Het Boek

Psalmen 119:1-150

1Gelukkig zijn de mensen die een zuiver leven leiden

en zich houden aan de wet van de Here.

2Gelukkig zijn de mensen die Hem dienen

en zijn woord bewaren in hun hart.

3Gelukkig zijn de mensen die geen misdaden begaan,

maar leven zoals God wil.

4U hebt ons uw bevelen gegeven

met de bedoeling dat wij ons daaraan houden.

5Ik wilde wel dat ik zo standvastig was,

dat ik altijd uw regels zou naleven.

6Dan zou ik mij nooit hoeven schamen

als ik uw wet las.

7Met een eerlijk en oprecht hart zal ik U prijzen,

als ik anderen lesgeef over rechtvaardige wetten.

8Ik zal mij houden aan uw leefregels.

Laat mij niet in de steek.

9Hoe kan een jonge man zuiver leven?

Als hij zich laat leiden door uw woord.

10Met mijn hele hart wil ik U volgen.

Helpt U mij om niet van U af te dwalen.

11Ik vul mijn hart met uw woorden, dat is de enige manier

om niet te zondigen en U geen verdriet te doen.

12Here, U bent het zo waard te worden geprezen!

Leer mij alles over uw wet.

13Ik spreek over alle wetten

die U hebt gemaakt.

14Ik ben zo blij als ik veel over U mag spreken.

Dat geeft mij meer vreugde dan aardse rijkdom.

15Ik wil blijven nadenken over uw leefregels

en zal U trouw volgen.

16Uw gebod geeft mij de grootste vreugde.

Ik zal uw woord nooit vergeten.

17Ik ben uw dienaar, bewaart U mij,

dan kan ik mij mijn hele leven houden aan uw woord.

18Open mijn ogen,

zodat ik alle wonderen in uw wet kan ontdekken.

19Hier op aarde voel ik mij slechts een vreemdeling,

laat uw gebod niet voor mij zijn verborgen.

20Alles in mij verlangt

voortdurend naar uw voorschriften.

21Mensen die eigenzinnig van uw wet afdwalen,

worden door U bedreigd en zijn al vervloekt.

22Wilt U elke vorm van spot en schande bij mij weghouden,

want ik ben trouw aan alles wat U zegt.

23Zelfs al zouden koningen gezamenlijk een aanslag op mij beramen,

dan nog zou ik, uw dienaar, alleen maar uw wetten overdenken.

24Alles wat U hebt gezegd en wat in uw woord staat,

is voor mij een grote vreugde

en ik laat mij door uw woorden raad geven.

25Ik merk hoe mijn hart aan deze aarde hangt,

geef mij het leven door uw woord.

26Ik heb U alles verteld wat ik heb gedaan

en U hebt mij ook antwoord gegeven.

Leer mij nu hoe ik naar uw wil kan leven.

27Laat mij begrijpen wat U in uw wet bedoelt,

zodat ik kan nadenken over alle wonderen die U doet.

28Mijn hart huilt van verdriet en wanhoop,

helpt U mij overeind door uw woord.

29Wilt U mij op het rechte pad houden?

Geef mij in uw genade uw wetten.

30Ik kies ervoor de waarheid te volgen.

Daarom denk ik voortdurend aan uw leefregels.

31Ik houd mij vast aan alles wat U gezegd hebt, Here.

Stel mij niet teleur.

32Ik zal de weg van uw wet volgen,

omdat U mij alle levensruimte geeft.

33Leer mij, Here, hoe ik de weg van uw wet kan volgen.

Dan zal ik mij mijn leven lang daaraan houden.

34Maak mij verstandig,

want dan kan ik uw wet houden zoals U wilt.

Met mijn hele hart wil ik mij aan uw wet houden.

35Laat mij lopen op het pad van uw geboden,

dat maakt mij gelukkig.

36Ik wil zo graag dat mijn hart uitgaat

naar alles wat U gezegd hebt en niet naar geld verdienen.

37Help mij niet naar zinloze dingen te kijken.

Ik wil in dit leven gelukkig worden door U te volgen.

38Ik ben uw dienaar en heb diep ontzag voor U.

Wilt U laten blijken dat uw beloften waar zijn?

39Ik ben bang voor schande.

Neemt U die angst toch weg,

want uw geboden zijn zo goed.

40Heus, ik verlang naar uw bevelen.

Laat U mij toch zuiver leven door uw rechtvaardigheid.

