genade zoals U hebt beloofd.
59 Ik denk na over mijn levensweg
en haast mij om uw woord te volgen.
60 Zonder aarzelen haast ik mij
te doen wat U voorschrijft.
61 Hoewel de ongelovigen om mij heen
mij voortdurend willen vangen,
vergeet ik niet wat U in uw wet zegt.
62 Rond middernacht sta ik op om U te prijzen
voor uw rechtvaardige wetten en geboden.
63 Ik ga mijn weg samen met alle mensen
die ook ontzag voor U hebben
en die leven volgens uw gebod.
64 De aarde is vol van uw goedheid en liefde, Here.
Leer mij alles over uw wetten.
65 U hebt mij, uw dienaar, het goede gegeven.
Precies, Here, zoals uw woord dat aangeeft.
66 Geef mij een goed onderscheidingsvermogen en verstand,
want ik stel mijn vertrouwen op uw wet.
67 Voordat ik in moeilijkheden kwam, dwaalde ik vaak van U af.
Maar nu houd ik mij alleen nog aan wat U zegt.
68 U bent een goede God en doet het goede voor de mensen.
Leer mij alles wat U van de mensen wilt.
69 Ongelovigen schuiven mij allerlei leugens in de schoenen,
maar ik houd mij met mijn hele hart vast aan uw wet.
70 Zij hebben harten van steen,
maar ik ervaar vreugde als ik aan uw wet denk.
71 Het is goed dat ik grote moeilijkheden heb doorgemaakt,
want daardoor heb ik U en uw wet beter leren kennen.
72 Uw woorden gaan voor mij ver boven
grote rijkdommen aan goud en zilver.
73 U hebt mij met uw eigen handen gemaakt.
Maak mij verstandig, zodat ik alles over uw wet kan leren.
74 Andere mensen die ook diep ontzag voor U hebben,
zijn blij als zij mij zien en meemaken,
omdat ik op uw woord vertrouw.
75 Here, ik weet dat uw oordeel een rechtvaardig oordeel is.
Dat U mij trouw bleef in al mijn ellende.
76 Ik bid dat uw goedheid en liefde mij zullen troosten.
Dat hebt U mij, uw dienaar, immers beloofd?
77 Laat uw liefdevolle meeleven mij bereiken,
zodat ik leven kan. Ik verheug mij in uw wetten.
78 Laat de ongelovigen toch tot inzicht komen en zich schamen,
omdat zij mij onterecht kwaad deden.
Ik denk voortdurend aan wat U mij hebt opgedragen.
79 Wilt U mensen die diep ontzag voor U koesteren
en uw wet kennen, naar mij toe sturen?
80 Ik wil met volledige toewijding uw wet naleven,
zodat ik mij nooit hoef te schamen.
81 Alles in mij verlangt naar uw bevrijding,
zoals U hebt beloofd.
82 Mijn ogen kijken verlangend uit naar
de vervulling van uw belofte,
wanneer komt U om mij te troosten?
83 Ik ben oud en onaantrekkelijk geworden,
maar toch heb ik uw wet niet vergeten.
84 Hoe lang laat U mij nog in leven?
Wanneer gaat U nu eens wraak nemen op mijn vijanden?
85 Ongelovigen, die zich niet interesseren voor uw wet,
hebben een kuil voor mij gegraven.
86 U bent toch trouw aan alles wat U hebt beloofd?
Help mij toch! Zij achtervolgen mij terwijl ik niets heb gedaan.
87 Het is hun bijna gelukt mij te doden,
maar ik heb mij vastgehouden aan uw bevelen.
88 Laat ik mogen leven
in overeenstemming met uw goedheid en liefde.
Dan zal ik blijven spreken over uw grote daden.
89 Here, uw woord blijft eeuwig bestaan
tot in de hemelen toe.
90 U bewijst uw trouw aan elke generatie.
U hebt ook de aarde gemaakt,
zodat die stevig gegrondvest is.
91 Vandaag de dag staat alles vast volgens uw voorschriften.
Alles is aan U onderworpen.
92 Als ik niet voortdurend de vreugde van uw wet had ervaren,
was ik in alle moeilijkheden ten onder gegaan.
93 Nooit zal ik uw wetten vergeten,
want juist door die wetten hebt U mij het leven weer gegeven.
94 Ik ben uw eigendom, bevrijd mij.
Ik verlang naar uw opdrachten.
95 Ongelovigen zijn er op uit mij te vernietigen,
maar ik let uitsluitend op uw woord.
96 Ik heb gezien hoe alles, hoe geweldig ook,
eens een einde heeft.
Maar ik weet dat uw geboden oneindig zijn.
97 Wat houd ik veel van uw wet!
Ik denk er de hele dag over na.
98 Uw geboden geven mij meer wijsheid
dan mijn vijanden hebben.
Want ik heb ze altijd bij me.
99 Ik heb meer verstand
dan de mensen die mij eens lesgaven,
omdat ik voortdurend uw woorden overdenk.
100 Ik heb meer inzicht
dan de oude mensen,
omdat ik uw bevelen zorgvuldig bewaar.
101 Ik zorg ervoor dat ik niet op het verkeerde pad kom,
zo kan ik mij houden aan uw woord.
102 Ik volg uw voorschriften nauwgezet op,
alles leer ik van U.
103 Alles wat U zegt, is heerlijk om naar te luisteren.
Het klinkt zoeter dan honing.
104 Door uw wet heb ik inzicht gekregen
en daarom haat ik de leugen.
105 Uw woord is een stralend licht,
dat mij de weg door het leven wijst.
106 Ik heb een eed afgelegd
en daar wil ik mij aan houden.
Ik heb daarbij toegezegd dat ik mij altijd
zal houden aan uw rechtvaardige wetten.
107 Ik heb zulke grote moeilijkheden. Here,
geef mij toch het leven weer door uw woord.
108 Ik spreek ongedwongen over U, Here,
en hoop dat U daar genoegen in hebt.
Leer mij alles over uw wetten.
109 Ik zal nooit uw wet vergeten,
ook al is mijn leven voortdurend in gevaar.
110 Ongelovigen proberen mij te vangen,
maar ik blijf bij wat U hebt gezegd.
111 Alles wat U hebt gezegd,
heb ik als een blijvend erfdeel gekregen.
Ik ben er heel erg blij mee.
112 Ik verlang ernaar altijd te doen
wat U hebt gezegd, mijn leven lang.
113 Ik heb een hekel aan aarzelende mensen,
maar houd zielsveel van uw wet.
114 Bij U kan ik schuilen en U beschermt mij.
Ik verwacht het van uw beloften.
115 Kom mij niet te na, misdadigers,
want ik wil mij houden aan het gebod van mijn God.
116 U hebt beloofd mij te zullen ondersteunen.
Doet U dat nu ook, zodat ik blijf leven. Stel mij niet teleur.
