Jeremia 51 – HTB & LCB

Het Boek

Jeremia 51:1-64

De vernietiging van Babel voorzegd

1De Here zegt: ‘Ik zal een vernietiger Babel en alle inwoners laten overvallen. 2Vreemdelingen zullen komen, haar schudden en wegblazen, van alle kanten zullen zij tegen haar opstaan op de dag van het onheil. 3De vijandelijke schutters zullen hun bogen spannen, zij zullen hun wapenuitrusting aandoen. Niemand zal worden gespaard, jong en oud wordt vernietigd. 4Zij zullen stervend neervallen in het land van de Chaldeeën en worden doodgeslagen in de straten. 5Want de Here, de God van de hemelse legers, heeft Israël en Juda niet vergeten. Hij is nog steeds hun God, ondanks al hun zonden. 6Vlucht uit Babel! Red uzelf! Als u blijft, zult u worden vernietigd wanneer God wraak neemt vanwege alle zonden. 7Babel was eens een gouden beker in de handen van de Here. Een beker waaruit Hij de hele wereld liet drinken en die de volken dronken, ja zelfs waanzinnig maakte. 8Maar nu is Babel plotseling ook gevallen. Huil om haar en geef haar medicijnen, misschien is zij nog te genezen.’ 9Wij zouden haar helpen als wij konden, maar niets kan haar nu nog redden. Laat haar maar gaan. Verlaat haar en ga terug naar uw eigen land, want God veroordeelt en straft haar vanuit de hemel. 10De Here is voor ons opgekomen. Vooruit, laten wij in Jeruzalem alles bekendmaken wat de Here onze God heeft gedaan. 11Scherp de pijlen! Pak uw schilden op! Want de Here heeft de Meden aangezet om naar Babel te marcheren en haar te vernietigen. Dit is zijn wraak op hen die zijn volk onrecht aandeden en zijn tempel onteerden. 12Maak u klaar om Babel aan te vallen! Zet wachtposten uit en leg mannen in hinderlagen, want de Here zal in Babel alles doen wat Hij heeft voorzegd. 13U die een rijke haven hebt en een machtig centrum van de handel bent, uw einde is gekomen, uw levensdraad is doorgesneden. 14De Here van de hemelse legers heeft een eed afgelegd en bij zijn eigen naam gezworen: uw steden zullen worden gevuld met vijanden, als een sprinkhanenplaag. Hun overwinningskreten zullen opstijgen naar de hemel.

15God maakte de aarde door zijn kracht en wijsheid. Hij strekte de hemelen uit door zijn verstand. 16Als Hij spreekt, dondert het in de hemelen. Hij laat overal ter wereld wolken opstijgen, Hij laat het bliksemen tijdens de regen en vanuit zijn voorraadkamers laat Hij de winden waaien. 17Vergeleken met Hem zijn alle mensen stom en dom. Zij hebben totaal geen wijsheid! De goudsmid moet zich schamen om de afgodsbeelden die hij maakt, want daardoor liegt hij. Hij noemt het goden, terwijl er geen sprankje leven in zit! 18Afgodsbeelden zijn waardeloos! Het zijn leugens! Eens zal God komen om te oordelen en dan zal Hij ze allemaal vernietigen. 19Maar de God van Israël is geen afgod! Want Hij is de schepper van alles wat bestaat en Israël is zijn volk: Here van de hemelse legers is zijn naam.