41Ik bid dat U mij uw goedheid en liefde laat ervaren, Here.

En bevrijdt U mij zoals U hebt beloofd.

42Dan weet ik iets terug te zeggen als men mij bespot,

want ik wil alleen zo spreken dat het overeenstemt met uw woord.

43Laat mij uw woorden van waarheid spreken.

Ik heb vertrouwen in uw besluiten.

44Ik wil mij onafgebroken houden aan uw wet,

mijn leven lang.

45Dan ga ik mijn weg onbevangen en zonder belemmering,

omdat ik mij richt naar uw woord.

46Zelfs voor koningen kan ik dan over uw wet spreken

zonder mij te schamen.

47Ik geniet van uw wet en houd van haar.

48Daarom strek ik mijn handen uit naar uw geboden,

waarvan ik zoveel houd.

Dan denk ik rustig na over alles wat U hebt vastgelegd.

49Denk aan wat U tegen mij hebt gezegd,

ik ben immers uw dienaar en U hebt mij hoop gegeven.

50Dat troost mij in alle ellende die ik meemaak.

Uw beloften geven mij weer leven.

51Ongelovigen kunnen mij nog zo bespotten,

ik stap niet af van uw wet.

52Here, als ik denk aan alles

wat U sinds mensenheugenis hebt voorgeschreven,

voel ik mij getroost.

53De goddeloze mensen die uw wet links laten liggen,

brengen mij tot grote verontwaardiging.

54Uw leefregels zijn muziek voor mij,

zolang ik hier op aarde woon,

ik voel mij hier een vreemdeling.

55Als ik ʼs nachts wakker lig,

denk ik aan uw grote naam, Here,

en ook dan houd ik mij aan uw wetten.

56Dat heb ik van U ontvangen,

omdat ik uw leefregels zorgvuldig bewaar.

57De Here heeft Zichzelf aan mij gegeven,

ik heb ook beloofd mij altijd aan uw woord te houden.

58Ik verlang er met mijn hele hart naar

dat U mij goedgezind bent,

geef mij uw genade zoals U hebt beloofd.

59Ik denk na over mijn levensweg

en haast mij om uw woord te volgen.

60Zonder aarzelen haast ik mij

te doen wat U voorschrijft.

61Hoewel de ongelovigen om mij heen

mij voortdurend willen vangen,

vergeet ik niet wat U in uw wet zegt.

62Rond middernacht sta ik op om U te prijzen

voor uw rechtvaardige wetten en geboden.

63Ik ga mijn weg samen met alle mensen

die ook ontzag voor U hebben

en die leven volgens uw gebod.

64De aarde is vol van uw goedheid en liefde, Here.

Leer mij alles over uw wetten.

65U hebt mij, uw dienaar, het goede gegeven.

Precies, Here, zoals uw woord dat aangeeft.

66Geef mij een goed onderscheidingsvermogen en verstand,

want ik stel mijn vertrouwen op uw wet.

67Voordat ik in moeilijkheden kwam, dwaalde ik vaak van U af.

Maar nu houd ik mij alleen nog aan wat U zegt.

68U bent een goede God en doet het goede voor de mensen.

Leer mij alles wat U van de mensen wilt.

69Ongelovigen schuiven mij allerlei leugens in de schoenen,

maar ik houd mij met mijn hele hart vast aan uw wet.

70Zij hebben harten van steen,

maar ik ervaar vreugde als ik aan uw wet denk.

71Het is goed dat ik grote moeilijkheden heb doorgemaakt,

want daardoor heb ik U en uw wet beter leren kennen.

72Uw woorden gaan voor mij ver boven

grote rijkdommen aan goud en zilver.

73U hebt mij met uw eigen handen gemaakt.

Maak mij verstandig, zodat ik alles over uw wet kan leren.

74Andere mensen die ook diep ontzag voor U hebben,

zijn blij als zij mij zien en meemaken,

omdat ik op uw woord vertrouw.

75Here, ik weet dat uw oordeel een rechtvaardig oordeel is.

Dat U mij trouw bleef in al mijn ellende.

76Ik bid dat uw goedheid en liefde mij zullen troosten.

Dat hebt U mij, uw dienaar, immers beloofd?

77Laat uw liefdevolle meeleven mij bereiken,

zodat ik leven kan. Ik verheug mij in uw wetten.

78Laat de ongelovigen toch tot inzicht komen en zich schamen,

omdat zij mij onterecht kwaad deden.

