Jeremia 51 – HTB & TNCV

Het Boek

Jeremia 51:1-64

De vernietiging van Babel voorzegd

1De Here zegt: ‘Ik zal een vernietiger Babel en alle inwoners laten overvallen. 2Vreemdelingen zullen komen, haar schudden en wegblazen, van alle kanten zullen zij tegen haar opstaan op de dag van het onheil. 3De vijandelijke schutters zullen hun bogen spannen, zij zullen hun wapenuitrusting aandoen. Niemand zal worden gespaard, jong en oud wordt vernietigd. 4Zij zullen stervend neervallen in het land van de Chaldeeën en worden doodgeslagen in de straten. 5Want de Here, de God van de hemelse legers, heeft Israël en Juda niet vergeten. Hij is nog steeds hun God, ondanks al hun zonden. 6Vlucht uit Babel! Red uzelf! Als u blijft, zult u worden vernietigd wanneer God wraak neemt vanwege alle zonden. 7Babel was eens een gouden beker in de handen van de Here. Een beker waaruit Hij de hele wereld liet drinken en die de volken dronken, ja zelfs waanzinnig maakte. 8Maar nu is Babel plotseling ook gevallen. Huil om haar en geef haar medicijnen, misschien is zij nog te genezen.’ 9Wij zouden haar helpen als wij konden, maar niets kan haar nu nog redden. Laat haar maar gaan. Verlaat haar en ga terug naar uw eigen land, want God veroordeelt en straft haar vanuit de hemel. 10De Here is voor ons opgekomen. Vooruit, laten wij in Jeruzalem alles bekendmaken wat de Here onze God heeft gedaan. 11Scherp de pijlen! Pak uw schilden op! Want de Here heeft de Meden aangezet om naar Babel te marcheren en haar te vernietigen. Dit is zijn wraak op hen die zijn volk onrecht aandeden en zijn tempel onteerden. 12Maak u klaar om Babel aan te vallen! Zet wachtposten uit en leg mannen in hinderlagen, want de Here zal in Babel alles doen wat Hij heeft voorzegd. 13U die een rijke haven hebt en een machtig centrum van de handel bent, uw einde is gekomen, uw levensdraad is doorgesneden. 14De Here van de hemelse legers heeft een eed afgelegd en bij zijn eigen naam gezworen: uw steden zullen worden gevuld met vijanden, als een sprinkhanenplaag. Hun overwinningskreten zullen opstijgen naar de hemel.

15God maakte de aarde door zijn kracht en wijsheid. Hij strekte de hemelen uit door zijn verstand. 16Als Hij spreekt, dondert het in de hemelen. Hij laat overal ter wereld wolken opstijgen, Hij laat het bliksemen tijdens de regen en vanuit zijn voorraadkamers laat Hij de winden waaien. 17Vergeleken met Hem zijn alle mensen stom en dom. Zij hebben totaal geen wijsheid! De goudsmid moet zich schamen om de afgodsbeelden die hij maakt, want daardoor liegt hij. Hij noemt het goden, terwijl er geen sprankje leven in zit! 18Afgodsbeelden zijn waardeloos! Het zijn leugens! Eens zal God komen om te oordelen en dan zal Hij ze allemaal vernietigen. 19Maar de God van Israël is geen afgod! Want Hij is de schepper van alles wat bestaat en Israël is zijn volk: Here van de hemelse legers is zijn naam.