20Medië is Gods hamer, zijn wapen voor in de strijd. ‘Ik heb u gebruikt,’ zegt de Here, ‘om volken in stukken te slaan en vele koninkrijken te vernietigen. 21Met u heb Ik legers verslagen en vernietigende slagen uitgedeeld aan het paard en zijn berijder, aan de strijdwagen en zijn bestuurder, 22en ook aan de burgers, oud en jong, jonge mannen en jonge vrouwen, 23herders en kudden, boeren en ossen, bewindslieden en ambtenaren. 24Maar voor uw ogen zal Ik Babel en alle Chaldeeën het kwaad dat zij mijn volk aandeden, betaald zetten,’ zegt de Here. 25‘Want kijk, Ik keer Mij tegen u, machtige berg Babel, vernietiger van de aarde! Ik grijp u en laat u van uw hoogten laten rollen, dan blijft u achter als een berg van as. 26U zult voor altijd verwoest blijven, zelfs uw stenen zullen nooit meer voor de bouw worden gebruikt. U zult volledig worden weggevaagd.’

27Geef alle volken het teken dat zij zich moeten gereedmaken voor de oorlog tegen Babel! Laat de bazuin schallen, breng de legers van Ararat, Minni en Askenaz op de been. Benoem een aanvoerder en zorg voor een grote hoeveelheid paarden! 28Laten de koningen van de Meden en hun officieren al hun legers in paraatheid brengen samen met die van alle landen waarover zij regeren. 29Babel beeft en kronkelt van angst, want alles wat de Here tegen haar van plan is, zal Hij uitvoeren. Babel zal uitgestorven en verwoest achterblijven. 30Haar beste soldaten vechten niet langer, zij blijven in hun kazernes. Hun moed is verdwenen, zij lijken wel vrouwen. De binnenvallende legers hebben hun huizen verbrand en de stadspoorten afgebroken. 31Van alle kanten komen boodschappers om de koning te vertellen dat de stad is ingesloten. 32Alle vluchtwegen zijn versperd, het riet op de drooggelegde moerassen staat in brand en de soldaten zijn in paniek. 33Want de Here van de hemelse legers, de God van Israël, zegt: ‘Babel is een dorsvloer die zo dadelijk wordt aangestampt, nog even en het oogsten begint.’

34-35 De Judeeërs in Babel zeggen: ‘Koning Nebukadnezar van Babel heeft ons mishandeld en vertrapt, hij heeft onze krachten uitgeput. Als een groot monster heeft hij ons opgeslokt en zijn buik gevuld met onze rijkdommen. Hij heeft ons daarna weer uitgebraakt. Moge Babel boeten voor alles wat zij ons heeft aangedaan, voor al ons bloed dat zij heeft vergoten!’ 36En de Here antwoordt: ‘Ik zal uw pleiter zijn en uw zaak verdedigen. Ik zal u wreken. Ik zal haar rivier, haar watervoorraad, laten opdrogen 37en Babel zal één grote ruïne worden waarin de jakhalzen wonen. Een land, vreselijk om te zien en zonder één inwoner.

38De inwoners van Babel janken als jonge leeuwen. 39Wanneer ze dorst krijgen, zal Ik een feest voor hen klaarmaken. Op dat feest zullen zij drinken en lachen tot zij bewusteloos op de grond vallen om voor eeuwig te slapen en nooit meer op te staan,’ zegt de Here. 40‘Ik zal hen als lammeren naar het slachthuis brengen, als rammen en geiten. 41Wat is Babel gemakkelijk verslagen, het grote Babel waar de hele wereld tegenop keek! De aarde kan haar ogen nauwelijks geloven! 42Een zee van ellende is over Babel heen geslagen en heeft haar overstroomd met bruisende golven. 43Haar steden liggen in puin, zij is een dorre wildernis waarin niemand leeft en waar geen reiziger doorheen trekt. 44Ik zal Bel, de god van Babel, straffen en hem alles laten uitbraken wat hij heeft ingeslikt. De volken zullen niet langer toestromen om hem te vereren, de muur van Babel ligt omver.

45Mijn volk, vlucht uit Babel, red uzelf van de brandende toorn van de Here. 46Maar raak niet in paniek wanneer u de eerste geruchten over geweld en oorlog hoort, want zulke geruchten zult u ieder jaar weer horen. Er zal een burgeroorlog komen, de heersers van Babel nemen het tegen elkaar op.

