Het Boek

Lukas 1

De geboorte van Johannes de Doper aangekondigd

1Beste Theofilus, er zijn al verscheidene boeken over het leven van Jezus Christus geschreven. Men is daarbij steeds uitgegaan van wat de eerste leerlingen en andere ooggetuigen hebben verteld. Toch dacht ik dat het nuttig zou zijn alles nog eens nauwkeurig na te gaan en u daarvan een geordend verslag uit te brengen. U zult zien dat het volledig overeenstemt met wat u is geleerd.

Mijn verhaal begint bij de Joodse priester Zacharias, die leefde in de tijd dat Herodes koning van Judea was. Hij behoorde tot de priesterafdeling van Abia. Zijn vrouw Elisabeth kwam net als hijzelf uit het priestergeslacht van Aäron. Zacharias en Elisabeth waren goede mensen, die zich stipt aan Gods wetten hielden. Zij hadden geen kinderen, omdat Elisabeth onvruchtbaar was. Op het moment dat dit verhaal begint, waren zij allebei al erg oud.

Op een dag had Zacharias dienst in de tempel, omdat zijn afdeling aan de beurt was. Er werd altijd om geloot wie het heiligdom van God zou binnengaan om wierook te branden. Deze keer was het lot op Zacharias gevallen. 10 Terwijl hij in het heiligdom bezig was, stonden op het tempelplein vele mensen te bidden. 11 Plotseling zag Zacharias een engel van de Here staan, rechts van het altaar waarop de wierook werd gebrand. 12 Hij wist niet wat hem overkwam en werd bang. 13 De engel zei: ‘Wees niet bang, Zacharias. Ik ben gekomen om u te vertellen dat God uw gebed heeft verhoord. Uw vrouw Elisabeth zal een zoon krijgen en u moet hem Johannes noemen. 14 Hij zal u en vele andere mensen heel erg blij maken. 15 Uw zoon zal een groot man zijn in de ogen van de Here. Hij mag geen druppel wijn of sterke drank drinken en al voor zijn geboorte zal hij vol zijn van de Heilige Geest. 16 Hij zal vele Joden ervan overtuigen dat zij moeten terugkeren tot de Here, hun God. 17 Hij zal een bijzondere man zijn, een boodschapper met dezelfde geest en kracht als de profeet Elia. Hij zal ouders en kinderen verzoenen en de ongehoorzamen weer op het pad van de rechtvaardigheid brengen. Zo vormt hij een volk dat gereedstaat voor God.’ 18 Zacharias zei tegen de engel: ‘Moet ik dat zomaar geloven? Ik ben immers al oud en mijn vrouw ook!’

19 Toen zei de engel: ‘Ik ben Gabriël en leef heel dicht bij God. Hij heeft mij naar u toegestuurd om u dit te vertellen, maar u wilt mij niet geloven. 20 Daarom zult u vanaf nu niet meer kunnen spreken. Pas als het kind geboren is, zult u weer kunnen spreken. Want wat ik heb gezegd, zal precies op tijd uitkomen.’ 21 Ondertussen stonden de mensen buiten op Zacharias te wachten. Zij vroegen zich af waarom hij zo lang in het heiligdom bleef. 22 Eindelijk kwam hij naar buiten, maar hij zei niets. Hij kon geen woord uitbrengen. Uit zijn gebaren konden zij opmaken dat hij in het heiligdom een engel had gezien. 23 Zacharias bleef in de tempel tot zijn dienst voorbij was en ging toen naar huis terug. 24 Kort daarna werd Elisabeth zwanger. Vijf maanden lang kwam zij niet onder de mensen. 25 ‘Wat is de Here goed voor mij!’ juichte zij. ‘Hij heeft de schande van mij weggenomen dat ik geen kinderen had.’

De geboorte van Jezus aangekondigd

26 Toen Elisabeth in haar zesde maand was, stuurde God de engel Gabriël naar Nazareth, een stad in Galilea. 27 Hij moest bij Maria zijn, een jonge vrouw die verloofd was met een zekere Jozef, die nog van koning David afstamde. 28 Gabriël kwam bij haar binnen en zei: ‘Ik wens u vrede toe! U bent een gelukkige vrouw. De Here zij met u!’ 29 Maria raakte daardoor in de war en werd bang. Zij vroeg zich af wat hij bedoelde. 30 ‘Wees niet bang, Maria,’ zei de engel, ‘want God heeft besloten u heel bijzonder te zegenen. 31 U zult zwanger worden en een zoon krijgen, die u de naam Jezus moet geven. 32 Hij zal een groot man zijn en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Here, zal Hem de troon van zijn voorvader David geven. 33 Hij zal voor altijd over het volk Israël regeren en aan zijn regering zal geen einde komen.’

