Het Boek

Leviticus 14

Reiniging na melaatsheid

11,2 De Here gaf Mozes de volgende voorschriften voor iemand die van zijn melaatsheid genezen is verklaard: 3,4 ‘De priester zal het kamp verlaten om hem te onderzoeken. Als hij ziet dat de melaatsheid is verdwenen, zal hij vragen om twee levende, reine vogels, cederhout, scharlaken en hysop om die te gebruiken bij de reinigingsceremonie van degene die genezen is. De priester zal dan opdracht geven een van de vogels te slachten boven een aardewerken pot waarin zich fris bronwater bevindt. De andere vogel zal, samen met het cederhout, scharlaken en hysop in het bloed van de gedode vogel worden gedoopt. Vervolgens zal de priester zevenmaal bloed sprenkelen over de man die is genezen. Daarna zal hij hem rein verklaren. De levende vogel zal hij in het open veld laten vliegen. De genezene moet zijn kleren wassen, al zijn haar afscheren, een bad nemen en in het kamp terugkeren. Eenmaal in het kamp moet hij nog zeven dagen buiten zijn tent blijven. Op de zevende dag moet hij opnieuw al het haar van zijn hoofd, baard en wenkbrauwen afscheren, zijn kleren wassen en een bad nemen. Daarna zal hij volkomen genezen worden verklaard.

10 De volgende dag, de achtste, moet hij twee lammeren zonder gebreken, een eenjarige ooi zonder gebreken, zes zes tiende liter fijn meel, aangemaakt met olijfolie en eenderde liter olijfolie nemen. 11 De priester die hem genezen verklaart, zal de genezen man met zijn offer bij de ingang van de tabernakel voor de ogen van de Here brengen. 12 De priester zal een van de lammeren en de olijfolie aan de Here offeren als een schuldoffer, door deze staande voor het altaar omhoog te heffen. 13 Dan zal hij het lam slachten op de plaats waar ook de zondoffers en brandoffers worden geslacht in de tabernakel. Dit schuldoffer zal dan aan de priester worden gegeven als voedsel, zoals dat ook bij het zondoffer gebeurt. Het is een allerheiligst offer. 14 De priester zal het bloed van dit schuldoffer met zijn vinger aan de rechter oorlel, de rechter duim en de rechter grote teen strijken van degene die moet worden gereinigd.

15,16 Daarna zal de priester de olijfolie nemen, iets ervan in de palm van zijn linkerhand gieten, zijn rechter vinger erin dopen en het zevenmaal voor de Here uitsprenkelen. 17 Iets van de in zijn linkerhand overgebleven olijfolie zal de priester met zijn vinger aan de rechter oorlel, de rechter duim en de rechter grote teen van de man strijken, op het bloed van het schuldoffer. 18 De rest van de olie in zijn linkerhand zal de priester aanbrengen op het hoofd van de te reinigen man. Zo zal de priester verzoening voor hem doen bij de Here. 19 Daarna moet de priester het zondoffer offeren en opnieuw de reinigingsceremonie volbrengen voor de van melaatsheid genezen man. 20 Vervolgens zal de priester het brandoffer slachten en het tegelijk met het spijsoffer op het altaar offeren en zo verzoening doen over de man, die daarna volkomen rein zal worden verklaard.

21 Als hij zo arm is dat hij geen twee lammeren kan offeren, moet hij er één brengen voor het schuldoffer om aan de Here te worden aangeboden als een offer door het omhoog te heffen, staande voor het altaar en slechts 2,2 liter fijn meel, aangemaakt met olijfolie, als spijsoffer en eenderde liter olijfolie. 22 Hij zal tevens twee tortelduiven of jonge duiven brengen, afhankelijk van wat hij zich kan veroorloven. De ene duif zal worden gebruikt voor het zondoffer, de andere voor het brandoffer. 23 Hij zal deze op de achtste dag bij de priester aan de ingang van de tabernakel brengen om ze te gebruiken bij zijn reinigingsceremonie voor de Here. 24 De priester zal het lam van het schuldoffer en de olie aan de Here offeren door het omhoog te heffen. 25 Dan zal hij het lam voor het schuldoffer slachten en iets van het bloed strijken aan de rechter oorlel, de rechter duim en de rechter grote teen van de man die moet worden gereinigd. 26 De priester zal daarna de olijfolie in de palm van zijn linkerhand gieten. 27 Met zijn rechter vinger moet hij de olie zevenmaal voor de Here uitsprenkelen. 28 Dan moet hij iets van de olie strijken aan de rechter oorlel, de rechter duim en de rechter grote teen van de man op het bloed van het schuldoffer. 29 De rest van de olie moet op het hoofd van de man worden gedaan om verzoening voor hem te doen voor de Here. 30 Dan moet hij de twee tortelduiven of jonge duiven (afhankelijk van wat de man zich kan veroorloven) offeren. 31 Een van de twee is voor het zondoffer, de andere is voor het brandoffer en wordt samen met het spijsoffer geofferd. Zo zal de priester tegenover de Here verzoening doen voor de man.’