20Medië is Gods hamer, zijn wapen voor in de strijd. ‘Ik heb u gebruikt,’ zegt de Here, ‘om volken in stukken te slaan en vele koninkrijken te vernietigen. 21Met u heb Ik legers verslagen en vernietigende slagen uitgedeeld aan het paard en zijn berijder, aan de strijdwagen en zijn bestuurder, 22en ook aan de burgers, oud en jong, jonge mannen en jonge vrouwen, 23herders en kudden, boeren en ossen, bewindslieden en ambtenaren. 24Maar voor uw ogen zal Ik Babel en alle Chaldeeën het kwaad dat zij mijn volk aandeden, betaald zetten,’ zegt de Here. 25‘Want kijk, Ik keer Mij tegen u, machtige berg Babel, vernietiger van de aarde! Ik grijp u en laat u van uw hoogten laten rollen, dan blijft u achter als een berg van as. 26U zult voor altijd verwoest blijven, zelfs uw stenen zullen nooit meer voor de bouw worden gebruikt. U zult volledig worden weggevaagd.’

27Geef alle volken het teken dat zij zich moeten gereedmaken voor de oorlog tegen Babel! Laat de bazuin schallen, breng de legers van Ararat, Minni en Askenaz op de been. Benoem een aanvoerder en zorg voor een grote hoeveelheid paarden! 28Laten de koningen van de Meden en hun officieren al hun legers in paraatheid brengen samen met die van alle landen waarover zij regeren. 29Babel beeft en kronkelt van angst, want alles wat de Here tegen haar van plan is, zal Hij uitvoeren. Babel zal uitgestorven en verwoest achterblijven. 30Haar beste soldaten vechten niet langer, zij blijven in hun kazernes. Hun moed is verdwenen, zij lijken wel vrouwen. De binnenvallende legers hebben hun huizen verbrand en de stadspoorten afgebroken. 31Van alle kanten komen boodschappers om de koning te vertellen dat de stad is ingesloten. 32Alle vluchtwegen zijn versperd, het riet op de drooggelegde moerassen staat in brand en de soldaten zijn in paniek. 33Want de Here van de hemelse legers, de God van Israël, zegt: ‘Babel is een dorsvloer die zo dadelijk wordt aangestampt, nog even en het oogsten begint.’

34-35 De Judeeërs in Babel zeggen: ‘Koning Nebukadnezar van Babel heeft ons mishandeld en vertrapt, hij heeft onze krachten uitgeput. Als een groot monster heeft hij ons opgeslokt en zijn buik gevuld met onze rijkdommen. Hij heeft ons daarna weer uitgebraakt. Moge Babel boeten voor alles wat zij ons heeft aangedaan, voor al ons bloed dat zij heeft vergoten!’ 36En de Here antwoordt: ‘Ik zal uw pleiter zijn en uw zaak verdedigen. Ik zal u wreken. Ik zal haar rivier, haar watervoorraad, laten opdrogen 37en Babel zal één grote ruïne worden waarin de jakhalzen wonen. Een land, vreselijk om te zien en zonder één inwoner.

38De inwoners van Babel janken als jonge leeuwen. 39Wanneer ze dorst krijgen, zal Ik een feest voor hen klaarmaken. Op dat feest zullen zij drinken en lachen tot zij bewusteloos op de grond vallen om voor eeuwig te slapen en nooit meer op te staan,’ zegt de Here. 40‘Ik zal hen als lammeren naar het slachthuis brengen, als rammen en geiten. 41Wat is Babel gemakkelijk verslagen, het grote Babel waar de hele wereld tegenop keek! De aarde kan haar ogen nauwelijks geloven! 42Een zee van ellende is over Babel heen geslagen en heeft haar overstroomd met bruisende golven. 43Haar steden liggen in puin, zij is een dorre wildernis waarin niemand leeft en waar geen reiziger doorheen trekt. 44Ik zal Bel, de god van Babel, straffen en hem alles laten uitbraken wat hij heeft ingeslikt. De volken zullen niet langer toestromen om hem te vereren, de muur van Babel ligt omver.

45Mijn volk, vlucht uit Babel, red uzelf van de brandende toorn van de Here. 46Maar raak niet in paniek wanneer u de eerste geruchten over geweld en oorlog hoort, want zulke geruchten zult u ieder jaar weer horen. Er zal een burgeroorlog komen, de heersers van Babel nemen het tegen elkaar op.