47Want er zal zeker een tijd komen dat Ik deze machtige stad en haar afgoden zal straffen, dan liggen haar doden in de straten en het hele land zal zich diep schamen. 48Hemel en aarde zullen van vreugde juichen, want uit het noorden zullen vernietigende legers tegen Babel optrekken,’ zegt de Here. 49Net zoals Babel het volk van Israël en andere landen doodde, zo zal zijzelf nu ook worden gedood. 50Ga weg, u die aan de dood ontsnapte! Blijf niet langer staan kijken, vlucht nu het nog kan! Denk aan de Here en keer terug naar het verre Jeruzalem! 51‘Wij schamen ons en zijn beledigd, omdat de tempel van de Here is verontreinigd en onteerd door vreemdelingen uit Babel.’ 52‘Ja,’ zegt de Here. ‘Maar eens zullen de afgodsbeelden van Babel worden vernield. En door het hele land zal het gekerm van gewonden te horen zijn. 53Ook al zou Babel zich verschansen in de hemel en groeide haar macht tot een onmetelijke omvang, toch zal zij worden verwoest,’ zegt de Here.

54Luister, de kreet van de vernietiging schalt door Babel, door het land van de Chaldeeën! 55Want de Here vernietigt Babel, haar stem wordt het zwijgen opgelegd door de donderende golven van vijanden die zich over haar heen werpen. 56Verwoestende legers komen op Babel af en haar moedigste mannen worden gevangengenomen. Hun bogen worden gebroken, want de Here is een God die wraak neemt en Hij geeft Babel haar verdiende loon. 57‘Ik zal hun bestuurders, wijzen, heersers, officieren en soldaten dronken maken. Zij zullen in slaap vallen en nooit meer wakker worden!’ Dat zegt de Koning, de Here van de hemelse legers. 58Want de dikke muren van Babel zullen met de grond gelijkgemaakt worden en haar grote poorten zullen worden verbrand. De bouwers uit talloze landen hebben voor niets gewerkt, hun bouwsels zullen met vuur worden vernietigd!

59Tijdens het vierde regeringsjaar van Zedekia, kreeg Jeremia een boodschap betreffende Seraja, de zoon van Neria, de zoon van Machseja. Deze boodschap ging over Serajaʼs gevangenneming en verbanning naar Babel, samen met koning Zedekia van Juda. Seraja was Zedekiaʼs hofmaarschalk. 60Jeremia had alle vreselijke rampen die God voor Babel in petto had, alles wat hiervoor beschreven staat, op een boekrol geschreven 61-62 en overhandigde die boekrol aan Seraja met de woorden: ‘Wanneer u in Babel bent aangekomen, moet u lezen wat ik heb opgeschreven en zeggen: “Here, U hebt gezegd dat U Babel zult vernietigen, zodat geen enkel levend wezen zal overblijven en het voor altijd onbewoond zal blijven.” 63Daarna, als u de hele boekrol hebt gelezen, moet u er een steen aan binden en hem in de Eufraat gooien met de woorden: 64“Zo zal Babel zinken om nooit meer omhoog te komen door alle rampen die Ik over haar zal brengen. Het hele volk zal omkomen.” ’

Dit was het einde van Jeremiaʼs berichten.

Luganda Contemporary Bible

Yeremiya 51:1-64

Ekibonerezo kya Babulooni

1Bw’ati bw’ayogera Mukama nti,

“Laba, ndiyimusa omwoyo gw’omuzikiriza

alumbe Babulooni n’abantu ba Lebukamaayi.

251:2 Is 41:16; Yer 15:7; Mat 3:12Ndituma abagwira e Babulooni

bamuwewe era bazikirize ensi ye;

balimulumba ku buli luuyi

ku lunaku olw’okuzikirira kwe.

351:3 a Yer 50:29 b Yer 46:4Omulasi talikuba busaale bwe,

taliyambala wadde ebyambalo bye ebyokulwanyisa.