117 Geef mij uw kracht en bevrijd mij.
Dan zal ik mij blijven verheugen in uw geboden.
118 Ieder die zich niet aan uw wet houdt,
doet U ver van U weg.
Wat zij zeggen en doen is zinloos.
119 Alle goddelozen op aarde
worden eens door U weggevaagd.
Ook dat is voor mij een reden uw wet lief te hebben.
120 Ik ben bang voor uw oordeel,
mijn hele lichaam trilt van angst.
121 Ik heb altijd eerlijk en oprecht geleefd,
laten mijn vijanden mij niet in hun macht krijgen.
122 Stelt U Zich garant voor mij en zorg ervoor
dat ongelovigen mij niet achtervolgen.
123 Ik verlang ernaar U te zien
en uw rechtvaardig woord te horen.
124 Wilt U met uw goedheid en liefde met mij omgaan
en mij alles leren over uw wetten.
125 Ik ben uw dienaar, maak mij verstandig,
zodat ik uw wetten kan begrijpen.
126 Here, voor U is de tijd aangebroken om op te treden,
want men heeft uw wetten overtreden.
127 Ik houd van uw geboden,
meer dan van het mooiste goud.
128 Daarom geloof ik ook
dat al uw bevelen rechtvaardig zijn,
ik haat de leugen.
129 Alles wat U hebt gezegd, is geweldig en heerlijk.
Daarom onthoud ik alles wat ik van U hoor.
130 Door te luisteren naar uw woord,
komt er licht en duidelijkheid in mijn leven.
Zelfs onverstandige mensen ontwikkelen inzicht.
131 Ik smacht van verlangen
naar alles wat U gebiedt.
132 Kom bij mij en geef mij uw genade.
Mensen die van U houden, mogen zich immers daarop beroepen?
133 Doet U mij wandelen op mijn levenspad, zoals U hebt beloofd.
Houd het onrecht ver van mij.
134 Bevrijd mij uit de onderdrukking van mijn vijanden,
dan zal ik voortaan alles doen wat U hebt bevolen.
135 Ik ben uw dienaar, laat uw licht over mij schijnen
en leer mij alles wat ik van U moet weten.
136 Mijn tranen vloeien als rivieren en mijn verdriet is groot,
omdat mijn volk niet leeft volgens uw wet.
137 Here, U bent rechtvaardig
en uw leefregels zijn betrouwbaar.
138 Toen U ons uw geboden gaf,
was dat in oprechtheid
en het getuigde van uw grote trouw.
139 Ik word beheerst door het verlangen U te dienen,
temeer omdat mijn vijanden U in de steek laten.
140 Uw woorden zijn volkomen zuiver.
Ik, uw dienaar, heb ze van harte lief.
141 Ik ben maar gering en niemand acht mij hoog,
maar ik denk voortdurend aan uw geboden.
142 Uw rechtvaardigheid is eeuwig
en alleen uw wet is de waarheid.
143 Ook al overkomt mij allerlei ellende en achtervolging,
juist dan zijn uw geboden voor mij een vreugde.
144 Alles wat U hebt gezegd, bevat rechtvaardigheid voor altijd.
Als U mij verstandig maakt, kan ik werkelijk leven.
145 Here, ik roep met mijn hele hart naar U,
antwoord mij toch. Ik zal uw geboden naleven.
146 Ik roep naar U, bevrijd mij!
Dan zal ik elk gebod van U in ere houden.
147 Nog voor de zon opkomt, roep ik U te hulp.
Ik verwacht een woord van U.
148 Nog voor de nachtwakers aan het werk gaan,
zie ik al weer uit naar uw belofte.
149 Wilt U met uw liefde en goedheid naar mij luisteren?
Here, als uw recht mij leidt, kan ik leven.
150 Om mij heen zijn mensen die in zonde leven,
van uw wet willen zij niets weten.
151 U bent dichtbij mij, Here.
Ik weet dat al uw woorden waar zijn.
152 Uit uw woorden weet ik dat U van het begin af
aan alles een vaste plaats hebt gegeven.
153 Let toch op mijn moeilijkheden en bevrijd mij.
Ik zal uw wet echt niet vergeten.
154 Wees rechter over mij en red mij.
U hebt beloofd mij nieuw leven te geven.
155 De ongelovigen zullen niet worden gered,
want zij willen zich niet aan uw leefregels houden.
156 Uw liefdevolle meeleven is zo groot, Here.
U hebt bevolen dat ik het leven weer zou krijgen.
157 Het aantal vijanden dat mij achtervolgt, is groot,
toch zal ik niet van uw woorden afwijken.
158 Ik voel weerzin als ik mensen zie die van U zijn afgeweken,
want zij houden zich niet aan wat U zegt.
159 Ziet U wel hoeveel ik van uw wet houd?
Here, laten uw goedheid en liefde weer nieuw leven geven.
160 Nergens in uw woord is iets onwaars, alles is de waarheid.
Al uw rechtvaardige geboden zijn eeuwig.
161 Zonder aanleiding word ik achtervolgd door koningen,
maar uw woord is het enige dat ik vrees, daarvoor heb ik ontzag.
162 Ik ben zo blij met uw woord,
alsof onverwachte rijkdom mij in de schoot valt.
163 Ik heb een hartgrondige hekel aan leugens,
daarentegen houd ik heel veel van uw wet.
164 Zeven keer per dag prijs ik U,
omdat U ons een rechtvaardige wet hebt gegeven.
165 Mensen die van uw wet houden,
ervaren een diepe vrede in het hart.
Er staat hun niets in de weg.
166 Here, ik verwacht alleen uitredding van U
en houd mij aan uw geboden.
167 Ik houd mij met mijn hele wezen aan uw woorden,
ik heb ze oprecht lief.
168 Ik blijf trouw aan uw wetten en regels,
want U weet wat goed voor mij is.
169 Here, ik bid dat U mij zult horen.
Wees trouw aan wat U hebt gezegd en maakt U mij verstandig.
170 Laat mijn aanhoudend bidden U bereiken.
Bevrijd mij zoals U hebt beloofd.
171 Overal waar ik kom, zal ik U steeds prijzen,
want U leert mij alles wat U goed vindt.
172 Ik zal een lied zingen over wat U zegt,
omdat alles wat U gebiedt, rechtvaardig is.
173 Laat uw hand mij te hulp komen,
want ik kies ervoor uw geboden na te volgen.
174 Ik verlang naar uw bevrijding, Here.
Uw wet maakt mij gelukkig.
175 Laat mij leven en U prijzen.
Laten uw leefregels mij tot steun zijn.
176 Soms dwaal ik rond als een schaap
dat de herder niet meer kan vinden.
Zoekt U mij dan op,
ik zal uw geboden nooit vergeten.

