Het Boek

Psalmen 106

1Halleluja! Prijs de Here.
Hij is een goede God,
want zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
Zou er iemand zijn
die alle goede daden van de Here
kan omschrijven?
Die Hem alle eer kan brengen
waarop Hij recht heeft?
Gelukkig zijn de mensen
die rechtvaardig leven,
die altijd eerlijk en oprecht optreden.
Denk toch aan mij, Here.
U houdt immers van uw volk?
Red mij!
Dan zal ik alle zegeningen
die U voor uw volk hebt weggelegd,
ook mogen zien.
Dan kan ik mij met uw volk verheugen
en dankbaar zijn met het land
dat U ons hebt gegeven.
Net als onze voorouders
hebben wij heel erg gezondigd.
Wij hebben niet geleefd en gehandeld
volgens uw wil.
Onze voorouders in Egypte
hechtten geen waarde aan uw wonderen.
Zij dachten niet
aan de zeer vele zegeningen
waarmee U hen overlaadde.
Integendeel,
zij kwamen tegen U in opstand bij de Rietzee.
God verloste hen echter toch,
ter wille van zijn eigen naam.
Zo werd zijn grote kracht zichtbaar.
Hij had de macht over die Rietzee
en maakte er een droge weg doorheen.
Zo liepen zij door die watermassa
alsof het een woestijn was.
10 God verloste zijn volk
uit de macht van hun achtervolgers,
11 die overspoeld werden door het water van de Rietzee:
niemand van hen bleef in leven.
12 Toen pas geloofden zij Hem op zijn woord,
zij zongen lofliederen voor Hem.
13 Maar al gauw vergaten zij weer
wat Hij allemaal had gedaan,
zij vroegen God niet om raad.
14 Zij wilden afgoden gaan vereren in de woestijn
en zo daagden zij God uit daar in die woestenij.
15 Zij kregen van Hem wat zij wilden,
maar een deel van het volk kwam om.
16 In het kamp werden zij jaloers op Mozes en Aäron,
die door de Here waren uitgekozen.
17 De aarde ging open en Datan werd verzwolgen,
en met hem ook Abiram
en degenen die met hem gezondigd hadden.
18 Het vuur verbrandde allen die God hadden uitgedaagd.
19 Toen maakten zij bij de berg Horeb een gouden kalf,
zij knielden ervoor neer alsof het een god was.
20 God, de Allerhoogste, ruilden zij in
voor een beeld van een grasetende koe!
21 Zij vergaten God,
die hen uit Egypte had bevrijd
en daarvoor grote wonderen had verricht,
22 al die prachtige wonderen in Egypte
en bij de Rietzee.
23 Op dat moment nam de Here Zich voor
hen te vernietigen.
Maar Mozes, zijn vriend,
kwam voor hen tussenbeide
en voorkwam het.
24 Het prachtige land waar zij naar toe gingen,
verwierpen zij
en ze geloofden niet wat God had gezegd.
25 Zij mopperden in hun tenten
en luisterden niet naar wat de Here zei.
26 Toen werd Hij werkelijk toornig
en zwoer een eed
dat Hij hen allemaal
in de woestijn zou laten sterven.
27 Ook hun nageslacht
zou Hij uiteindelijk
onder vreemde volken laten sterven,
hen wegvoeren naar vreemde landen.
28 Toen zij Baäl-Peor gingen aanbidden
en zelfs de offers van doden aten.
29 Toen zij Hem uitdaagden en kwetsten
door alles wat zij deden,
brak er een plaag uit.
30 Maar de priester Pinechas kwam naar voren,
vond de schuldigen en strafte hen.
Toen hield de plaag ook op.
31 Deze goede daad van hem is nooit vergeten,
altijd zal God Zich dit blijven herinneren.
32 Bij het water van Meriba maakten
de Israëlieten Hem opnieuw boos.
Door hun schuld ging Mozes ook zondigen.
33 Zij waren opstandig tegen de Geest van God
en zonder nadenken sprak hij toen.
34 Ook roeiden zij de volken
die in het land woonden niet allemaal uit,
hoewel de Here dat toch duidelijk had bevolen.
35 In plaats daarvan lieten zij zich in
met die heidense volken
en namen dingen van hen over.
36 Zij dienden hun afgoden
en dat werd uiteindelijk hun ondergang.
37 Hun zonen en dochters offerden zij
aan de boze geesten.
38 Zo vloeide het onschuldige bloed
van hun eigen kinderen.
Zij offerden hen aan de afgoden van het land Kanaän
en het land werd ontheiligd door deze bloedschuld.
39 Door alles wat zij deden,
verontreinigden zij zich voor God.
Door wat zij deden,
pleegden zij overspel:
zij verlieten God en volgden de afgoden.
40 Toen brandde de toorn van de Here tegen hen los.
Hij walgde van zijn volk en hun land.
41 Daarom gaf Hij hen over
in de macht van vreemde volken,
hun vijanden overheersten hen.
42 Zij zuchtten onder de verdrukking
en overmacht van hun tegenstanders.
43 Zo redde God hen vele keren,
maar zij bleven hun eigen weg gaan.
Uiteindelijk was er geen redden meer aan.
44 Telkens echter wanneer God hun onderdrukking zag
en hun kermen hoorde,
45 herinnerde Hij Zich zijn verbond met hen.
Dat was in hun voordeel.
Dan kreeg God,
in zijn grote goedheid en trouw,
medelijden met hen.
46 Steeds vonden zij Hem
en warmden zich aan zijn liefde en vergeving.
Hun ontvoerders stuurden hen zelfs
weer terug naar hun land.
47 Bevrijd ons, Here!
U bent onze God.
Breng ons weer bij elkaar uit alle landen
waarheen wij zijn weggevoerd.
Dan kunnen wij weer met elkaar
uw heilige naam prijzen
en U alle eer brengen.
48 De Here, de God van Israël,
komt alle eer toe!
Van eeuwigheid tot eeuwigheid!
Laat het hele volk
dat bevestigen en ‘amen’ zeggen.
Prijs de Here!