Ik denk voortdurend aan wat U mij hebt opgedragen.

79Wilt U mensen die diep ontzag voor U koesteren

en uw wet kennen, naar mij toe sturen?

80Ik wil met volledige toewijding uw wet naleven,

zodat ik mij nooit hoef te schamen.

81Alles in mij verlangt naar uw bevrijding,

zoals U hebt beloofd.

82Mijn ogen kijken verlangend uit naar

de vervulling van uw belofte,

wanneer komt U om mij te troosten?

83Ik ben oud en onaantrekkelijk geworden,

maar toch heb ik uw wet niet vergeten.

84Hoelang laat U mij nog in leven?

Wanneer gaat U nu eens wraak nemen op mijn vijanden?

85Ongelovigen, die zich niet interesseren voor uw wet,

hebben een kuil voor mij gegraven.

86U bent toch trouw aan alles wat U hebt beloofd?

Help mij toch! Zij achtervolgen mij terwijl ik niets heb gedaan.

87Het is hun bijna gelukt mij te doden,

maar ik heb mij vastgehouden aan uw bevelen.

88Laat ik mogen leven

in overeenstemming met uw goedheid en liefde.

Dan zal ik blijven spreken over uw grote daden.

89Here, uw woord blijft eeuwig bestaan

tot in de hemelen toe.

90U bewijst uw trouw aan elke generatie.

U hebt ook de aarde gemaakt,

zodat die stevig gegrondvest is.

91Vandaag de dag staat alles vast volgens uw voorschriften.

Alles is aan U onderworpen.

92Als ik niet voortdurend de vreugde van uw wet had ervaren,

was ik in alle moeilijkheden ten onder gegaan.

93Nooit zal ik uw wetten vergeten,

want juist door die wetten hebt U mij het leven weer gegeven.

94Ik ben uw eigendom, bevrijd mij.

Ik verlang naar uw opdrachten.

95Ongelovigen zijn eropuit mij te vernietigen,

maar ik let uitsluitend op uw woord.

96Ik heb gezien hoe alles, hoe geweldig ook,

eens een einde heeft.

Maar ik weet dat uw geboden oneindig zijn.

97Wat houd ik veel van uw wet!

Ik denk er de hele dag over na.

98Uw geboden geven mij meer wijsheid

dan mijn vijanden hebben.

Want ik heb ze altijd bij me.

99Ik heb meer verstand

dan de mensen die mij eens lesgaven,

omdat ik voortdurend uw woorden overdenk.

100Ik heb meer inzicht

dan de oude mensen,

omdat ik uw bevelen zorgvuldig bewaar.

101Ik zorg ervoor dat ik niet op het verkeerde pad kom,

zo kan ik mij houden aan uw woord.

102Ik volg uw voorschriften nauwgezet op,

alles leer ik van U.

103Alles wat U zegt, is heerlijk om naar te luisteren.

Het klinkt zoeter dan honing.

104Door uw wet heb ik inzicht gekregen

en daarom haat ik de leugen.

105Uw woord is een stralend licht,

dat mij de weg door het leven wijst.

106Ik heb een eed afgelegd

en daar wil ik mij aan houden.

Ik heb daarbij toegezegd dat ik mij altijd

zal houden aan uw rechtvaardige wetten.

107Ik heb zulke grote moeilijkheden. Here,

geef mij toch het leven weer door uw woord.

108Ik spreek ongedwongen over U, Here,

en hoop dat U daar genoegen in hebt.

Leer mij alles over uw wetten.

109Ik zal nooit uw wet vergeten,

ook al is mijn leven voortdurend in gevaar.

110Ongelovigen proberen mij te vangen,

maar ik blijf bij wat U hebt gezegd.

111Alles wat U hebt gezegd,

heb ik als een blijvend erfdeel gekregen.

Ik ben er heel erg blij mee.

112Ik verlang ernaar altijd te doen

wat U hebt gezegd, mijn leven lang.

113Ik heb een hekel aan aarzelende mensen,

maar houd zielsveel van uw wet.

114Bij U kan ik schuilen en U beschermt mij.

Ik verwacht het van uw beloften.

115Kom mij niet te na, misdadigers,

want ik wil mij houden aan het gebod van mijn God.

116U hebt beloofd mij te zullen ondersteunen.

Doet U dat nu ook, zodat ik blijf leven. Stel mij niet teleur.

117Geef mij uw kracht en bevrijd mij.