Bíbélì Mímọ́ Yorùbá Òde Òn

Saamu 119

1Ìbùkún ni fún àwọn ẹni tí ọ̀nà wọn wà láìlẹ́ṣẹ̀,
    ẹni tí í rìn ní ìbámu pẹ̀lú òfin Olúwa,
Ìbùkún ni fún àwọn ẹni tí ń pa òfin rẹ̀ mọ́
    tí wọn sì ń wá a pẹ̀lú gbogbo ọkàn wọn.
Wọn kò ṣe ohun tí kò dára;
    wọ́n rìn ní ọ̀nà rẹ̀.
Ìwọ ti la ìlànà rẹ̀ sílẹ̀
    kí a sì pa wọ́n mọ́ gidigidi.
Ọ̀nà mi ìbá dúró ṣinṣin
    láti máa pa òfin rẹ̀ mọ́!
Nígbà náà, ojú kò ní tì mí
    nígbà tí mo bá ń kíyèsi àṣẹ rẹ̀ gbogbo.
Èmi yóò yìn ọ́ pẹ̀lú ọkàn ìdúró ṣinṣin
    bí èmi bá ti kọ́ òfin òdodo rẹ̀.
Èmi yóò gbọ́rọ̀ sí àṣẹ rẹ̀:
    Má ṣe kọ̀ mí sílẹ̀ pátápátá.

Báwo ni àwọn ọ̀dọ́ yóò ti ṣe pa ọ̀nà rẹ̀ mọ́?
Láti máa gbé ní ìbámu sí ọ̀rọ̀ rẹ.
10 Èmi wá ọ pẹ̀lú gbogbo ọkàn mi
    má ṣe jẹ́ kí èmi yapa kúrò nínú àṣẹ rẹ.
11 Èmi ti pa ọ̀rọ̀ rẹ mọ́ ní ọkàn mi
    kí èmi má ba à ṣẹ̀ sí ọ
12 Ìyìn ni fún Olúwa;
    kọ́ mi ní àṣẹ rẹ.
13 Pẹ̀lú ètè mi èmi tún ṣírò
    gbogbo òfin tí ó wá láti ẹnu rẹ.
14 Èmi ń yọ̀ ní ọ̀nà ẹ̀rí rẹ,
    bí ènìyàn ṣe ń yọ̀ nínú ọláńlá.
15 Èmi ń ṣe àṣàrò nínú ìlànà rẹ
    èmi sì kíyèsi ọ̀nà rẹ
16 Inú mi dùn sí àṣẹ rẹ;
    èmi kì yóò gbàgbé ọ̀nà rẹ.