47Want er zal zeker een tijd komen dat Ik deze machtige stad en haar afgoden zal straffen, dan liggen haar doden in de straten en het hele land zal zich diep schamen. 48Hemel en aarde zullen van vreugde juichen, want uit het noorden zullen vernietigende legers tegen Babel optrekken,’ zegt de Here. 49Net zoals Babel het volk van Israël en andere landen doodde, zo zal zijzelf nu ook worden gedood. 50Ga weg, u die aan de dood ontsnapte! Blijf niet langer staan kijken, vlucht nu het nog kan! Denk aan de Here en keer terug naar het verre Jeruzalem! 51‘Wij schamen ons en zijn beledigd, omdat de tempel van de Here is verontreinigd en onteerd door vreemdelingen uit Babel.’ 52‘Ja,’ zegt de Here. ‘Maar eens zullen de afgodsbeelden van Babel worden vernield. En door het hele land zal het gekerm van gewonden te horen zijn. 53Ook al zou Babel zich verschansen in de hemel en groeide haar macht tot een onmetelijke omvang, toch zal zij worden verwoest,’ zegt de Here.

54Luister, de kreet van de vernietiging schalt door Babel, door het land van de Chaldeeën! 55Want de Here vernietigt Babel, haar stem wordt het zwijgen opgelegd door de donderende golven van vijanden die zich over haar heen werpen. 56Verwoestende legers komen op Babel af en haar moedigste mannen worden gevangengenomen. Hun bogen worden gebroken, want de Here is een God die wraak neemt en Hij geeft Babel haar verdiende loon. 57‘Ik zal hun bestuurders, wijzen, heersers, officieren en soldaten dronken maken. Zij zullen in slaap vallen en nooit meer wakker worden!’ Dat zegt de Koning, de Here van de hemelse legers. 58Want de dikke muren van Babel zullen met de grond gelijkgemaakt worden en haar grote poorten zullen worden verbrand. De bouwers uit talloze landen hebben voor niets gewerkt, hun bouwsels zullen met vuur worden vernietigd!

59Tijdens het vierde regeringsjaar van Zedekia, kreeg Jeremia een boodschap betreffende Seraja, de zoon van Neria, de zoon van Machseja. Deze boodschap ging over Serajaʼs gevangenneming en verbanning naar Babel, samen met koning Zedekia van Juda. Seraja was Zedekiaʼs hofmaarschalk. 60Jeremia had alle vreselijke rampen die God voor Babel in petto had, alles wat hiervoor beschreven staat, op een boekrol geschreven 61-62 en overhandigde die boekrol aan Seraja met de woorden: ‘Wanneer u in Babel bent aangekomen, moet u lezen wat ik heb opgeschreven en zeggen: “Here, U hebt gezegd dat U Babel zult vernietigen, zodat geen enkel levend wezen zal overblijven en het voor altijd onbewoond zal blijven.” 63Daarna, als u de hele boekrol hebt gelezen, moet u er een steen aan binden en hem in de Eufraat gooien met de woorden: 64“Zo zal Babel zinken om nooit meer omhoog te komen door alle rampen die Ik over haar zal brengen. Het hele volk zal omkomen.” ’

Dit was het einde van Jeremiaʼs berichten.

Thai New Contemporary Bible

เยเรมีย์ 51:1-64

1องค์พระผู้เป็นเจ้าตรัสว่า

“ดูเถิด เราจะดลใจผู้ทำลายล้าง

มาสู้กับบาบิโลนและชาวเลบคามาย51:1เลบคามายเป็นรหัสลับที่หมายถึง เคลเดีย ซึ่งก็คือบาบิโลน