Dan zal ik mij blijven verheugen in uw geboden.

118Ieder die zich niet aan uw wet houdt,

doet U ver van U weg.

Wat zij zeggen en doen is zinloos.

119Alle goddelozen op aarde

worden eens door U weggevaagd.

Ook dat is voor mij een reden uw wet lief te hebben.

120Ik ben bang voor uw oordeel,

mijn hele lichaam trilt van angst.

121Ik heb altijd eerlijk en oprecht geleefd,

laten mijn vijanden mij niet in hun macht krijgen.

122Stelt U Zich garant voor mij en zorg ervoor

dat ongelovigen mij niet achtervolgen.

123Ik verlang ernaar U te zien

en uw rechtvaardig woord te horen.

124Wilt U met uw goedheid en liefde met mij omgaan

en mij alles leren over uw wetten.

125Ik ben uw dienaar, maak mij verstandig,

zodat ik uw wetten kan begrijpen.

126Here, voor U is de tijd aangebroken om op te treden,

want men heeft uw wetten overtreden.

127Ik houd van uw geboden,

meer dan van het mooiste goud.

128Daarom geloof ik ook

dat al uw bevelen rechtvaardig zijn,

ik haat de leugen.

129Alles wat U hebt gezegd, is geweldig en heerlijk.

Daarom onthoud ik alles wat ik van U hoor.

130Door te luisteren naar uw woord,

komt er licht en duidelijkheid in mijn leven.

Zelfs onverstandige mensen ontwikkelen inzicht.

131Ik smacht van verlangen

naar alles wat U gebiedt.

132Kom bij mij en geef mij uw genade.

Mensen die van U houden, mogen zich immers daarop beroepen?

133Doet U mij wandelen op mijn levenspad, zoals U hebt beloofd.

Houd het onrecht ver van mij.

134Bevrijd mij uit de onderdrukking van mijn vijanden,

dan zal ik voortaan alles doen wat U hebt bevolen.

135Ik ben uw dienaar, laat uw licht over mij schijnen

en leer mij alles wat ik van U moet weten.

136Mijn tranen vloeien als rivieren en mijn verdriet is groot,

omdat mijn volk niet leeft volgens uw wet.

137Here, U bent rechtvaardig

en uw leefregels zijn betrouwbaar.

138Toen U ons uw geboden gaf,

was dat in oprechtheid

en het getuigde van uw grote trouw.

139Ik word beheerst door het verlangen U te dienen,

temeer omdat mijn vijanden U in de steek laten.

140Uw woorden zijn volkomen zuiver.

Ik, uw dienaar, heb ze van harte lief.

141Ik ben maar gering en niemand acht mij hoog,

maar ik denk voortdurend aan uw geboden.

142Uw rechtvaardigheid is eeuwig

en alleen uw wet is de waarheid.

143Ook al overkomt mij allerlei ellende en achtervolging,

juist dan zijn uw geboden voor mij een vreugde.

144Alles wat U hebt gezegd, bevat rechtvaardigheid voor altijd.

Als U mij verstandig maakt, kan ik werkelijk leven.

145Here, ik roep met mijn hele hart naar U,

antwoord mij toch. Ik zal uw geboden naleven.

146Ik roep naar U, bevrijd mij!

Dan zal ik elk gebod van U in ere houden.

147Nog voor de zon opkomt, roep ik U te hulp.

Ik verwacht een woord van U.

148Nog voor de nachtwakers aan het werk gaan,

zie ik al weer uit naar uw belofte.

149Wilt U met uw liefde en goedheid naar mij luisteren?

Here, als uw recht mij leidt, kan ik leven.

150Om mij heen zijn mensen die in zonde leven,

van uw wet willen zij niets weten.

Akuapem Twi Contemporary Bible

Nnwom 119:1-150

Dwom 119

Awurade Mmara

1Nhyira nka wɔn a wɔn akwan yɛ pɛ,

na wɔnantew sɛnea Awurade mmara kyerɛ.

2Nhyira nka wɔn a wɔkora nʼahyɛde,

na wofi wɔn koma nyinaa mu hwehwɛ no.

3Wɔnyɛ mfomso biara;

na wɔnam nʼakwan so.

4Woayɛ nkyerɛkyerɛ pa ato hɔ

a ɛsɛ sɛ wodi so pɛpɛɛpɛ.

5Ao, sɛ anka mʼakwan besi pi,

ayɛ osetie wɔ wo hyɛ nsɛm ho ɛ!