Ohun ìyanu tí o wà nínú òfin rẹ̀

17 Ṣe rere sí ìránṣẹ́ rẹ, èmi yóò sì wà láààyè;
    èmi yóò ṣe ìgbọ́ràn sí ọ̀rọ̀ rẹ.
18 La ojú mi kí èmi lè ríran rí
    ohun ìyanu tí ó wà nínú òfin rẹ.
19 Àlejò ní èmi jẹ́ láyé;
    Má ṣe pa àṣẹ rẹ mọ́ fún mi.
20 Ọkàn mi pòruurù pẹ̀lú ìfojúsọ́nà
    nítorí òfin rẹ nígbà gbogbo.
21 Ìwọ fi àwọn agbéraga bú, àwọn tí a fi gégùn ún
    tí ó ṣìnà kúrò nínú àṣẹ rẹ.
22 Mú ẹ̀gàn àti àbùkù kúrò lára mi,
    nítorí èmi pa òfin rẹ mọ́.
23 Bí ó tilẹ̀ jẹ́ pé àwọn alákòóso kójọpọ̀, wọ́n
    ń sọ̀rọ̀ ìbàjẹ́ sí mi,
    ṣùgbọ́n ìránṣẹ́ rẹ ń ṣe àṣàrò nínú àṣẹ rẹ.
24 Òfin rẹ ni dídùn inú mi;
    àwọn ní olùbádámọ̀ràn mi.

Àdúrà láti ní òye ọ̀rọ̀ Ọlọ́run

25 Ọkàn mí lẹ̀ mọ́ erùpẹ̀;
    ìwọ sọ mí di ààyè gẹ́gẹ́ bí ọ̀rọ̀ rẹ.
26 Èmi tún ọ̀nà mi ṣírò ìwọ sì dá mi lóhùn;
    kọ́ mi ní àṣẹ rẹ.
27 Jẹ́ kí n mọ ẹ̀kọ́ ìlànà rẹ:
    nígbà náà ni èmi yóò ṣe àṣàrò iṣẹ́ ìyanu rẹ.
28 Ọkàn mi ń ṣe àárẹ̀ pẹ̀lú ìbànújẹ́;
    fi agbára fún mi gẹ́gẹ́ bí ọ̀rọ̀ rẹ.
29 Pa mí mọ́ kúrò nínú ọ̀nà ẹ̀tàn
    fún mi ní oore-ọ̀fẹ́ nípa òfin rẹ.
30 Èmi ti yan ọ̀nà òtítọ́
    èmi ti gbé ọkàn mi lé òfin rẹ.
31 Èmi yára di òfin rẹ mú. Olúwa
    má ṣe jẹ́ kí ojú kí ó tì mí.
32 Èmi sáré ní ipa ọ̀nà àṣẹ rẹ,
    nítorí ìwọ, ti tú ọkàn mi sílẹ̀.

Ìlérí Ọlọ́run fún aláforítì

33 Kọ́ mi, Olúwa, láti tẹ̀lé àṣẹ rẹ;
    nígbà náà ni èmi yóò pa wọ́n mọ́ dé òpin.
34 Fún mi ní òye, èmi yóò sì pa òfin rẹ mọ́
    èmi yóò sì máa kíyèsi i pẹ̀lú ọkàn mi.
35 Fi ipa ọ̀nà àṣẹ rẹ hàn mí,
    nítorí nínú rẹ̀ ni èmi rí inú dídùn.
36 Yí ọkàn mi padà sí òfin rẹ
    kí ó má ṣe sí ojúkòkòrò mọ́.
37 Yí ojú mi padà kúrò láti máa wo ohun asán:
    pa ọ̀nà mi mọ́ gẹ́gẹ́ bí ọ̀rọ̀ rẹ.
38 Mú ìlérí rẹ sẹ sí ìránṣẹ́ rẹ,
    nítorí òfin rẹ dára.
39 Yí ẹ̀gàn mi padà tí mo bẹ̀rù
    nítorí tí ìdájọ́ rẹ dára.
40 Kíyèsi i, ọkàn mi ti fà sí ẹ̀kọ́ rẹ!
    Pa ayé mi mọ́ nínú òdodo rẹ.

Ìgbàlà láti inú òfin Ọlọ́run

41 Jẹ́ kí ìfẹ́ rẹ tí kì í kùnà wá bá mi, Olúwa,
    ìgbàlà rẹ gẹ́gẹ́ bí ìpinnu rẹ;
42 Nígbà náà ni èmi yóò dá
    ẹni tí ń sọ̀rọ̀ ẹ̀gàn sí mi lóhùn,
    nítorí èmi gbẹ́kẹ̀lé ọ̀rọ̀ rẹ.
43 Má ṣe gba ọ̀rọ̀ òtítọ́ láti ẹnu mi
    nítorí èmi ti gbé ìrètí mi sínú àṣẹ rẹ
44 Èmi yóò máa gbọ́rọ̀ sí òfin rẹ nígbà gbogbo
    láé àti láéláé.
45 Èmi yóò máa rìn káàkiri ní òmìnira,
    nítorí èmi ti kígbe ẹ̀kọ́ rẹ jáde.
46 Èmi yóò sọ̀rọ̀ òfin rẹ níwájú àwọn ọba
    ojú kì yóò sì tì mí,
47 Nítorí èmi ní inú dídùn nínú àṣẹ rẹ
    nítorí èmi ní ìfẹ́ wọn.
48 Èmi gbé ọwọ́ mi sókè nítorí àṣẹ rẹ, èyí tí èmi fẹ́ràn,
    èmi sì ń ṣe àṣàrò òfin rẹ̀.