34 ‘Maar hoe kan ik een kind krijgen?’ vroeg Maria. ‘Ik ben nog maagd.’ 35 De engel antwoordde: ‘De Heilige Geest zal over u komen. U zult zwanger worden door de kracht van God. Daarom zal uw Kind heilig zijn en de Zoon van God worden genoemd. 36 Ik heb nog meer nieuws. Het is over uw oude tante Elisabeth. U weet dat zij geen kinderen kon krijgen, maar nu verwacht zij een zoon. Zij is al in haar zesde maand. 37 Voor God is niets onmogelijk. Wat Hij zegt, gebeurt.’

38 ‘Goed,’ zei Maria, ‘de Here mag met mij doen wat Hij wil. Ik hoop dat het zo zal gaan als u mij hebt gezegd.’ Daarop ging de engel weg.

39 Kort daarop reisde Maria zo vlug zij kon naar het bergland van Judea om Elisabeth te bezoeken. 40 Zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth. 41 Toen Elisabeth de groet van Maria hoorde, begon het kind in haar buik te trappelen. En Elisabeth zelf werd vol van de Heilige Geest. 42 Zij jubelde het uit en zei tegen Maria: ‘Jij bent de meest gezegende vrouw van de hele wereld en jouw kind draagt Gods zegen.

43 Wat een eer dat de moeder van mijn Here bij mij op bezoek komt. 44 Want toen je binnenkwam en ik je stem hoorde, begon het kind in mijn buik te trappelen van blijdschap. 45 Jij hebt geloofd dat God zou doen wat Hij zei. Wat een geluk!’

46 Maria antwoordde: ‘Ik prijs de Here met mijn hele hart! 47 Ik kan mijn blijdschap niet op! 48 God, mijn Redder, heeft aan mij gedacht. En ik ben maar een gewone vrouw. Nu zullen de mensen altijd en overal zeggen dat ik bevoorrecht ben, 49 want de machtige, heilige God heeft grote dingen voor mij gedaan. 50 Hij is altijd goed voor mensen, die ontzag voor Hem hebben. 51 Hij heeft laten zien hoe groot en machtig Hij is. Hij heeft hoogmoedige mensen in verwarring gebracht 52 en vorsten van hun troon gestoten. Maar gewone mensen zijn door Hem op een voetstuk gezet. 53 Hij heeft hongerigen overladen met het goede en rijken met lege handen weggestuurd. 54 Hij heeft zijn knecht Israël geholpen. 55 Hij is zijn belofte niet vergeten, want hij had Abraham en zijn kinderen beloofd altijd goed voor hen te zijn.’

56 Maria bleef ongeveer drie maanden bij Elisabeth. Toen ging zij terug naar huis. 57 De dag kwam dat Elisabeths kind geboren werd en het was een jongen. 58 Natuurlijk kwamen haar buren en familieleden het al gauw te weten. Iedereen was blij omdat de Here zo goed voor haar was geweest. 59 Toen het kind acht dagen oud was, werd naar Joods gebruik zijn voorhuid weggesneden en kreeg hij zijn naam. Ieder die bij deze plechtigheid aanwezig was, dacht dat het kind net als zijn vader Zacharias zou heten. 60 Maar Elisabeth zei: ‘Nee! Hij moet Johannes heten.’ 61 ‘Johannes? Er is toch niemand in de hele familie die zo heet!’ zei men. 62 Ze vroegen de vader wat hij ervan vond. 63 Hij maakte hun duidelijk dat hij iets wilde hebben om op te schrijven. 64 Tot ieders verbazing schreef hij: ‘Zijn naam is Johannes.’ Op hetzelfde moment kon hij weer spreken en begon hij God te prijzen. 65 Dit maakte diepe indruk op de mensen. Overal in het bergland van Judea werd erover gesproken. 66 Ieder die het nieuws hoorde, nam het ter harte en zei: ‘Wat zal er van dat kind worden?’ Want het was duidelijk dat de Here iets bijzonders met hem voorhad. 67 Zacharias werd vol van de Heilige Geest, die hem liet zeggen: 68 ‘Prijs de Here, de God van Israël. Hij heeft zijn volk bezocht en gered. 69 Hij heeft ons een machtige Redder gestuurd uit het geslacht van zijn dienaar David, 70 zoals Hij lang geleden door zijn heilige profeten had beloofd. 71 Hij heeft ons iemand gestuurd die ons zal redden uit de handen van onze vijanden, van allen die ons haten. 72 Hij is goed voor onze voorouders geweest. 73 Hij heeft zijn plechtige belofte aan Abraham niet vergeten. 74 Hij heeft ons het voorrecht gegeven Hem te dienen zonder angst, bevrijd uit de handen van onze vijanden. 75 Wij mogen bij Hem horen en doen wat Hij zegt, heel ons leven lang.