6Sɛ midwen wo mmaransɛm no nyinaa ho a,

ɛno de, anka mʼanim rengu ase.

7Mede koma a mu tew bɛkamfo wo

bere a meresua wo mmara a ɛteɛ no.

8Medi wo hyɛ nsɛm so;

na nnyaw me korakora.

Awurade Mmara Ho Osetie

9Aberante bɛyɛ dɛn na nʼakwan ho atew?

Ɛsɛ sɛ odi wʼasɛm so.

10Mede me koma nyinaa hwehwɛ wo;

mma me mman mfi wo mmara nsɛm ho.

11Mede wʼasɛm asie me koma mu

sɛnea merenyɛ bɔne ntia wo.

12Awurade, ayeyi nka wo;

kyerɛkyerɛ me wo hyɛ nsɛm.

13Mede mʼano ka mmara

a efi wʼanom nyinaa.

14Mʼani gye sɛ midi wʼahyɛde so,

sɛnea obi ani gye ahonya bebree ho no.

15Midwinnwen wo nkyerɛkyerɛ ho

na mehwehwɛ wʼakwan mu.

16Mʼani gye wo hyɛ nsɛm ho;

na merentoto wʼasɛm ase.

Awurade Mmara Mu Ahotɔ

17Yɛ wo somfo yiye;

na matena ase adi wʼasɛm so.

18Bue mʼani na minhu anwonwade a

ɛwɔ wo mmara no mu.

19Meyɛ ɔnanani wɔ asase so;

mfa wo mmaransɛm no nhintaw me.

20Me kra tɔ beraw bere biara,

wo mmara ho anigyina nti.

21Woka ahantanfo anim, wɔn a wɔadome wɔn,

na wɔman fi wo mmaransɛm ho no.

22Yi wɔn animka ne animtiaabu fi me mu,

efisɛ midi wʼahyɛde so.

23Ɛwɔ mu sɛ sodifo hyia di me ho nseku,

nanso wo somfo bedwinnwen wʼahyɛde ho.

24Wʼahyɛde yɛ mʼanigyede

na ɛyɛ me fotufo.

Awurade Mmara Sodi Ho Bɔhyɛ

25Woabrɛ me ase ma meda mfutuma mu;

kyɛe me nkwa so sɛnea wʼasɛm no te.

26Mesesee mʼakwan na wugyee me so;

kyerɛkyerɛ me wʼahyɛde.

27Ma mente nea ɛwɔ wo nkyerɛkyerɛ mu ase;

na mesusuw wʼanwonwade ho.

28Awerɛhow ama me kra atɔ beraw;

hyɛ me den sɛnea wʼasɛm no kyerɛ.

29Yi me fi nnaadaa akwan so;

na fa wo mmara so dom me.

30Mafa nokware kwan no so;

mede me koma abata wo mmara ho.

31Awurade, mikura wo nkyerɛkyerɛ mu dennen,

mma mʼanim ngu ase.

32Mitu mmirika wɔ wo mmaransɛm kwan no so,

efisɛ woama mʼadwene mu adɔ.

Ntease Ho Mpaebɔ

33Kyerɛkyerɛ me, Awurade, na minni wo hyɛ nsɛm so,

na medi so akosi awiei.

34Ma me ntease, na medi wo mmara so,

na mede me koma nyinaa bedi so.

35Kyerɛ me wo mmaransɛm kwan no

na hɔ na minya anigye.

36Dan me koma kɔ wʼahyɛde ho

na ɛnyɛ pɛsɛmenkominya so mfaso ho.

37Yi mʼani fi nneɛma hunu so;

na kyɛe me nkwa so sɛnea wʼasɛm te.

38Di bɔ a woahyɛ wo somfo no so,

na wasuro wo.

39Yi animguase a ɛbɔ me hu no fi hɔ,

efisɛ wo mmara yɛ papa.

40Mʼani agyina wo nkyerɛkyerɛ no!

Kyɛe me nkwa so wɔ wo trenee mu.

Awurade Mmara Mu Ahotoso

41Awurade, ma wo dɔ a ɛnsa da no mmra me so,

wo nkwagye no, sɛnea wo bɔhyɛ no te.

42Afei mebua nea oyi me ahi no,

efisɛ mewɔ wʼasɛm mu ahotoso.

43Nyi nokwasɛm no mfi mʼanom,

efisɛ mʼanidaso wɔ wo mmara mu.