Òfin Ọlọ́run ní ìrètí

49 Rántí ọ̀rọ̀ rẹ sí ìránṣẹ́ rẹ,
    nítorí ìwọ ti fún mi ní ìrètí.
50 Ìtùnú mi nínú ìpọ́njú mi ni èyí:
    ìpinnu rẹ pa ayé mi mọ́.
51 Àwọn agbéraga fi mí ṣe ẹlẹ́yà láì dádúró,
    ṣùgbọ́n èmi kò padà nínú òfin rẹ.
52 Èmi rántí àwọn òfin rẹ ìgbàanì, Olúwa,
    èmi sì rí ìtùnú nínú wọn.
53 Ìbínú dì mímú ṣinṣin nítorí àwọn ẹni búburú,
    tí wọ́n ti kọ òfin rẹ sílẹ̀.
54 Òfin rẹ ni ọ̀rọ̀ ìpìlẹ̀ orin mi
    níbikíbi tí èmi ń gbé.
55 Ní òru èmi rántí orúkọ rẹ, Olúwa,
    èmi yóò sì pa òfin rẹ mọ́
56 nítorí tí mo
    gba ẹ̀kọ́ rẹ gbọ́.

Ọlọ́run ni ìpín wa

57 Ìwọ ni ìpín mi, Olúwa:
    èmi ti pinnu láti tẹríba sí ọ̀rọ̀ rẹ.
58 Èmi ti wá ojú rẹ pẹ̀lú gbogbo ọkàn mi:
    fún mi ní oore-ọ̀fẹ́ gẹ́gẹ́ bí ìpinnu rẹ.
59 Èmi ti kíyèsi ọ̀nà mi
    èmi sì ti gbé ìgbésẹ̀ mi sí òfin rẹ.
60 Èmi yóò yára, ń kò ni lọ́ra
    láti gbọ́rọ̀ sí àṣẹ rẹ.
61 Bí ó tilẹ̀ jẹ́ pé àwọn ẹni búburú dì mí pẹ̀lú okùn,
    èmi kò ní gbàgbé òfin rẹ.
62 Ní àárín ọ̀gànjọ́ òru èmi dìde láti fi ọpẹ́ fún ọ
    nítorí òfin òdodo rẹ.
63 Èmi jẹ́ ọ̀rẹ́ sí gbogbo àwọn tí ó bẹ̀rù rẹ,
    sí gbogbo àwọn tí ń tẹ̀lé ẹ̀kọ́ rẹ.
64 Ayé kún fún ìfẹ́ rẹ Olúwa
    Kọ́ mi ní òfin rẹ.

Ìpọ́njú mu ni mọ òfin Ọlọ́run

65 Ṣe rere sí ìránṣẹ́ rẹ
    gẹ́gẹ́ bí ọ̀rọ̀ rẹ, Olúwa.
66 Kọ́ mi ní ìmọ̀ àti ìdájọ́ rere,
    nítorí mo gbàgbọ́ nínú àṣẹ rẹ.
67 Kí a tó pọ́n mi lójú èmi ti ṣìnà,
    ṣùgbọ́n ni ìsinsin yìí èmi gbọ́rọ̀ sí ọ̀rọ̀ rẹ.
68 Ìwọ dára, ohun tí ìwọ sì ń ṣe rere ni;
    kọ́ mi ní ìlànà rẹ.
69 Bí ó tilẹ̀ jẹ́ pé àwọn agbéraga ti gbìmọ̀ èké sí mí,
    èmi pa ẹ̀kọ́ rẹ mọ́ pẹ̀lú gbogbo ọkàn mi.
70 Ọkàn wọn yigbì kò sì ní àánú,
    ṣùgbọ́n èmi ní inú dídùn nínú òfin rẹ.
71 Ó dára fún mi kí a pọ́n mi lójú
    nítorí kí èmi lè kọ́ òfin rẹ.
72 Òfin tí ó jáde láti ẹnu rẹ ju iyebíye sí mi lọ
    ó ju ẹgbẹ̀rún ẹyọ fàdákà àti wúrà lọ.

Ẹlẹgbẹ́ mi ni àwọn tó mọ òfin Olúwa

73 Ọwọ́ rẹ ni ó dá mi tí ó sì mọ mí;
    fún mi ní òye láti kọ́ àṣẹ rẹ.
74 Jẹ́ kí gbogbo àwọn tí ó bẹ̀rù rẹ máa yọ̀ nígbà tí wọ́n bá rí mi,
    nítorí èmi ti mú ìrètí mi sínú ọ̀rọ̀ rẹ.
75 Èmi mọ, Olúwa, nítorí òfin rẹ òdodo ni,
    àti ní òtítọ́ ni ìwọ pọ́n mi lójú.
76 Kí ìfẹ́ rẹ tí kì í kùnà jẹ́ ìtùnú mi,
    gẹ́gẹ́ bí ìpinnu rẹ sí ìránṣẹ́ rẹ.
77 Jẹ́ kí àánú rẹ kí ó tọ̀ mí wá, kí èmi kí ó lè yè,
    nítorí òfin rẹ jẹ́ ìdùnnú mi.
78 Kí ojú kí ó ti àwọn agbéraga
    nítorí wọn pa mí lára láìnídìí
    ṣùgbọ́n èmi yóò máa ṣe àṣàrò nínú ẹ̀kọ́ rẹ.
79 Kí àwọn tí ó bẹ̀rù rẹ yí padà sí mi,
    àwọn tí ó ní òye òfin rẹ.
80 Jẹ́ kí ọkàn mi wà láìlẹ́bi sí òfin rẹ,
    kí ojú kí ó má ṣe tì mí.