76 En jij, kind, jij zult een profeet van de Allerhoogste God worden genoemd. Jij zult voor de Redder uitgaan om zijn volk voor te bereiden op zijn komst. 77 Jij zult hun vertellen dat zij gered kunnen worden door de vergeving van hun zonden. 78 Want het hart van onze God loopt over van liefde en goedheid. Een hemels licht zal op ons schijnen, 79 zodat de mensen die in het donker en de schaduw van de dood zitten, weer kunnen zien en wij op de weg van de vrede worden gebracht.’

80 De jonge Johannes groeide op en werd sterk gemaakt door de Heilige Geest. Hij hield zich op in dorre streken en bleef daar tot de dag dat hij in het openbaar in Israël optrad.

Bíbélì Mímọ́ Yorùbá Òde Òn

Luku 1

1Ọ̀pọ̀ ènìyàn ni ó ti dáwọ́lé títo àwọn nǹkan wọ̀n-ọn-nì jọ lẹ́sẹẹsẹ, èyí tí ó ti múlẹ̀ ṣinṣin láàrín wa, àní gẹ́gẹ́ bí àwọn ìránṣẹ́ ọ̀rọ̀ náà, tí ó ṣe ojú wọn láti ìbẹ̀rẹ̀ ti fi lé wa lọ́wọ́. Nítorí náà, ó sì yẹ fún èmi pẹ̀lú, láti kọ̀wé sí ọ lẹ́sẹẹsẹ bí mo ti wádìí ohun gbogbo fínní fínní sí láti ìpilẹ̀ṣẹ̀, Teofilu ọlọ́lá jùlọ, kí ìwọ kí ó le mọ òtítọ́ ohun wọ̀n-ọn-nì, tí a ti kọ́ ọ.

Àsọtẹ́lẹ̀ nípa ibí Johanu onítẹ̀bọmi

Nígbà ọjọ́ Herodu ọba Judea, àlùfáà kan wà, láti ìran Abijah, orúkọ rẹ̀ a máa jẹ́ Sekariah: aya rẹ̀ sì ṣe ọ̀kan nínú àwọn ọmọbìnrin Aaroni, orúkọ rẹ̀ a sì máa jẹ́ Elisabeti. Àwọn méjèèjì sì ṣe olódodo níwájú Ọlọ́run, wọ́n ń rìn ní gbogbo òfin àti ìlànà Olúwa ní àìlẹ́gàn. Ṣùgbọ́n wọn kò ní ọmọ, nítorí tí Elisabeti yàgàn; àwọn méjèèjì sì di arúgbó.

Ó sì ṣe, nígbà tí ó ń ṣe iṣẹ́ àlùfáà níwájú Ọlọ́run ni àkókò tirẹ̀ Bí ìṣe àwọn àlùfáà, ipa tirẹ̀ ni láti máa fi tùràrí jóná, nígbà tí ó bá wọ inú tẹmpili Olúwa lọ. 10 Gbogbo ìjọ àwọn ènìyàn sì ń gbàdúrà lóde ní àkókò sísun tùràrí.