Temusonyiwa batabani be;

muzikiririze ddala amaggye ge.

451:4 a Is 13:15 b Yer 49:26; 50:30Baligwa nga battiddwa e Babulooni,

nga batuusiddwako ebiwundu eby’amaanyi mu nguudo ze.

551:5 a Is 54:6-8 b Kos 4:1Kubanga Yuda ne Isirayiri tebinnalekebwa

Katonda waabwe, oyo Mukama Katonda ow’Eggye,

wadde ng’ensi yaabwe esingiddwa omusango

mu maaso g’Omutukuvu wa Isirayiri.

651:6 a Yer 50:8 b Kbl 16:26; Kub 18:4 c Yer 50:15 d Yer 25:14“Mudduke Babulooni.

Mudduke okuwonya obulamu bwammwe.

Temusaanawo olw’ebibi bye.

Kiseera kya Mukama okwesasuza;

alimusasula ekyo ekimusaanira.

751:7 Yer 25:15-16; Kub 14:8-10; 17:4Babulooni yali kikompe kya zaabu mu mukono gwa Mukama;

yatamiiza ensi yonna.

Amawanga gaanywa wayini we,

kyegavudde galaluka.

851:8 a Is 21:9; Kub 14:8 b Yer 46:11Babulooni kirigwa mangu ago ne kimenyekamenyeka.

Mukikungubagire.

Munoonye eddagala olw’obulumi bw’akyo

oboolyawo anaawonyezebwa.

951:9 a Is 13:14; Yer 50:16 b Kub 18:4-5“ ‘Twandiwonyezza Babulooni,

naye tayinza kuwonyezeka.

Leka tumuleke buli muntu adde mu nsi ye,

kubanga omusango gwe gutuuse mu bwengula,

gusituse gulinnye okutuuka ku bire.’

1051:10 a Mi 7:9 b Yer 50:28“ ‘Mukama atulwaniridde,

mujje tukitegeeze mu Sayuuni

ekyo Mukama Katonda waffe ky’akoze.’ 

1151:11 a Yer 50:9 b Yer 46:4 c nny 28 d Yer 50:45 e Yer 50:28“Muwagale obusaale,

mukwate engabo!

Mukama ayungudde bakabaka ab’e Bumeedi,

kubanga ekigendererwa kye kuzikiriza Babulooni.

Mukama aliwalana eggwanga,

aliwalana eggwanga olwa yeekaalu ye.

12Muyimuse bendera mwolekere bbugwe wa Babulooni!

Mwongereko abakuumi,

muteekeko abaserikale,

mutegeke okulumba mbagirawo!

Mukama alituukiriza ekigendererwa bye,

ensala ye okwolekera abantu ba Babulooni.

1351:13 a Kub 17:1, 15 b Is 45:3; Kbk 2:9Gwe abeera okumpi n’amazzi amangi,

omugagga mu bintu eby’omuwendo,

enkomerero yo etuuse,

ekiseera kyo eky’okuzikirizibwa kituuse.

1451:14 a Am 6:8 b nny 27; Nak 3:15 c Yer 50:15Mukama Katonda ow’Eggye yeerayiridde ku lulwe;

ddala ndikujjuza abasajja, ng’ebibinja by’enzige,

era balireekaana nga bakuwangudde.

1551:15 Lub 1:1; Yob 9:8; Zab 104:2“Ensi yagikola n’amaanyi ge;

yagiteekawo n’amagezi ge,

n’ayanjuluza eggulu n’okutegeera kwe.

1651:16 a Zab 18:11-13 b Zab 135:7; Yon 1:4Bw’abwatuka, amazzi ag’omu ggulu gawuluguma;

ayimusa ebire okuva ku nkomerero y’ensi.

Amyansisa eggulu mu nkuba

era n’aggya empewo mu mawanika ge.