Wíwá àlàáfíà

81 Ọkàn mi ń fojú ṣọ́nà nítorí ìgbàlà rẹ,
    ṣùgbọ́n èmi ti fi ìrètí mi sínú ọ̀rọ̀ rẹ.
82 Ojú mi kùnà, pẹ̀lú wíwo ìpinnu rẹ;
    èmi wí pé, “Nígbà wo ni ìwọ yóò tù mí nínú?”
83 Bí ó tilẹ̀ jẹ́ pé èmi dàbí awọ-wáìnì lójú èéfín,
    èmi kò gbàgbé ìlànà rẹ.
84 Báwo ni ìránṣẹ́ rẹ̀ yóò ṣe dúró pẹ́ tó?
    Nígbà wo ni ìwọ yóò bá àwọn
    tí ń ṣe inúnibíni sí mi wí?
85 Àwọn agbéraga wa ihò ìṣubú fún mi,
    tí ó lòdì sí òfin rẹ.
86 Gbogbo àṣẹ rẹ yẹ ní ìgbẹ́kẹ̀lé:
    ràn mí lọ́wọ́, nítorí ènìyàn
    ń ṣe inúnibíni sí mi láìnídìí.
87 Wọ́n fẹ́rẹ pa mí rẹ́ kúrò nínú ayé,
    ṣùgbọ́n èmi kò kọ ẹ̀kọ́ rẹ.
88 Pa ayé mi mọ́ gẹ́gẹ́ bí ìfẹ́ rẹ,
    èmi yóò sì gba ẹ̀rí ẹnu rẹ̀ gbọ́.

Ọ̀rọ̀ Olúwa dúró títí láé

89 Ọ̀rọ̀ rẹ, Olúwa, títí láé ni;
    ó dúró ṣinṣin ní ọ̀run
90 Òtítọ́ rẹ̀ ń lọ dé gbogbo ìran dé ìran;
    ìwọ ti dá ayé, ó sì dúró ṣinṣin.
91 Òfin rẹ dúró di òní
    nítorí ohun gbogbo ń sìn ọ́.
92 Bí òfin rẹ̀ kò bá jẹ́ dídùn inú mi,
    èmi ìbá ti ṣègbé nínú ìpọ́njú mi.
93 Èmi kì yóò gbàgbé ẹ̀kọ́ rẹ láé,
    nítorí nípa wọn ni ìwọ ti pa ayé mi mọ́
94 Gbà mí, nítorí èmi jẹ́ tìrẹ
    èmi ti wá ẹ̀kọ́ rẹ.
95 Àwọn ẹni búburú dúró láti pa mí run,
    ṣùgbọ́n èmi yóò kíyèsi ẹ̀rí rẹ.
96 Sí ohun pípé gbogbo èmi ti rí òpin;
    ṣùgbọ́n àṣẹ rẹ aláìlópin ni.

Òfin Olúwa ni ìfẹ́ pípé

97 Báwo ni èmi ti fẹ́ òfin rẹ tó!
    Èmi ń ṣe àṣàrò nínú rẹ̀
ní gbogbo ọjọ́ pípẹ́ wá.
98 Àṣẹ rẹ mú mi gbọ́n ju àwọn ọ̀tá mi lọ,
    nítorí wọ́n wà pẹ̀lú mi láé.
99 Èmi ní iyè inú ju gbogbo olùkọ́ mi lọ,
    nítorí èmi ń ṣe àṣàrò nínú òfin rẹ.
100 Èmi ni òye ju àwọn àgbà lọ,
    nítorí mo gba ẹ̀kọ́ rẹ.
101 Èmi ti pa ẹsẹ̀ mi mọ́ nínú gbogbo ọ̀nà ibi
    nítorí kí èmi lè gba ọ̀rọ̀ rẹ.
102 Èmi kò yà kúrò nínú òfin rẹ,
    nítorí ìwọ fúnrarẹ̀ ni ó kọ́ mi.
103 Báwo ni ọ̀rọ̀ rẹ̀ ṣe dùn mọ́ mi lẹ́nu tó,
    ó dùn ju oyin lọ ní ẹnu mi!
104 Èmi rí òye gbà nínú ẹ̀kọ́ rẹ;
    nítorí náà èmi kórìíra gbogbo ọ̀nà tí kò tọ́.

Òfin Olúwa ni fìtílà mi

105 Ọ̀rọ̀ rẹ ni fìtílà sí ẹsẹ̀ mi
    àti ìmọ́lẹ̀ sí ipa ọ̀nà mi
106 Èmi ti ṣe ìbúra èmi sì ti tẹnumọ́ ọn
    wí pé èmi yóò máa tẹ̀lé òfin òdodo rẹ.
107 A pọ́n mi lójú gidigidi;
    Olúwa, sọ mi di ààyè, gẹ́gẹ́ bi ọ̀rọ̀ rẹ
108 Olúwa, gba ìyìn àtinúwá ẹnu mi,
    kí o sì kọ́ mi ní òfin rẹ̀.
109 Bí ó tilẹ̀ jẹ́ pé ayé mi wà ni ọwọ́ mi
    nígbà gbogbo,
    èmi kò ní gbàgbé òfin rẹ.
110 Àwọn ẹni búburú ti dẹ okùn sílẹ̀ fún mi,
    ṣùgbọ́n èmi kò ṣìnà kúrò nínú ẹ̀kọ́ rẹ.
111 Òfin rẹ ni ogún mi láéláé;
    àwọn ni ayọ̀ ọkàn mi.
112 Ọkàn mi ti lé pípa òfin rẹ mọ́
    láé dé òpin.