44Medi wo mmara so bere biara

akosi daa apem.

45Mede ahofadi bɛnantew,

efisɛ mahwehwɛ wo nkyerɛkyerɛ.

46Mɛka wʼahyɛde ho asɛm wɔ ahemfo anim

na wɔrengu mʼanim ase,

47efisɛ mʼani gye wo mmaransɛm ho,

na medɔ no.

48Mede nidi ma wo mmaransɛm a medɔ no,

na midwinnwen wo hyɛ nsɛm ho.

Awurade Mmara No Mu Ahotoso

49Kae asɛm a woaka akyerɛ wo somfo,

efisɛ woama me anidaso.

50Mʼawerɛkyekye wɔ mʼamanehunu mu ne sɛ:

Wo bɔhyɛ kyɛe me nkwa so.

51Ahantanfo bu me animtiaa bebree,

nanso mennan mfi wo mmara ho.

52Awurade mekae wo tete mmara no,

na minya awerɛkyekye wɔ mu.

53Abufuw hyɛ me ma, esiane amumɔyɛfo

a wɔapo wo mmara nti.

54Wo hyɛ nsɛm yɛ me dwom tiban

wɔ baabiara a mesoɛ.

55Awurade, anadwo mekae wo din,

na medi wo mmara so.

56Eyi ne ade a meyɛ da biara,

midi wo nkyerɛkyerɛ so.

Ahofama Wɔ Awurade Mmara Sodi Mu

57Awurade, wo ne me kyɛfa;

mahyɛ bɔ sɛ medi wo nsɛm so.

58Mede me koma nyinaa ahwehwɛ wo;

hu me mmɔbɔ sɛnea wo bɔhyɛ no te.

59Madwene mʼakwan ho

na madan mʼanammɔntu akyerɛ wʼahyɛde.

60Mɛyɛ ntɛm, merentwentwɛn

sɛ medi wo mmara nsɛm so.

61Ɛwɔ mu, amumɔyɛfo de hama kyekyere me,

nanso me werɛ remfi wo mmara.

62Ɔdasu mu, mesɔre de wʼaseda ma wo,

wo mmara a ɛteɛ nti.

63Meyɛ wɔn a wosuro wo nyinaa adamfo,

wɔn a wodi wo nkyerɛkyerɛ so nyinaa.

64Awurade, wʼadɔe ahyɛ asase so ma;

kyerɛkyerɛ me wo hyɛ nsɛm.

Awurade Mmara Sodi So Mfaso

65Wo ne wo somfo nni no yiye

sɛnea wʼasɛm te, Awurade.

66Kyerɛkyerɛ me nimdeɛ ne atemmu pa,

efisɛ migye wo mmara nsɛm no di.

67Mefom ɔkwan ansa na mihuu amane,

na mprempren de midi wʼasɛm so.

68Wuye, na nea woyɛ nso ye;

kyerɛkyerɛ me wo hyɛ nsɛm.

69Ahantanfo de atoro asra me ho de,

nanso mede me koma nyinaa di wo nkyerɛkyerɛ so.

70Wɔn koma yɛ den na wonni ɔtema,

nanso mʼani gye wo mmara ho.

71Eye sɛ mihuu amane

sɛnea mesua wo hyɛ nsɛm.

72Mmara a efi wʼanom no som bo ma me

sen dwetɛ ne sikakɔkɔɔ mpem mpem.

Nokware A Ɛwɔ Awurade Mmara Mu

73Wo nsa na ɛbɔɔ me na ɛnwenee me;

ma me ntease a mede besua wo mmara nsɛm.

74Sɛ wɔn a wosuro wo no hu me a, ma wɔn ani nnye,

efisɛ mede mʼanidaso ahyɛ wʼasɛm mu.

75Awurade, minim sɛnea wo mmara te,

na nokwaredi mu na woatwe mʼaso.

76Ma wʼadɔe a ɛnsa da no nkyekye me werɛ

sɛnea bɔ a woahyɛ wo somfo no te no.

77Ma wʼayamhyehye mmra me so, na minnya nkwa,

efisɛ mʼani ka wo mmara ho.

78Ma ahantanfo ani nwu sɛ wɔfom me kwa nti

nanso mesusuw wo nkyerɛkyerɛ ho.

79Ma wɔn a wosuro wo no mmra me nkyɛn,

wɔn a wɔte wo mmara ase no.