1751:17 Is 44:20; Kbk 2:18-19“Buli muntu talina magezi wadde okutegeera;

Buli muweesi aswadde olw’ebifaananyi bya bakatonda by’akoze n’emikono gye.

Ebifaananyi bye bya bulimba;

tebirina mukka.

1851:18 Yer 18:15Tebiriiko kye bigasa, ebisaanye okunyoomebwa

ebirizikirizibwa nga Mukama azze okusala omusango.

19Oyo omugabo gwa Yakobo tali nga bano,

kubanga yakola ebintu byonna,

nga mwotwalidde n’eggwanga ly’omugabo gwe,

n’erinnya lye ye Mukama Katonda ow’Eggye.

2051:20 a Is 10:5 b Mi 4:13“Muli mbazzi yange,

ekyokulwanyisa kyange eky’olutalo,

mmwe be nkozesa okubetenta amawanga,

mmwe be nkozesa okuzikiriza obwakabaka,

2151:21 Kuv 15:1era ggwe gwe ndikozesa okubetenta embalaasi n’omwebagazi,

ggwe gwe ndikozesa okubetenta ekigaali n’omuvuzi waakyo,

2251:22 2By 36:17; Is 13:17-18era ggwe gwe ndikozesa okubetenta omusajja n’omukazi,

era ggwe ndikozesa okubetenta omukadde n’omuvubuka,

era ggwe gwe ndikozesa okubetenta omuvubuka n’omuwala omuto.

2351:23 nny 57Ggwe gwe ndikozesa okubetenta omusumba n’ekisibo kye,

ggwe gwe ndikozesa okubetenta omulimi n’ente ennume,

ggwe gwe ndikozesa okubetenta bagavana n’abakungu.

2451:24 Yer 50:15“Ndisasula Babulooni ne bonna ababeeramu nga mulaba olw’ebibi byonna bye baakola mu Sayuuni,” bw’ayogera Mukama.

2551:25 Zek 4:7“Mbalinako ensonga, ggwe olusozi oluzikiriza,

mmwe abazikiriza ensi yonna,”

bw’ayogera Mukama.

“Ndikugolererako omukono gwange,

nkusuule ku mayinja g’ensozi,

nkufuule olusozi olutakyayaka.

2651:26 nny 29; Is 13:19-22; Yer 50:12Tewali jjinja lirikuggibwako kukola jjinja lya ku nsonda,

wadde ejjinja lyonna okukola omusingi,

kubanga olibeera matongo emirembe gyonna,”

bw’ayogera Mukama.

2751:27 a Is 13:2; Yer 50:2 b Yer 25:14 c Lub 8:4 d Lub 10:3“Yimusa bendera mu ggwanga!

Fuuwa omulere mu mawanga!

Tegeka amawanga okumulwanyisa;

koowoola obwakabaka buno bumulumbe:

obwa Alalati ne Mini ne Asukenaazi.

Londa omuduumizi amulumba,

weereza embalaasi eziri ng’ekibinja ky’enzige.

2851:28 nny 11Teekateeka amawanga okumulwanyisa;

bakabaka Abameedi,

bagavana baabwe era n’abakungu baabwe bonna,

n’amawanga ge bafuga.

2951:29 nny 43; Is 13:20Ensi ekankana ne yeenyola olw’obulumi,

kubanga ebigendererwa bya Mukama eri Babulooni tebikyuka,

okuzikiriza ensi ya Babulooni

waleme kubaawo agibeeramu.

3051:30 a Yer 50:36 b Is 19:16 c Is 45:2; Kgb 2:9; Nak 3:13Abalwanyi ba Babulooni balekedde awo okulwana;

basigadde mu bigo byabwe.

Baweddemu amaanyi;

bafuuse nga bakazi.

Ebifo bye mw’abeera byokeddwa omuliro;

emitayimbwa gy’oku nzigi ze gimenyeddwa.