32 Dit zijn de voorschriften betreffende hen die van melaatsheid worden gereinigd, maar niet in staat zijn de offers te brengen, die gewoonlijk worden verlangd voor een reinigingsceremonie.

33-35 Toen zei de Here tegen Mozes en Aäron: ‘Wanneer u aankomt in het land Kanaän dat Ik u zal geven en Ik laat in een huis melaatsheid ontstaan, dan moet de eigenaar van het huis naar de priester gaan en zeggen: “Ik geloof dat er melaatsheid in mijn huis heerst!” 36 De priester zal eerst het huis laten ontruimen voordat hij een onderzoek komt instellen, om te voorkomen dat alles onrein wordt verklaard als hij inderdaad melaatsheid constateert. 37,38 Als hij in de wanden van het huis groenachtige of roodachtige kuiltjes vindt die dieper schijnen te zitten dan de buitenkant van de muur, zal hij het huis zeven dagen sluiten. 39 Op de zevende dag zal hij terugkomen voor een tweede onderzoek. 40 Als de plekken zich over de muur hebben verspreid, zal hij opdracht geven de aangetaste delen uit de muur te halen. Het materiaal moet op een onreine plaats buiten de stad worden gestort. 41 Daarna zal hij opdracht geven de muren van het huis helemaal af te schrapen. Ook dat materiaal moet op een onreine plaats buiten de stad worden gestort. 42 Voor de stenen die zijn verwijderd, moeten nieuwe worden aangebracht en die moeten worden ingemetseld met nieuwe specie. Het hele huis moet daarna opnieuw worden gepleisterd. 43,44 Als de plekken opnieuw verschijnen, zal de priester terugkomen om te kijken en als hij ziet dat de plekken zich hebben verspreid, is het melaatsheid en is het huis onrein. 45 Hij zal dan opdracht geven het huis af te breken. Alle stenen, houtwerk en leem van het huis moeten op een onreine plaats buiten de stad worden gestort. 46 Ieder die het huis binnengaat terwijl het is afgesloten, zal tot de avond onrein zijn. 47 Ieder die in het huis slaapt of eet, zal zijn kleren wassen. 48 Maar als de priester terugkomt en de plekken zijn niet opnieuw verschenen nadat het nieuwe pleisterwerk is aangebracht, zal hij het huis rein verklaren. De melaatsheid is dan verdwenen. 49 Hij zal dan ook een reinigingsceremonie uitvoeren met twee vogels, cederhout, scharlaken en hysop. 50-52 Hij zal de ene vogel slachten boven een aardewerken pot met fris bronwater en het cederhout, de hysop, het scharlaken én de levende vogel in het bloed van de gedode vogel dopen en het huis zevenmaal besprenkelen. Zo zal het huis worden gereinigd. 53 Daarna zal hij de levende vogel in het vrije veld buiten de stad loslaten. Op deze wijze wordt verzoening voor het huis gedaan en wordt het gereinigd.’

54-56 Dit zijn de voorschriften betreffende de talloze plaatsen waar melaatsheid kan verschijnen: in een kledingstuk of een huis, in een gezwel op de huid, in een litteken van een brandwond of op een lichte plek. 57 Op deze manier wordt bepaald of het melaatsheid is of niet. Daarom zijn deze wetten gegeven.