11 Angẹli Olúwa kan sì fi ara hàn án, ó dúró ní apá ọ̀tún pẹpẹ tùràrí. 12 Nígbà tí Sekariah sì rí i, orí rẹ̀ wú, ẹ̀rù sì bà á. 13 Ṣùgbọ́n angẹli náà wí fún un pé, “Má bẹ̀rù, Sekariah: nítorí tí àdúrà rẹ gbà; Elisabeti aya rẹ yóò sì bí ọmọkùnrin kan fún ọ, ìwọ ó sì sọ orúkọ rẹ̀ ní Johanu. 14 Òun yóò sì jẹ́ ayọ̀ àti ìdùnnú fún ọ: ènìyàn púpọ̀ yóò sì yọ̀ sí ìbí rẹ. 15 Nítorí òun ó pọ̀ níwájú Olúwa, kì yóò sì mu ọtí wáìnì, bẹ́ẹ̀ ni kì yóò sì mu ọtí líle; yóò sì kún fún Ẹ̀mí Mímọ́ àní láti inú ìyá rẹ̀ wá. 16 Òun ó sì yí ènìyàn púpọ̀ padà nínú àwọn ọmọ Israẹli sí Olúwa Ọlọ́run wọn. 17 Ẹ̀mí àti agbára Elijah ni Olúwa yóò sì fi ṣáájú rẹ̀ lọ, láti pa ọkàn àwọn baba dà sí ti àwọn ọmọ, àti ti àwọn aláìgbọ́ràn sí ọgbọ́n àwọn olóòtítọ́; kí ó le pèsè àwọn ènìyàn tí a múra sílẹ̀ de Olúwa.”

18 Sekariah sì wí fún angẹli náà pé, “Ààmì wo ni èmi ó fi mọ èyí? Èmi sá ti di àgbà, àti Elisabeti aya mi sì di arúgbó.”

19 Angẹli náà sì dáhùn ó wí fún un pé, “Èmi ni Gabrieli, tí máa ń dúró níwájú Ọlọ́run; èmi ni a rán wá láti sọ fún ọ, àti láti mú ìròyìn ayọ̀ wọ̀nyí fún ọ wá. 20 Sì kíyèsi i, ìwọ ó yadi, ìwọ kì yóò sì le fọhùn, títí ọjọ́ náà tí nǹkan wọ̀nyí yóò fi ṣẹ, nítorí ìwọ kò gba ọ̀rọ̀ mi gbọ́ tí yóò ṣẹ ní àkókò wọn.”

21 Àwọn ènìyàn sì ń dúró de Sekariah, ẹnu sì yà wọ́n nítorí tí ó pẹ́ nínú tẹmpili. 22 Nígbà tí ó sì jáde wá, òun kò le bá wọn sọ̀rọ̀. Wọn sì kíyèsi wí pé ó ti rí ìran nínú tẹmpili, ó sì ń ṣe àpẹẹrẹ sí wọn, nítorí tí ó yadi.

23 Ó sì ṣe, nígbà tí ọjọ́ iṣẹ́ ìsìn rẹ̀ pé, ó lọ sí ilé rẹ̀. 24 Lẹ́yìn èyí ni Elisabeti aya rẹ̀ lóyún, ó sì fi ara rẹ̀ pamọ́ ní oṣù márùn-ún, 25 Ó sì wí pé “Báyìí ni Olúwa ṣe fún mi ní ọjọ́ tí ó ṣíjú wò mí, láti mú ẹ̀gàn mi kúrò láàrín àwọn ènìyàn.”

Ìsọtẹ́lẹ̀ ibi Jesu

26 Ní oṣù kẹfà Ọlọ́run sì rán angẹli Gabrieli sí ìlú kan ní Galili, tí à ń pè ní Nasareti, 27 sí wúńdíá kan tí a ṣèlérí láti fẹ́ fún ọkùnrin kan, tí a ń pè ní Josẹfu, ti ìdílé Dafidi; orúkọ wúńdíá náà a sì máa jẹ́ Maria. 28 Angẹli náà sì tọ̀ ọ́ wá, ó ní, “Àlàáfíà fun ọ, ìwọ ẹni tí a kọjú sí ṣe ní oore, Olúwa ń bẹ pẹ̀lú rẹ.”

29 Ṣùgbọ́n ọkàn Maria kò lélẹ̀ nítorí ọ̀rọ̀ náà, ó sì rò nínú ara rẹ̀ pé, irú kíkí kín ni èyí. 30 Ṣùgbọ́n angẹli náà wí fún un pé, “Má bẹ̀rù, Maria: nítorí ìwọ ti rí ojúrere lọ́dọ̀ Ọlọ́run. 31 Ìwọ yóò lóyún nínú rẹ, ìwọ ó sì bí ọmọkùnrin kan, ìwọ ó sì pe orúkọ rẹ̀ ní Jesu. 32 Òun ó pọ̀, Ọmọ Ọ̀gá-ògo jùlọ ni a ó sì máa pè é: Olúwa Ọlọ́run yóò sì fi ìtẹ́ Dafidi baba rẹ̀ fún: 33 Yóò sì jẹ ọba lórí ilé Jakọbu títí láé; ìjọba rẹ̀ kì yóò sì ní ìpẹ̀kun.”