2เราจะส่งคนต่างชาติมายังบาบิโลน

เพื่อฝัดร่อนและล้างผลาญดินแดนนั้น

พวกเขาจะมาสู้รบกับบาบิโลนทุกด้าน

ในวันแห่งหายนะของบาบิโลน

3อย่าให้พลธนูโก่งธนูได้

และอย่าให้เขาหยิบเสื้อเกราะมาสวมทัน

อย่าไว้ชีวิตชายหนุ่มของดินแดนนั้น

จงทำลาย51:3 คำนี้ในภาษาฮีบรูหมายถึงสิ่งของหรือบุคคลที่ถวายแด่องค์พระผู้เป็นเจ้า แล้วไม่อาจเรียกคืนได้ มักจะต้องทำลายให้หมดสิ้นไปทั้งกองทัพให้สิ้นไป

4พวกเขาจะล้มตายในบาบิโลน51:4 หรือเคลเดีย

บาดเจ็บสาหัสตามถนนหนทาง

5เพราะพระเจ้า พระยาห์เวห์ผู้ทรงฤทธิ์

ไม่ได้ทรงทอดทิ้งอิสราเอลและยูดาห์

แม้ดินแดนของเขา51:5 หรือและดินแดนของชาวบาบิโลนจะเต็มไปด้วยความผิด

ต่อหน้าองค์บริสุทธิ์แห่งอิสราเอล

6“จงหนีจากบาบิโลน!

จงหนีเอาชีวิตรอดเถิด!

อย่าพลอยถูกทำลายเพราะบาปของมัน

ถึงเวลาการแก้แค้นขององค์พระผู้เป็นเจ้าแล้ว

พระองค์จะทรงกระทำแก่บาบิโลนให้สาสม

7บาบิโลนเป็นถ้วยทองคำในพระหัตถ์ขององค์พระผู้เป็นเจ้า

บาบิโลนทำให้ทั้งโลกเมามาย

ชนชาติทั้งหลายได้ดื่มเหล้าองุ่นของบาบิโลน

บัดนี้พวกเขาจึงคลุ้มคลั่งไป

8บาบิโลนจะล่มจมอย่างฉับพลัน แล้วก็แหลกลาญ

จงร่ำไห้ให้กับมัน!

เอายามาบำบัดความเจ็บปวดให้บาบิโลนสิ

เผื่อว่ามันจะหาย

9“ ‘เราน่าจะรักษาบาบิโลนให้หาย

แต่มันก็ไม่ยอมหาย

ให้เราทิ้งบาบิโลน และต่างคนต่างกลับไปยังดินแดนของตน

เพราะโทษทัณฑ์ของบาบิโลนสูงเสียดฟ้า

สูงเทียมเมฆ’

10“ ‘องค์พระผู้เป็นเจ้าทรงให้ความเป็นธรรมแก่เราแล้ว

มาเถิด ให้เราบอกกล่าวในศิโยน

ถึงสิ่งที่พระยาห์เวห์พระเจ้าของเราได้ทรงกระทำ’

11“จงลับลูกศรให้แหลมคม

จงหยิบโล่ขึ้นเตรียมพร้อม

องค์พระผู้เป็นเจ้าได้ทรงเร่งเร้าเหล่ากษัตริย์แห่งมีเดีย

เพราะทรงตั้งใจจะทำลายบาบิโลน

องค์พระผู้เป็นเจ้าจะทรงแก้แค้น

แก้แค้นให้พระวิหารของพระองค์

12จงชูธงขึ้นประชิดกำแพงของบาบิโลน!

จงเสริมกำลังผู้รักษาการณ์

จงวางยามประจำ

จงเตรียมกองซุ่มโจมตีไว้!

