Het Boek

Psalmen 108:1-14

1Een psalm van David.

2Ik voel mij veilig en rustig bij U, mijn God!

Ik verlang ernaar voor U lofliederen te zingen.

3Vooruit, harp en citer!

Nog voor de zon opkomt, wil ik al spelen.

4In tegenwoordigheid van alle volken, Here,

wil ik U prijzen en eren.

Voor vreemde volken wil ik psalmen over U zingen.

5Uw goedheid en liefde zijn onmetelijk,

zij gaan hoger dan het blauw van de hemel.

Uw trouw is net zomin op te meten

als de afstand tot de wolken.

6Maak Uzelf maar groot

tot in alle hemelen, mijn God.

Uw macht en majesteit

zullen over de hele wereld worden gezien.

7Wilt U ons antwoorden?

Wilt U ons de overwinning bezorgen,

zodat uw volgelingen worden bevrijd?

8God heeft in zijn heilige woning gesproken

en ik juich over zijn antwoord.

Ik zal Sichem verdelen

en het dal van Sukkot opmeten.

9Gilead en Manasse zijn van mij

en Efraïm is mijn helm.

Juda is de staf waarmee ik regeer.

10Moab is mijn wasbak,

Edom vertrap ik met mijn sandalen

en over Filistea triomfeer ik.

11Wie brengt mij naar de versterkte vesting?

Wie begeleidt mij naar Edom?

12U bent het, o God,

U die ons eerst had verstoten.

Wilt U, o God, optrekken met onze legers?

13Help ons tegen de vijand,

want hulp van mensen stelt niets voor.

14Met de hulp van God

kunnen wij dapper strijden,

Hij zal onze vijanden verslaan.

Nova Versão Internacional

Salmos 108:1-13

Salmo 108

Uma canção. Salmo davídico.

1Meu coração está firme, ó Deus!

Cantarei e louvarei, ó Glória minha!

2Acordem, harpa e lira!

Despertarei a alvorada.

3Eu te darei graças, ó Senhor, entre os povos;

cantarei louvores entre as nações,

4porque o teu amor leal se eleva muito acima dos céus;

a tua fidelidade alcança as nuvens!

5Sê exaltado, ó Deus, acima dos céus;

estenda-se a tua glória sobre toda a terra!

6Salva-nos com a tua mão direita e responde-nos,

para que sejam libertos aqueles a quem amas.

7Do seu santuário108.7 Ou Na sua santidade Deus falou:

“No meu triunfo dividirei Siquém

e repartirei o vale de Sucote.

8Gileade me pertence e Manassés também;

Efraim é o meu capacete, Judá é o meu cetro.

9Moabe é a pia em que me lavo,

em Edom atiro a minha sandália,

sobre a Filístia dou meu brado de vitória!”

10Quem me levará à cidade fortificada?

Quem me guiará a Edom?

11Não foste tu, ó Deus, que nos rejeitaste

e deixaste de sair com os nossos exércitos?

12Dá-nos ajuda contra os adversários,

pois inútil é o socorro do homem.

13Com Deus conquistaremos a vitória,

e ele pisará os nossos adversários.