34 Nígbà náà ni Maria béèrè lọ́wọ́ angẹli náà pé, “Èyí yóò ha ti ṣe rí bẹ́ẹ̀, nígbà tí èmi kò tí ì mọ ọkùnrin.”

35 Angẹli náà sì dáhùn ó sì wí fún un pé, “Ẹ̀mí Mímọ́ yóò tọ̀ ọ́ wá, agbára Ọ̀gá-ògo jùlọ yóò ṣíji bò ọ́. Nítorí náà ohun mímọ́ tí a ó ti inú rẹ bí, Ọmọ Ọlọ́run ni a ó máa pè é. 36 Sì kíyèsi i, Elisabeti ìbátan rẹ náà yóò sì ní ọmọkùnrin kan ní ògbólógbòó rẹ̀. Èyí sì ni oṣù kẹfà fún ẹni tí à ń pè ní àgàn. 37 Nítorí kò sí ohun tí Ọlọ́run kò le ṣe.”

38 Maria sì dáhùn wí pé, “Wò ó ọmọ ọ̀dọ̀ Olúwa; kí ó rí fún mi gẹ́gẹ́ bí ọ̀rọ̀ rẹ.” Angẹli náà sì fi í sílẹ̀ lọ.

Maria bẹ Elisabeti wò

39 Ní àkókò náà ni Maria sì dìde, ó lọ kánkán sí ilẹ̀ òkè, sí ìlú kan ní Judea; 40 Ó sì wọ ilé Sekariah lọ ó sì kí Elisabeti. 41 Ó sì ṣe, nígbà tí Elisabeti gbọ́ kíkí Maria, ọlẹ̀ sọ nínú rẹ̀; Elisabeti sì kún fún Ẹ̀mí mímọ́; 42 Ó sì ké ní ohùn rara, ó sì wí pé, “Alábùkún fún ni ìwọ nínú àwọn obìnrin, alábùkún fún sì ni ọmọ tí ìwọ yóò bí. 43 Èéṣe tí èmi fi rí irú ojúrere yìí, tí ìyá Olúwa mi ìbá fi tọ̀ mí wá? 44 Sá wò ó, bí ohùn kíkí rẹ ti bọ́ sí mi ní etí, ọlẹ̀ sọ nínú mi fún ayọ̀. 45 Alábùkún fún sì ni ẹni tí ó gbàgbọ́: nítorí nǹkan wọ̀nyí tí a ti sọ fún un láti ọ̀dọ̀ Olúwa wá yóò ṣẹ.”

Orin Maria

46 Maria sì dáhùn, ó ní:

“Ọkàn mi yin Olúwa lógo,

47     Ẹ̀mí mi sì yọ̀ sí Ọlọ́run Olùgbàlà mi.
48 Nítorí tí ó ṣíjú wo ìwà ìrẹ̀lẹ̀
    ọmọbìnrin ọ̀dọ̀ rẹ̀: Sá wò ó.
Láti ìsinsin yìí lọ gbogbo ìran ènìyàn ni yóò máa pè mí ní alábùkún fún.
49     Nítorí ẹni tí ó ní agbára ti ṣe ohun tí ó tóbi fún mi;
    Mímọ́ sì ni orúkọ rẹ̀.
50 Àánú rẹ̀ sì ń bẹ fún àwọn tí ó bẹ̀rù rẹ̀
    láti ìrandíran.
51 Ó ti fi agbára hàn ní apá rẹ̀;
    o ti tú àwọn onígbèéraga ká ní ìrònú ọkàn wọn.
52 Ó ti mú àwọn alágbára kúrò lórí ìtẹ́ wọn,
    o sì gbé àwọn onírẹ̀lẹ̀ lékè.
53 Ó ti fi ohun tí ó dára kún àwọn tí ebi ń pa
    ó sì rán àwọn ọlọ́rọ̀ padà ní òfo.
54 Ó ti ran Israẹli ọmọ ọ̀dọ̀ rẹ̀ lọ́wọ́,
    Ní ìrántí àánú rẹ̀;
55 sí Abrahamu àti àwọn ìran rẹ̀ láéláé, baba wa,
    àti bí ó ti sọ fún àwọn baba wa.”