องค์พระผู้เป็นเจ้าจะทรงทำให้สำเร็จตามที่ทรงมุ่งหมายไว้

ตามประกาศิตเกี่ยวกับชาวบาบิโลน

13เจ้าผู้อาศัยริมห้วงน้ำทั้งหลาย

และมีทรัพย์สมบัติมั่งคั่ง

ถึงจุดจบของเจ้าแล้ว

ถึงเวลาแล้วที่เจ้าจะถูกตัดขาด

14พระยาห์เวห์ผู้ทรงฤทธิ์ได้ปฏิญาณไว้โดยอ้างพระองค์เองว่า

แน่นอน เราจะให้ผู้คนเนืองแน่นดินแดนของเจ้าเหมือนตั๊กแตนฝูงมหึมา

และพวกเขาจะโห่ร้องมีชัยเหนือเจ้า

15“พระองค์ทรงสร้างโลกโดยฤทธานุภาพ

ทรงสถาปนาพิภพไว้ด้วยพระปรีชาญาณ

และทรงคลี่ฟ้าสวรรค์ออกด้วยความเข้าใจ

16เมื่อพระองค์ทรงเปล่งพระสุรเสียง ห้วงน้ำในฟ้าสวรรค์ก็ร้องคำราม

พระองค์ทรงให้เมฆลอยขึ้นจากสุดปลายแผ่นดินโลก

ทรงส่งฟ้าแลบให้มากับฝน

และทรงนำกระแสลมออกมาจากคลัง

17“ทุกคนก็สิ้นคิดและขาดความรู้

ช่างทองทุกคนอับอายขายหน้าเพราะรูปเคารพของตน

เทวรูปของเขาเป็นสิ่งจอมปลอม

พวกมันไม่มีลมหายใจ

18มันเป็นของไร้ค่า เป็นสิ่งที่น่าเยาะเย้ย

เมื่อถึงเวลาพิพากษา มันก็พินาศ

19แต่พระองค์ผู้มีกรรมสิทธิ์เหนือยาโคบไม่เหมือนเทวรูปเหล่านี้

เพราะพระองค์ทรงเป็นพระผู้สร้างสรรพสิ่ง

รวมทั้งเผ่าที่เป็นกรรมสิทธิ์ของพระองค์

พระนามของพระองค์คือพระยาห์เวห์ผู้ทรงฤทธิ์

20“เจ้าเป็นตะบองรบ

เป็นอาวุธสำหรับทำสงครามของเรา

ซึ่งเราใช้เจ้าทุบบรรดาประชาชาติ

เราใช้เจ้าทำลายอาณาจักรต่างๆ

21เราใช้เจ้าทุบม้าและพลม้า

เราใช้เจ้าทุบรถม้าศึกและพลขับ

22เราใช้เจ้าทุบผู้ชายและผู้หญิง

เราใช้เจ้าทุบคนแก่และเด็ก

เราใช้เจ้าทุบชายหนุ่มและหญิงสาว

23เราใช้เจ้าทุบคนเลี้ยงแกะและฝูงแกะ

เราใช้เจ้าทุบชาวนาและวัว

เราใช้เจ้าทุบผู้ว่าการและขุนนางทั้งหลาย

24“เราจะตอบสนองบาบิโลนและคนทั้งปวงที่อาศัยอยู่ในบาบิโลน51:24 หรือเคลเดียเช่นเดียวกับข้อ 35ต่อหน้าต่อตาเจ้าเพราะความผิดทั้งหมดที่เขาทำในศิโยน” องค์พระผู้เป็นเจ้าประกาศดังนั้น

25“เราเป็นศัตรูกับเจ้า เจ้าภูเขาผู้ทำลายล้างเอ๋ย

เจ้าผู้ผลาญทำลายทั้งโลก”

องค์พระผู้เป็นเจ้าประกาศดังนั้น

“เราจะเหยียดมือออกสู้กับเจ้า

จะกลิ้งเจ้าลงจากหน้าผา

และเผาเจ้าให้วอดวาย

26จะไม่มีการสกัดหินจากเจ้าไปเป็นศิลาหัวมุม

หรือทำเป็นฐานราก

เพราะเจ้าจะถูกทิ้งร้างตลอดไป”

องค์พระผู้เป็นเจ้าประกาศดังนั้น

27“จงชูธงขึ้นในดินแดนนั้น!