Òfin Olúwa ni Ààbò mi

113 Èmi kórìíra àwọn ọlọ́kàn méjì,
    ṣùgbọ́n èmi fẹ́ òfin rẹ.
114 Ìwọ ni ààbò mi àti asà mi;
    èmi ti mú ìrètí mi sínú ọ̀rọ̀ rẹ.
115 Ẹ kúrò lọ́dọ̀ mi, ẹ̀yin olùṣe búburú,
    kí èmi lè pa àṣẹ Ọlọ́run mi mọ́!
116 Gbé mi sókè gẹ́gẹ́ bí ọ̀rọ̀ rẹ,
    kí èmi kí ó lè yè
    Má sì jẹ́ kí ojú ìrètí mi kí ó tì mí.
117 Gbé mi sókè, èmí yóò sì wa láìléwu;
    nígbà gbogbo ni èmi yóò máa júbà òfin rẹ.
118 Ìwọ kọ gbogbo àwọn tí ó ṣìnà kúrò nínú òfin rẹ,
    nítorí ẹ̀tàn wọn asán ni.
119 Gbogbo àwọn ẹni búburú ní ayé ni ìwọ yọ kúrò bí i ìdàrọ́;
    nítorí náà, èmi fẹ́ òfin rẹ̀.
120 Ara mi wárìrì ní ìbẹ̀rù nítorí rẹ̀:
    èmi dúró ní ìbẹ̀rù òfin rẹ.

Olórin pa òfin Olúwa mọ́

121 Èmi ti ṣe ohun tí i ṣe òdodo àti ẹ̀tọ́:
    má ṣe fi mí sílẹ̀ fún àwọn tó ń ni mí lára.
122 Mú kí àlàáfíà ìránṣẹ́ rẹ dájú:
    má ṣe jẹ́ kí àwọn agbéraga ni mi lára.
123 Ojú mi kùnà, fún wíwo ìgbàlà rẹ,
    fún wíwo ìpinnu òdodo rẹ.
124 Ṣe pẹ̀lú ìránṣẹ́ rẹ gẹ́gẹ́ bí dídúró ṣinṣin ìfẹ́ rẹ
    kí o sì kọ́ mi ní àṣẹ rẹ.
125 Èmi ni ìránṣẹ́ rẹ; ẹ fún mi ní òye
    kí èmi lè ní òye òfin rẹ
126 Ó tó àsìkò fún ọ láti ṣe iṣẹ́, Olúwa;
    nítorí òfin rẹ ti fọ́.
127 Nítorí èmi fẹ́ràn àṣẹ rẹ
    ju wúrà, àní ju wúrà dídára lọ,
128 Nítorí èmi kíyèsi gbogbo ẹ̀kọ́ òtítọ́ rẹ̀,
    èmi kórìíra gbogbo ipa ọ̀nà búburú.

Àdúrà láti lè pa òfin Olúwa mọ́

129 Òfin rẹ̀ ìyanu ni:
    nítorí náà èmi gbà wọ́n gbọ́.
130 Ìṣípayá ọ̀rọ̀ rẹ̀ mú ìmọ́lẹ̀ wá;
    ó fi òye fún àwọn òpè.
131 Èmi ya ẹnu mi mo sì mí hẹlẹ,
    nítorí èmi fojú ṣọ́nà sí àṣẹ rẹ.
132 Yí padà sí mi kí o sì ṣàánú fún mi,
    bí ìwọ ṣe máa ń ṣe nígbà gbogbo sí àwọn
    tí ó fẹ́ràn orúkọ rẹ.
133 Fi ìṣísẹ̀ mi múlẹ̀ nínú ọ̀rọ̀ rẹ,
    má ṣe jẹ́ kí ẹ̀ṣẹ̀ borí mi.
134 Rà mí padà lọ́wọ́ aninilára ènìyàn,
    kí èmi lè gbọ́ ẹ̀kọ́ rẹ.
135 Jẹ́ kí ojú rẹ kí ó tàn sí ìránṣẹ́ rẹ lára
    kí ó sì kọ́ mi ní àṣẹ rẹ.
136 Omijé sàn jáde ní ojú mi,
    nítorí wọn kò gba pé òfin rẹ̀ jẹ́ òtítọ́.
137 Olódodo ni ìwọ Olúwa
    ìdájọ́ rẹ sì dúró ṣinṣin
138 Òfin ti ìwọ gbé kalẹ̀ jẹ́ òdodo:
    wọ́n yẹ ni ìgbẹ́kẹ̀lé.
139 Ìtara mi ti pa mí run,
    nítorí àwọn ọ̀tá mi fi ojú fo ọ̀rọ̀ rẹ dá.
140 Wọ́n ti dán ìpinnu rẹ wò pátápátá
    ìránṣẹ́ rẹ sì fẹ́ràn wọ́n.
141 Bí ó tilẹ̀ jẹ́ pé èmi jẹ́ onírẹ̀lẹ̀ àti ẹni ẹ̀gàn
    èmi kò ni gbàgbé ẹ̀kọ́ rẹ.
142 Òdodo rẹ wà títí láé
    òtítọ́ ni òfin rẹ̀.
143 Ìyọnu àti ìpọ́njú wá sórí mi,
    ṣùgbọ́n àṣẹ rẹ ni inú dídùn mi,
144 Òfin rẹ jẹ́ òtítọ́ láé;
    fún mi ní òye kí èmi lè yè.