New International Version

Psalm 106

Psalm 106

Praise the Lord.[a]

Give thanks to the Lord, for he is good;
    his love endures forever.

Who can proclaim the mighty acts of the Lord
    or fully declare his praise?
Blessed are those who act justly,
    who always do what is right.

Remember me, Lord, when you show favor to your people,
    come to my aid when you save them,
that I may enjoy the prosperity of your chosen ones,
    that I may share in the joy of your nation
    and join your inheritance in giving praise.

We have sinned, even as our ancestors did;
    we have done wrong and acted wickedly.
When our ancestors were in Egypt,
    they gave no thought to your miracles;
they did not remember your many kindnesses,
    and they rebelled by the sea, the Red Sea.[b]
Yet he saved them for his name’s sake,
    to make his mighty power known.
He rebuked the Red Sea, and it dried up;
    he led them through the depths as through a desert.
10 He saved them from the hand of the foe;
    from the hand of the enemy he redeemed them.
11 The waters covered their adversaries;
    not one of them survived.
12 Then they believed his promises
    and sang his praise.

13 But they soon forgot what he had done
    and did not wait for his plan to unfold.
14 In the desert they gave in to their craving;
    in the wilderness they put God to the test.
15 So he gave them what they asked for,
    but sent a wasting disease among them.

16 In the camp they grew envious of Moses
    and of Aaron, who was consecrated to the Lord.
17 The earth opened up and swallowed Dathan;
    it buried the company of Abiram.
18 Fire blazed among their followers;
    a flame consumed the wicked.
19 At Horeb they made a calf
    and worshiped an idol cast from metal.
20 They exchanged their glorious God
    for an image of a bull, which eats grass.
21 They forgot the God who saved them,
    who had done great things in Egypt,
22 miracles in the land of Ham
    and awesome deeds by the Red Sea.
23 So he said he would destroy them—
    had not Moses, his chosen one,
stood in the breach before him
    to keep his wrath from destroying them.

24 Then they despised the pleasant land;
    they did not believe his promise.
25 They grumbled in their tents
    and did not obey the Lord.
26 So he swore to them with uplifted hand
    that he would make them fall in the wilderness,
27 make their descendants fall among the nations
    and scatter them throughout the lands.

28 They yoked themselves to the Baal of Peor
    and ate sacrifices offered to lifeless gods;
29 they aroused the Lord’s anger by their wicked deeds,
    and a plague broke out among them.
30 But Phinehas stood up and intervened,
    and the plague was checked.
31 This was credited to him as righteousness
    for endless generations to come.
32 By the waters of Meribah they angered the Lord,
    and trouble came to Moses because of them;
33 for they rebelled against the Spirit of God,
    and rash words came from Moses’ lips.[c]

34 They did not destroy the peoples
    as the Lord had commanded them,
35 but they mingled with the nations
    and adopted their customs.
36 They worshiped their idols,
    which became a snare to them.
37 They sacrificed their sons
    and their daughters to false gods.
38 They shed innocent blood,
    the blood of their sons and daughters,
whom they sacrificed to the idols of Canaan,
    and the land was desecrated by their blood.
39 They defiled themselves by what they did;
    by their deeds they prostituted themselves.

40 Therefore the Lord was angry with his people
    and abhorred his inheritance.
41 He gave them into the hands of the nations,
    and their foes ruled over them.
42 Their enemies oppressed them
    and subjected them to their power.
43 Many times he delivered them,
    but they were bent on rebellion
    and they wasted away in their sin.
44 Yet he took note of their distress
    when he heard their cry;
45 for their sake he remembered his covenant
    and out of his great love he relented.
46 He caused all who held them captive
    to show them mercy.

47 Save us, Lord our God,
    and gather us from the nations,
that we may give thanks to your holy name
    and glory in your praise.

48 Praise be to the Lord, the God of Israel,
    from everlasting to everlasting.

Let all the people say, “Amen!”

Praise the Lord.

Notas al pie

  1. Psalm 106:1 Hebrew Hallelu Yah; also in verse 48
  2. Psalm 106:7 Or the Sea of Reeds; also in verses 9 and 22
  3. Psalm 106:33 Or against his spirit, / and rash words came from his lips