จงเป่าแตรในหมู่ประชาชาติ

จงเตรียมชนชาติต่างๆ ไว้สู้รบกับมัน

จงเรียกอาณาจักรเหล่านี้มาสู้กับมัน

คือเรียกอารารัต มินนี และอัชเคนัส

จงตั้งแม่ทัพขึ้นสู้รบกับดินแดนนั้น

จงส่งฝูงม้ามาให้เนืองแน่นเหมือนฝูงตั๊กแตน

28จงเตรียมประชาชาติทั้งหลายมาสู้รบกับบาบิโลน

ได้แก่บรรดากษัตริย์มีเดีย

ผู้ว่าการและขุนนางทั้งปวง

ตลอดจนประเทศทั้งปวงใต้อาณัติ

29แผ่นดินก็สั่นสะท้านและทุรนทุราย

เพราะองค์พระผู้เป็นเจ้าทรงยืนยันที่จะทำกับบาบิโลนตามที่ทรงตั้งพระทัยไว้

คือทำให้ดินแดนบาบิโลนถูกทิ้งร้าง

ไม่มีผู้คนอาศัยอยู่

30นักรบของบาบิโลนหยุดต่อสู้

หมกตัวอยู่ในที่มั่น

พลังของพวกเขาหมดสิ้นไป

เขากลายเป็นเหมือนผู้หญิง

ที่อยู่อาศัยในบาบิโลนถูกวางเพลิง

ลูกกรงประตูเมืองต่างๆ หักพัง

31นักวิ่งไล่ตามกันไป

ผู้สื่อสารไล่ตามกันไป

เพื่อไปรายงานกษัตริย์บาบิโลนว่า

ทั้งกรุงถูกยึดไปแล้ว

32ท่าข้ามแม่น้ำถูกยึด

เครื่องกีดขวางถูกเผา

และเหล่าทหารก็ตกใจกลัว”

33พระยาห์เวห์ผู้ทรงฤทธิ์ พระเจ้าแห่งอิสราเอลตรัสว่า

“ธิดาแห่งบาบิโลน51:33 คือ ชาวบาบิโลนเหมือนลานนวดข้าว

เมื่อถึงเวลาก็ถูกเหยียบย่ำ

ไม่ช้าก็จะถึงเวลาเก็บเกี่ยวบาบิโลน”

34“กษัตริย์เนบูคัดเนสซาร์แห่งบาบิโลนได้ขย้ำเรา

พระองค์ได้เหวี่ยงเราลงสู่ความสับสน

พระองค์ได้ทรงทำให้เรากลายเป็นไหเปล่า

พระองค์ได้ทรงกลืนเราเหมือนงูพิษ

กินสิ่งโอชะของเราจนเต็มท้อง

แล้วสำรอกเราออกมา

35ขอให้ความอำมหิตที่เรากับลูกหลานได้รับนั้นตกอยู่กับบาบิโลนเถิด”

ชาวศิโยนกล่าวดังนั้น

เยรูซาเล็มกล่าวว่า

“ขอให้คนที่อาศัยอยู่ในบาบิโลนชดใช้ที่ทำให้เราสูญเสียเลือดเนื้อ”

36ฉะนั้นองค์พระผู้เป็นเจ้า ตรัสว่า

“ดูเถิด เราจะให้ความเป็นธรรมแก่เจ้า

และแก้แค้นให้เจ้า

เราจะทำให้ทะเล

และธารน้ำของบาบิโลนเหือดแห้ง

37บาบิโลนจะเป็นซากปรักหักพัง

เป็นที่อยู่ของหมาใน

เป็นเป้าของความสยดสยองและการดูหมิ่น

เป็นที่ซึ่งไม่มีผู้ใดอยู่อาศัย

38มวลประชากรของบาบิโลนร้องคำรามเหมือนสิงโตหนุ่ม

ครวญครางเหมือนลูกสิงห์

39แต่ขณะที่พวกเขาถูกเร่งเร้า

เราจะจัดงานเลี้ยงให้พวกเขา

และทำให้พวกเขามึนเมา

เพื่อพวกเขาจะหัวเราะลั่น

แล้วก็หลับใหลไม่ตื่นตลอดกาล”