New American Standard Bible

Leviticus 14

Law of Cleansing a Leper

1Then the Lord spoke to Moses, saying, “This shall be the law of the leper in the day of his cleansing. Now he shall be brought to the priest, and the priest shall go out to the outside of the camp. Thus the priest shall look, and if the [a]infection of leprosy has been healed in the leper, then the priest shall give orders to take two live clean birds and cedar wood and a [b]scarlet string and hyssop for the one who is to be cleansed. The priest shall also give orders to slay the one bird in an earthenware vessel over [c]running water. As for the live bird, he shall take it together with the cedar wood and the [d]scarlet string and the hyssop, and shall dip them and the live bird in the blood of the bird that was slain over the [e]running water. He shall then sprinkle seven times the one who is to be cleansed from the leprosy and shall pronounce him clean, and shall let the live bird go free over the open field. The one to be cleansed shall then wash his clothes and shave off all his hair and bathe in water and be clean. Now afterward, he may enter the camp, but he shall stay outside his tent for seven days. It will be on the seventh day that he shall shave off all his hair: he shall shave his head and his beard and his eyebrows, even all his hair. He shall then wash his clothes and bathe his [f]body in water and be clean.

10 “Now on the eighth day he is to take two male lambs without defect, and a yearling ewe lamb without defect, and three-tenths of an [g]ephah of fine flour mixed with oil for a grain offering, and one [h]log of oil; 11 and the priest who pronounces him clean shall present the man to be cleansed and the [i]aforesaid before the Lord at the doorway of the tent of meeting. 12 Then the priest shall take the one male lamb and bring it for a guilt offering, with the [j]log of oil, and present them as a wave offering before the Lord. 13 Next he shall slaughter the male lamb in the place where they slaughter the sin offering and the burnt offering, at the place of the sanctuary—for the guilt offering, like the sin offering, belongs to the priest; it is most holy. 14 The priest shall then take some of the blood of the guilt offering, and the priest shall put it on the lobe of the right ear of the one to be cleansed, and on the thumb of his right hand and on the big toe of his right foot. 15 The priest shall also take some of the [k]log of oil, and pour it into his left palm; 16 the priest shall then dip his right-hand finger into the oil that is in his left palm, and with his finger sprinkle some of the oil seven times before the Lord. 17 Of the remaining oil which is in his palm, the priest shall put some on the right ear lobe of the one to be cleansed, and on the thumb of his right hand, and on the big toe of his right foot, on the blood of the guilt offering; 18 while the rest of the oil that is in the priest’s palm, he shall put on the head of the one to be cleansed. So the priest shall make atonement on his behalf before the Lord. 19 The priest shall next offer the sin offering and make atonement for the one to be cleansed from his uncleanness. Then afterward, he shall slaughter the burnt offering. 20 The priest shall offer up the burnt offering and the grain offering on the altar. Thus the priest shall make atonement for him, and he will be clean.

21 “But if he is poor and his [l]means are insufficient, then he is to take one male lamb for a guilt offering as a wave offering to make atonement for him, and one-tenth of an [m]ephah of fine flour mixed with oil for a grain offering, and a [n]log of oil, 22 and two turtledoves or two young pigeons which [o]are within his means, the one shall be a sin offering and the other a burnt offering. 23 Then the eighth day he shall bring them for his cleansing to the priest, at the doorway of the tent of meeting, before the Lord. 24 The priest shall take the lamb of the guilt offering and the [p]log of oil, and the priest shall offer them for a wave offering before the Lord. 25 Next he shall slaughter the lamb of the guilt offering; and the priest is to take some of the blood of the guilt offering and put it on the lobe of the right ear of the one to be cleansed and on the thumb of his right hand and on the big toe of his right foot. 26 The priest shall also pour some of the oil into his left palm; 27 and with his right-hand finger the priest shall sprinkle some of the oil that is in his left palm seven times before the Lord. 28 The priest shall then put some of the oil that is in his palm on the lobe of the right ear of the one to be cleansed, and on the thumb of his right hand and on the big toe of his right foot, on the place of the blood of the guilt offering. 29 Moreover, the rest of the oil that is in the priest’s palm he shall put on the head of the one to be cleansed, to make atonement on his behalf before the Lord. 30 He shall then offer one of the turtledoves or young pigeons, [q]which are within his means. 31 He shall offer what [r]he can afford, the one for a sin offering and the other for a burnt offering, together with the grain offering. So the priest shall make atonement before the Lord on behalf of the one to be cleansed. 32 This is the law for him in whom there is an infection of leprosy, whose [s]means are limited for his cleansing.”