80Ma me koma nnya bembu wɔ wo hyɛ nsɛm ho,

na mʼanim angu ase.

Ogye Mpaebɔ

81Wo nkwagye ho anigyina ama me kra atɔ piti,

nanso mede mʼanidaso ahyɛ wʼasɛm mu.

82Mahwɛ wo bɔhyɛ anim ama mʼani abu;

meka se, “Da bɛn na wobɛkyekye me werɛ?”

83Ɛwɔ mu sɛ mete sɛ nsa kotoku a ɛsɛn wusiw ano de,

nanso me werɛ mfi wo hyɛ nsɛm no.

84Wo somfo ntwɛn nkosi da bɛn?

Da bɛn na wobɛtwe wɔn a wɔtaa me no aso?

85Ahantanfo atu amoa de asum me afiri,

a ɛne wo mmara bɔ abira.

86Wo mmara nsɛm nyinaa mu wɔ ahotoso;

boa me, efisɛ nnipa taa me kwa.

87Ɛkaa kakraa bi a anka woyii me fii asase so,

nanso minnyaee wo nkyerɛkyerɛ sodi.

88Kyɛe me nkwa so sɛnea wʼadɔe te,

na medi nkyerɛkyerɛ a efi wʼanom no so.

Awurade Mmara Mu Gyidi

89Awurade, wʼasɛm no wɔ hɔ daa;

egyina hɔ pintinn wɔ ɔsorosoro.

90Wo nokwaredi kɔ so wɔ awo ntoatoaso nyinaa mu;

wode asase sii hɔ, na etim hɔ.

91Wo mmara wɔ hɔ besi nnɛ,

na nneɛma nyinaa som wo.

92Sɛ mʼani anka wo mmara no ho a,

anka mʼamanehunu akum me.

93Me werɛ remfi wo nkyerɛkyerɛ no,

efisɛ ɛno so na wonam akyɛe me nkwa so.

94Gye me nkwa, na meyɛ wo de;

na mahwehwɛ wo nkyerɛkyerɛ no.

95Amumɔyɛfo retwɛn sɛ wɔbɛsɛe me,

nanso, misusuw wʼahyɛde ho.

96Mahu sɛ pɛyɛ nyinaa wɔ nea ɛkɔpem;

nanso wo mmara nsɛm no nni ɔhye.

Awurade Mmara Ho Dɔ

97Ao, medɔ wo mmara no yiye!

Midwinnwen ho da mu nyinaa.

98Wo mmara nsɛm ma mihu nyansa sen mʼatamfo,

efisɛ ɛwɔ me nkyɛn daa.

99Mewɔ nhumu sen mʼakyerɛkyerɛfo nyinaa,

efisɛ midwinnwen wʼahyɛde ho.

100Mewɔ ntease sen mpanyimfo,

efisɛ midi wo nkyerɛkyerɛ so.

101Memfaa mʼanan nsii ɔkwan bɔne biara so

sɛnea metumi ayɛ osetie ama wʼasɛm.

102Memman mfii wo mmara ho,

efisɛ wʼankasa na woakyerɛkyerɛ me.

103Wo nsɛm yɛ me dɛ,

ɛyɛ dɛ sen ɛwo wɔ mʼanom.

104Minya ntease fi wo nkyerɛkyerɛ mu;

enti mikyi ɔkwan bɔne biara.

Awurade Mmara Yɛ Kanea

105Wʼasɛm yɛ mʼanan ase kanea

ne me kwan so hann.

106Maka ntam ahyɛ mu kena se

medi wo trenee mmara no so.

107Mahu amane bebree;

kyɛe me nkwa so, Awurade, sɛnea wʼasɛm te.

108Awurade, ma wʼani nsɔ mʼanom nkamfo a efi me pɛ mu,

na kyerɛkyerɛ me wo mmara.

109Ɛwɔ mu sɛ daa metoto me nkwa ase de,

nanso me werɛ remfi wo mmara.

110Amumɔyɛfo asum me afiri,

nanso memfom mfii wo nkyerɛkyerɛ ho.

111Wʼahyɛde yɛ mʼagyapade afebɔɔ;

ɛma me koma ani gye.

112Me koma ayɛ krado sɛ ɛbɛhwɛ wo hyɛ nsɛm so

akosi awiei.

Awurade Mmara Mu Bammɔ

113Mikyi nnipa a wɔn adwene yɛ wɔn ntanta,

na medɔ wo mmara.