56 Maria sì jókòó tì Elisabeti níwọ̀n oṣù mẹ́ta, ó sì padà lọ sí ilé rẹ̀.

Ìbí Johanu onítẹ̀bọmi

57 Nígbà tí ọjọ́ Elisabeti pé tí yóò bí; ó sì bí ọmọkùnrin kan. 58 Àwọn aládùúgbò, àti àwọn ìbátan rẹ̀ gbọ́ bí Olúwa ti fi àánú ńlá hàn fún un, wọ́n sì bá a yọ̀.

59 Ó sì ṣe, ní ọjọ́ kẹjọ wọ́n wá láti kọ ọmọ náà nílà; wọ́n sì fẹ́ sọ orúkọ rẹ̀ ní Sekariah, gẹ́gẹ́ bí orúkọ baba rẹ̀. 60 Ìyá rẹ̀ sì dáhùn, ó ní, “Bẹ́ẹ̀ kọ́! Johanu ni a ó pè é.”

61 Wọ́n sì wí fún un pé, “Kò sí ọ̀kan nínú àwọn ará rẹ̀ tí à ń pè ní orúkọ yìí.”

62 Wọ́n sì ṣe àpẹẹrẹ sí baba rẹ̀, bí ó ti ń fẹ́ kí a pè é. 63 Ó sì béèrè fún wàláà, ó sì kọ ọ wí pé, “Johanu ni orúkọ rẹ̀.” Ẹnu sì ya gbogbo wọn. 64 Ẹnu rẹ̀ sì ṣí lọ́gán, okùn ahọ́n rẹ̀ sì tú, ó sì sọ̀rọ̀, ó sì ń yin Ọlọ́run. 65 Ẹ̀rù sì ba gbogbo àwọn tí ń bẹ ní agbègbè wọn: a sì ròyìn gbogbo nǹkan wọ̀nyí ká gbogbo ilẹ̀ òkè Judea. 66 Ó sì jẹ́ ohun ìyanu fún gbogbo àwọn tí ó gbọ́ nípa rẹ̀, wọ́n sì tò ó sínú ọkàn wọn, wọ́n ń wí pé, “Irú-ọmọ kín ni èyí yóò jẹ́?” Nítorí tí ọwọ́ Olúwa wà pẹ̀lú rẹ̀.

Orin Ṣakariah

67 Sekariah baba rẹ̀ sì kún fún Ẹ̀mí Mímọ́, ó sì sọtẹ́lẹ̀, ó ní:

68 “Olùbùkún ni Olúwa Ọlọ́run Israẹli;
    nítorí tí ó ti bojú wò, tí ó sì ti dá àwọn ènìyàn rẹ̀ nídè,
69 Ó sì ti gbé ìwo ìgbàlà sókè fún wa
    ní ilé Dafidi ọmọ ọ̀dọ̀ rẹ̀;
70 (bí ó ti sọtẹ́lẹ̀ láti ẹnu àwọn wòlíì rẹ̀ mímọ́ tipẹ́tipẹ́),
71 Pé, a ó gbà wá là lọ́wọ́
    àwọn ọ̀tá wa àti lọ́wọ́ àwọn tí ó kórìíra wá.
72 Láti ṣe àánú tí ó ṣèlérí fún àwọn baba wa,
    àti láti rántí májẹ̀mú rẹ̀ mímọ́,
73 ìbúra tí ó ti bú fún Abrahamu baba wa,
74 láti gbà wá lọ́wọ́ àwọn ọ̀tá wa,
    kí àwa kí ó lè máa sìn láìfòyà,
75     ni ìwà mímọ́ àti ní òdodo níwájú rẹ̀, ní ọjọ́ ayé wa gbogbo.

76 “Àti ìwọ, ọmọ mi, wòlíì Ọ̀gá-ògo jùlọ ni a ó máa pè ọ́:
    nítorí ìwọ ni yóò ṣáájú Olúwa láti tún ọ̀nà rẹ̀ ṣe;
77 láti fi ìmọ̀ ìgbàlà fún àwọn ènìyàn rẹ̀
    fún ìmúkúrò ẹ̀ṣẹ̀ wọn,
78 nítorí ìyọ́nú Ọlọ́run wà;
    nípa èyí tí ìlà-oòrùn láti òkè wá bojú wò wá,
79 Láti fi ìmọ́lẹ̀ fún àwọn tí ó jókòó ní
    òkùnkùn àti ní òjìji ikú,
àti láti fi ẹsẹ̀ wa lé ọ̀nà àlàáfíà.”

80 Ọmọ náà sì dàgbà, ó sì le ní ọkàn, ó sì ń gbé ní ijù títí ó fi di ọjọ́ ìfihàn rẹ̀ fún Israẹli.