องค์พระผู้เป็นเจ้าประกาศดังนั้น

40“เราจะปราบเขาลง

เหมือนแพะแกะที่ถูกต้อนไปฆ่า

41“เชชัค51:41เชชัคเป็นรหัสลับที่หมายถึงบาบิโลนจะถูกพิชิต

เมืองซึ่งเป็นที่โอ้อวดของทั่วโลกจะถูกยึด!

บาบิโลนจะเป็นที่สยดสยองยิ่งนัก

ในหมู่ประชาชาติ!

42ทะเลจะซัดท่วมบาบิโลน

คลื่นคำรามของมันจะกลบบาบิโลนจนมิด

43เมืองต่างๆ ของบาบิโลนจะถูกทิ้งร้าง

เป็นถิ่นกันดารแห้งแล้ง

เป็นแผ่นดินซึ่งไม่มีใครอยู่อาศัย

ไม่มีใครสัญจรผ่าน

44เราจะลงโทษพระเบลในบาบิโลน

ทำให้เขาคายสิ่งที่กลืนลงไปออกมา

ชนชาติทั้งหลายจะไม่หลั่งไหลมาหาพระเบลอีกต่อไป

และกำแพงของบาบิโลนจะพังทลาย

45“ประชากรของเราเอ๋ย จงออกมาจากบาบิโลน

จงหนีเอาชีวิตรอดเถิด!

จงหนีให้พ้นจากพระพิโรธอันรุนแรงขององค์พระผู้เป็นเจ้า

46อย่าเสียขวัญหรือหวาดหวั่น

เมื่อได้ยินข่าวลือในดินแดนนั้น

ปีนี้ลือกันว่าอย่างนี้ ปีหน้าลือกันว่าอย่างนั้น

ข่าวลือเรื่องการนองเลือดในแผ่นดิน

และเรื่องนักปกครองต่อสู้กัน

47เพราะเวลานั้นจะมาถึงอย่างแน่นอน

เวลาที่เราจะลงโทษรูปเคารพทั้งหลายของบาบิโลน

ดินแดนบาบิโลนทั้งหมดจะอับอายขายหน้า

และบรรดาผู้ถูกฆ่าจะนอนตายอยู่ในนั้น

48แล้วฟ้าสวรรค์กับแผ่นดินโลกและสรรพสิ่งในนั้น

จะโห่ร้องยินดีเหนือบาบิโลน

เพราะบรรดาผู้ทำลายจากทางเหนือ

จะมาโจมตีบาบิโลน”

องค์พระผู้เป็นเจ้าประกาศดังนั้น

49“บาบิโลนจะต้องล่มจมเพราะชนอิสราเอลที่ถูกฆ่า

เช่นเดียวกับคนทั่วโลกที่ถูกฆ่า

ที่ต้องล้มตายเพราะบาบิโลน

50พวกเจ้าผู้หนีรอดจากคมดาบ

จงไปเสีย อย่ามัวร่ำไรอยู่!

ในแดนไกลโพ้น จงระลึกถึงองค์พระผู้เป็นเจ้า

และคิดถึงเยรูซาเล็ม”

51“เราอับอายขายหน้า

เพราะเราถูกสบประมาท

และความอัปยศกลบหน้าเรา

เพราะคนต่างชาติเข้ามาในที่บริสุทธิ์

ของพระนิเวศขององค์พระผู้เป็นเจ้า”

52องค์พระผู้เป็นเจ้าประกาศว่า “แต่วันเวลาจะมาถึง

เมื่อเราจะลงโทษรูปเคารพต่างๆ ของบาบิโลน

และทั่วดินแดนบาบิโลน

จะครวญครางเพราะความย่อยยับ

53ถึงแม้ว่าบาบิโลนสูงเทียมฟ้า

และเสริมป้อมปราการให้แข็งแกร่ง

เราก็จะส่งผู้ทำลายมารบกับมัน”