114Wone me guankɔbea ne me kyɛm;

mede mʼanidaso ahyɛ wʼasɛm mu.

115Mumfi me so nkɔ, mo nnebɔneyɛfo,

na minni me Nyankopɔn mmara nsɛm so!

116Wowaw me sɛnea wo bɔhyɛ no te, na mɛtena nkwa mu;

mma mʼanidaso nyɛ ɔkwa.

117So me mu, na menya ogye;

na bere biara mɛhwɛ wo hyɛ nsɛm no.

118Wopo wɔn a wɔfom wo hyɛ nsɛm nyinaa,

na wɔn nnaadaa no yɛ ɔkwa.

119Wotow amumɔyɛfo nyinaa gu sɛ afide;

enti medɔ wʼahyɛde.

120Wo ho suro ma me ho popo;

wo mmara abɔ me hu.

Awurade Mmara Ho Setie

121Mayɛ nea ɛteɛ na ɛyɛ pɛ.

Nnyaa me mma wɔn a wɔhyɛ me so!

122Hwɛ ma wo somfo nni yiye;

mma ahantanfo nhyɛ me so.

123Mahwɛ wo nkwagye anim ama mʼani abu,

ɛrehwehwɛ wo bɔhyɛ a ɛteɛ no.

124Wo ne wo somfo nni no sɛnea wʼadɔe te,

na kyerɛkyerɛ me wo hyɛ nsɛm.

125Meyɛ wo somfo; ma me nhumu

na mate wʼahyɛde ase.

126Awurade, bere aso sɛ woyɛ biribi;

wɔrebu wo mmara so.

127Esiane sɛ medɔ wo mmara nsɛm

sen sikakɔkɔɔ, anaa sikakɔkɔɔ ankasa,

128na midwen sɛ wo nkyerɛkyerɛ nyinaa ye nti,

mikyi ɔkwan bɔne biara.

Pere Sɛ Wubedi Awurade Mmara So

129Wʼahyɛde yɛ nwonwa;

enti midi so.

130Wo nsɛm asete ma hann;

na ɛma ntetekwaa nya ntease.

131Mibue mʼanom na migu ahome,

na mʼani gyina wo mmara nsɛm.

132Dan wʼani hwɛ me na hu me mmɔbɔ

sɛnea woyɛ daa ma wɔn a wɔdɔ wo din no.

133Tutu mʼanammɔn sɛnea wʼasɛm no te;

mma bɔne biara nni me so.

134Gye me fi nnipa nhyɛso mu,

na madi wo nkyerɛkyerɛ so.

135Ma wʼanim nhyerɛn wo somfo so

na kyerɛkyerɛ me wo hyɛ nsɛm.

136Nsuten nisu aguare me,

efisɛ nnipa nni wo mmara so.

Awurade Mmara Yɛ Pɛ

137Ɔtreneeni ne wo, Awurade,

na wo mmara nso yɛ pɛ.

138Ahyɛde a woayɛ no yɛ trenee;

ɛyɛ nea wonya mu ahotoso pa ara.

139Abufuw ahyɛ me ma,

efisɛ mʼatamfo bu wɔn ani gu wo nsɛm so.

140Wɔasɔ wo bɔhyɛ ahorow no ahwɛ pa ara,

na wo somfo dɔ wɔn.

141Ɛwɔ mu sɛ menka hwee na memfra de,

nanso me werɛ mfi wo nkyerɛkyerɛ.

142Wo trenee wɔ hɔ daa,

na wo mmara no yɛ nokware.

143Ɔhaw ne awerɛhow aba me so,

nanso wo mmara nsɛm ma me ahosɛpɛw.

144Wʼahyɛde yɛ nokware daa;

ma me ntease na manya nkwa.

Ogye Mpaebɔ

145Awurade, mede me koma nyinaa mefrɛ wo, gye me so,

na medi wo hyɛ nsɛm no so.

146Misu mefrɛ wo, gye me nkwa

na midi wʼahyɛde so.

147Mesɔre anɔpahema, na misu pɛ mmoa;

mede me werɛ ahyɛ wo nsɛm mu.

148Mʼani gu so anadwo nyinaa,

na misusuw wo bɔhyɛ ho.

149Tie me nne sɛnea wʼadɔe no te;

Awurade, kyɛe me nkwa so sɛnea wo mmara te.

150Wɔn a wɔhyehyɛ atirimɔdensɛm no abɛn,

nanso wɔne wo mmara ntam ware.