Cleansing a Leprous House

33 The Lord further spoke to Moses and to Aaron, saying:

34 “When you enter the land of Canaan, which I give you for a possession, and I put a mark of leprosy on a house in the land of your possession, 35 then the one who owns the house shall come and tell the priest, saying, ‘Something like a mark of leprosy has become visible to me in the house.’ 36 The priest shall then command that they empty the house before the priest goes in to look at the mark, so that everything in the house need not become unclean; and afterward the priest shall go in to look at the house. 37 So he shall look at the mark, and if the mark on the walls of the house has greenish or reddish depressions and appears deeper than the [t]surface, 38 then the priest shall come out of the house, to the [u]doorway, and [v]quarantine the house for seven days. 39 The priest shall return on the seventh day and [w]make an inspection. If the mark has indeed spread in the walls of the house, 40 then the priest shall order them to tear out the stones with the mark in them and throw them away [x]at an unclean place outside the city. 41 He shall have the house scraped all around [y]inside, and they shall dump the plaster that they scrape off at an unclean place outside the city. 42 Then they shall take other stones and replace those stones, and he shall take other plaster and replaster the house.

43 “If, however, the mark breaks out again in the house after he has torn out the stones and scraped the house, and after it has been replastered, 44 then the priest shall come in and [z]make an inspection. If he sees that the mark has indeed spread in the house, it is a malignant mark in the house; it is unclean. 45 He shall therefore tear down the house, its stones, and its timbers, and all the plaster of the house, and he shall take them outside the city to an unclean place. 46 Moreover, whoever goes into the house during the time that he has [aa]quarantined it, becomes unclean until evening. 47 Likewise, whoever lies down in the house shall wash his clothes, and whoever eats in the house shall wash his clothes.

48 “If, on the other hand, the priest comes in and [ab]makes an inspection and the mark has not indeed spread in the house after the house has been replastered, then the priest shall pronounce the house clean because the mark has [ac]not reappeared. 49 To cleanse the house then, he shall take two birds and cedar wood and a [ad]scarlet string and hyssop, 50 and he shall slaughter the one bird in an earthenware vessel over [ae]running water. 51 Then he shall take the cedar wood and the hyssop and the [af]scarlet string, with the live bird, and dip them in the blood of the slain bird as well as in the [ag]running water, and sprinkle the house seven times. 52 He shall thus cleanse the house with the blood of the bird and with the [ah]running water, along with the live bird and with the cedar wood and with the hyssop and with the [ai]scarlet string. 53 However, he shall let the live bird go free outside the city into the open field. So he shall make atonement for the house, and it will be clean.”

54 This is the law for any mark of leprosy—even for a scale, 55 and for the leprous garment or house, 56 and for a swelling, and for a scab, and for a bright spot— 57 to teach [aj]when they are unclean and [ak]when they are clean. This is the law of leprosy.

Notas al pie

  1. Leviticus 14:3 Lit mark, stroke, and so throughout the ch
  2. Leviticus 14:4 Lit scarlet color and
  3. Leviticus 14:5 Lit living
  4. Leviticus 14:6 Lit scarlet color and
  5. Leviticus 14:6 Lit living
  6. Leviticus 14:9 Lit flesh
  7. Leviticus 14:10 I.e. Approx one bu
  8. Leviticus 14:10 I.e. Approx one pt
  9. Leviticus 14:11 Lit them
  10. Leviticus 14:12 I.e. Approx one pt
  11. Leviticus 14:15 I.e. Approx one pt
  12. Leviticus 14:21 Lit hand is not reaching
  13. Leviticus 14:21 I.e. Approx one bu
  14. Leviticus 14:21 I.e. Approx one pt
  15. Leviticus 14:22 Lit his hand reaches
  16. Leviticus 14:24 I.e. Approx one pt
  17. Leviticus 14:30 Lit from those which his hand can reach
  18. Leviticus 14:31 Lit his hand can reach
  19. Leviticus 14:32 Lit hand does not reach
  20. Leviticus 14:37 Lit wall
  21. Leviticus 14:38 Lit doorway of the house
  22. Leviticus 14:38 Lit shut up
  23. Leviticus 14:39 Lit look
  24. Leviticus 14:40 Lit to
  25. Leviticus 14:41 Lit from the house around
  26. Leviticus 14:44 Lit look
  27. Leviticus 14:46 Lit shut up
  28. Leviticus 14:48 Lit looks
  29. Leviticus 14:48 Lit healed
  30. Leviticus 14:49 Lit scarlet color
  31. Leviticus 14:50 Lit living
  32. Leviticus 14:51 Lit scarlet color
  33. Leviticus 14:51 Lit living
  34. Leviticus 14:52 Lit living
  35. Leviticus 14:52 Lit scarlet color
  36. Leviticus 14:57 Lit in the day of uncleanness
  37. Leviticus 14:57 Lit in the day of cleanness