Kíkígbe fún ìgbàlà

145 Èmi kígbe pẹ̀lú gbogbo ọkàn mi:
    dá mi lóhùn Olúwa,
    èmi yóò sì gbọ́rọ̀ sí àṣẹ rẹ.
146 Èmi kígbe pè ọ́; gbà mí
    èmi yóò sì pa òfin rẹ mọ́.
147 Èmi dìde ṣáájú àfẹ̀mọ́júmọ́ èmi ké fún ìrànlọ́wọ́;
    èmi ti mú ìrètí mi sínú ọ̀rọ̀ rẹ.
148 Ojú mi ṣáájú ìṣọ́ òru,
    nítorí kí èmi lè ṣe àṣàrò nínú ọ̀rọ̀ rẹ.
149 Gbọ́ ohùn mi ní ìṣọ̀kan pẹ̀lú ìfẹ́ rẹ:
    pa ayé mi mọ́, Olúwa, gẹ́gẹ́ bí òfin rẹ.
150 Àwọn tí ń gbìmọ̀ ìlànà búburú wà ní tòsí,
    ṣùgbọ́n wọ́n jìnnà sí òfin rẹ.
151 Síbẹ̀ ìwọ wà ní tòsí, Olúwa,
    àti gbogbo àṣẹ rẹ jẹ́ òtítọ́.
152 Láti ọjọ́ pípẹ́ wá èmi ti kọ́ nínú òfin rẹ
    tí ìwọ ti fi ìdí wọn múlẹ̀ láéláé.

Pípa òfin mọ́ ni ìpọ́njú

153 Wo ìpọ́njú mi kí o sì gbà mí,
    nítorí èmi kò gbàgbé òfin rẹ.
154 Gba ẹjọ́ mi rò kí o sì rà mí padà;
    pa ayé mi mọ́ gẹ́gẹ́ bí ìpinnu rẹ.
155 Ìgbàlà jìnnà sí àwọn ẹni búburú
    nítorí wọn kò wá àṣẹ rẹ.
156 Ìyọ́nú rẹ̀ tóbi, Olúwa;
    pa ayé mi mọ́ gẹ́gẹ́ bí òfin rẹ.
157 Ọ̀pọ̀lọpọ̀ ni àwọn ọ̀tá tí wọ́n ń ṣe inúnibíni sí mi,
    ṣùgbọ́n èmi kò tí ì yípadà kúrò nínú òfin rẹ.
158 Èmi wo àwọn ẹlẹ́tàn, inú mi sì bàjẹ́
    nítorí wọn kò gba ọ̀rọ̀ rẹ gbọ́.
159 Wo bí èmi ṣe fẹ́ràn ẹ̀kọ́ rẹ;
    pa ayé mi mọ́, Olúwa, gẹ́gẹ́ bí ìfẹ́ rẹ.
160 Òtítọ́ ni gbogbo ọ̀rọ̀ rẹ;
    gbogbo òfin òdodo rẹ láéláé ni.
161 Àwọn alákòóso ṣe inúnibíni sí mi láìnídìí,
    ṣùgbọ́n ọkàn mi wárìrì sí ọ̀rọ̀ rẹ.
162 Èmi yọ̀ nínú ìpinnu rẹ
    bí ẹni tí ó rí ìkógun púpọ̀.
163 Èmi kórìíra mo sì kọ èké ṣíṣe
    ṣùgbọ́n mo fẹ́ràn òfin rẹ.
164 Èmi yìn ọ́ ní ìgbà méje lójúmọ́
    nítorí òfin òdodo rẹ.
165 Àlàáfíà púpọ̀ wà fún àwọn tí ó ní ìfẹ́ sí òfin rẹ,
    kò sì ṣí ohun tí ó lè mú wọn kọsẹ̀.
166 Èmi yóò dúró de ìgbàlà rẹ, Olúwa,
    èmi yóò sì tẹ̀lé àṣẹ rẹ.
167 Èmi gba òfin rẹ gbọ́,
    nítorí mo fẹ́ràn wọn púpọ̀púpọ̀
168 Èmi ṣe ìgbọ́ràn sí ẹ̀kọ́ rẹ àti òfin rẹ,
    nítorí ìwọ mọ gbogbo ọ̀nà mi.
169 Jẹ́ kí igbe mi wá sí iwájú rẹ, Olúwa;
    fún mi ní òye gẹ́gẹ́ bí ọ̀rọ̀ rẹ.
170 Jẹ́ kí ẹ̀bẹ̀ mi wá sí iwájú rẹ;
    gbà mí gẹ́gẹ́ bí ìpinnu rẹ.
171 Ètè mi yóò sọ ìyìn jáde,
    nítorí ìwọ kọ́ mi ní ìlànà rẹ.
172 Jẹ́ kí ahọ́n mi kọ orin ọ̀rọ̀ rẹ,
    nítorí gbogbo àṣẹ rẹ jẹ́ òdodo.
173 Jẹ́ kí ọwọ́ rẹ ṣetán láti ràn mí lọ́wọ́,
    nítorí èmi ti yan ẹ̀kọ́ rẹ.
174 Èmi wo ọ̀nà fún ìgbàlà rẹ, Olúwa,
    àti òfin rẹ jẹ́ dídùn inú mi.
175 Jẹ́ kí èmi wà láààyè ki èmi lè yìn ọ́,
    kí o sì jẹ́ kí òfin rẹ mú mi dúró.
176 Èmí ti ṣìnà bí àgùntàn tí ó
    sọnù, wá ìránṣẹ́ rẹ,
    nítorí èmi kò gbàgbé àṣẹ rẹ.