องค์พระผู้เป็นเจ้าประกาศดังนั้น

54“เสียงร้องดังมาจากบาบิโลน

เสียงหายนะใหญ่หลวง

ดังมาจากดินแดนของชาวบาบิโลน

55องค์พระผู้เป็นเจ้าจะทรงทำลายล้างบาบิโลน

จะทรงสยบเสียงอึกทึกน่ารำคาญของมัน

คลื่นศัตรูจะรุกเข้ามาเหมือนห้วงน้ำใหญ่

เสียงสนั่นของเขาจะดังก้อง

56ผู้ทำลายจะมาสู้กับบาบิโลน

นักรบของบาบิโลนจะถูกจับเป็นเชลย

ธนูของเขาจะถูกหักทิ้ง

เพราะพระยาห์เวห์ทรงเป็นพระเจ้าแห่งการตอบสนอง

พระองค์จะทรงตอบสนองอย่างสาสม

57เราจะทำให้เหล่าขุนนางและปราชญ์ของบาบิโลนมึนเมา

ตลอดจนผู้ว่าการ นายทหารและนักรบทั้งหลาย

พวกเขาจะหลับใหลและไม่ตื่นอีกเลยตลอดกาล”

องค์กษัตริย์ผู้ทรงพระนามว่าพระยาห์เวห์ผู้ทรงฤทธิ์ประกาศดังนั้น

58พระยาห์เวห์ผู้ทรงฤทธิ์ตรัสว่า

“กำแพงหนาของบาบิโลนจะถูกทลายราบ

และประตูสูงของมันจะถูกเผา

ประชาชาติทั้งหลายจะเหนื่อยเปล่า

สิ่งที่ได้ลงแรงไว้จะกลายเป็นเพียงเชื้อไฟ”

59ทั้งหมดนี้เป็นเนื้อความซึ่งเยเรมีย์สั่งไว้กับผู้ดูแลแขวงชื่อเสไรอาห์บุตรเนริยาห์บุตรมาอาเสอาห์ เมื่อเขาไปยังบาบิโลนพร้อมกับกษัตริย์เศเดคียาห์แห่งยูดาห์ในปีที่สี่แห่งรัชกาลของพระองค์ 60เยเรมีย์บันทึกเกี่ยวกับภัยพิบัติทั้งปวงซึ่งจะเกิดขึ้นกับบาบิโลนไว้ในหนังสือม้วนทั้งหมดซึ่งบันทึกมาข้างต้นเกี่ยวกับบาบิโลน 61เยเรมีย์กล่าวกับเสไรอาห์ว่า “เมื่อท่านไปถึงบาบิโลน จงอ่านออกเสียงข้อความทั้งหมดนี้ 62แล้วจงกล่าวว่า ‘ข้าแต่องค์พระผู้เป็นเจ้า พระองค์ได้ตรัสไว้ว่าจะทรงทำลายสถานที่นี้จนไม่มีทั้งคนและสัตว์อาศัยอยู่ในดินแดนนี้เลย มันจะถูกทิ้งร้างตลอดกาล’ 63เมื่อท่านอ่านจบแล้ว จงเอาหนังสือม้วนนี้ผูกเข้ากับก้อนหินแล้วเหวี่ยงลงในแม่น้ำยูเฟรติส 64จากนั้นจงกล่าวว่า ‘เช่นนี้แหละ บาบิโลนจะจมลง ไม่ได้ผุดไม่ได้โผล่อีกเลย เพราะภัยพิบัติซึ่งเราจะนำมายังบาบิโลนและพลเมืองของบาบิโลนจะล้มตาย’ ”

ถ้อยคำของเยเรมีย์จบลงเพียงเท่านี้