3151:31 2Sa 18:19-31Matalisi omu agoberera omulala,

omubaka omu n’agoberera munne,

okulangirira eri kabaka w’e Babulooni nti

ekibuga kye kyonna kiwambiddwa,

3251:32 Yer 50:36entindo z’emigga baziwambye,

ensenyi ziyidde omuliro,

n’abaserikale batidde.”

3351:33 a Is 21:10 b Is 17:5; Kos 6:11Bw’ati bw’ayogera Mukama ow’Eggye, Katonda wa Isirayiri nti,

“Muwala wa Babulooni ali ng’egguuliro,

mu kiseera w’analinnyiririrwa;

ebiseera eby’okumukungula binaatera okutuuka.”

3451:34 Yer 50:17“Nebukadduneeza kabaka w’e Babulooni atukubyekubye,

atutabudde,

tufuuse ekikompe ekyereere.

Atumize ng’omusota

n’olubuto lwe n’alujjuza ebyassava byaffe ebiwooma,

ffe n’atusesema.

3551:35 nny 24; Zab 137:8Leka okubonaabona okututuuseeko kubeere ku Babulooni,”

bwe boogera abatuula mu Sayuuni.

“Leka omusaayi gubeere ku abo ababeera mu Babulooni,”

bwayogera Yerusaalemi.

3651:36 a Zab 140:12; Yer 50:34; Kgb 3:58 b nny 6; Bar 12:19 c Yer 50:38Mukama kyava ayogera nti,

“Laba ndikulwanirira era ndikuwolerera eggwanga;

Ndikaliza ennyanja ye

n’ensulo ze.

3751:37 a Is 13:22; Kub 18:2 b Yer 50:13, 39Babulooni kirifuuka bifunvu,

mpuku ya bibe,

ekintu ekyenyinyalwa n’okusekererwa,

ekifo omutali abeeramu.

38Abantu baakyo bonna bawuluguma ng’empologoma ento,

bavuumira wamu ng’abaana b’empologoma.

3951:39 nny 57Naye nga bakyabuguumirira,

ndibategekera ekijjulo,

mbatamiize

balyoke balekaane nga baseka,

olwo beebake emirembe gyonna nga tebazuukuse,”

bw’ayogera Mukama.

40“Ndibaserengesa

ng’abaana b’endiga, battibwe,

ng’endiga n’embuzi.

4151:41 a Yer 25:26 b Is 13:19“Sesaki nga kiriwambibwa,

okujaguza kw’ensi yonna kugwewo.

Babulooni kifuuse matongo eri amawanga!

4251:42 Is 8:7Ennyanja eribuutikira Babulooni;

amayengo gaayo agawuluguma galigisaanikira.

4351:43 nny 29, 62; Is 13:20; Yer 2:6Ebibuga bye birisigala matongo,

ensi enkalu ey’eddungu,

ensi eteriimu muntu,

eteyitamu muntu yenna.

4451:44 a Is 46:1 b nny 34 c nny 58; Yer 50:15Ndibonereza Beri mu Babulooni,

mmusesemye bye yali amize.

Amawanga nga tegakyesomba kugenda gyali.

Ne bbugwe wa Babulooni aligwa.

4551:45 a Kub 18:4 b nny 6; Is 48:20; Yer 50:8“Mukiveemu, abantu bange!

Mudduke muwonye obulamu bwammwe!

Mudduke muwone obusungu bwa Mukama obubuubuuka.

4651:46 a Yer 46:27 b 2Bk 19:7Temutya wadde okuggwaamu amaanyi

ng’eŋŋambo ziyitiŋŋana mu nsi;

olugambo olumu lujja omwaka guno, olulala omwaka ogujja,

eŋŋambo z’entalo mu ggwanga,

era ez’omufuzi ng’alwana ne mufuzi munne.

4751:47 a nny 52; Is 46:1-2; Yer 50:2 b Yer 50:12Kubanga ekiseera kijja

lwe ndibonereza ebifaananyi bya bakatonda ba Babulooni abaakolebwa n’emikono;

ensi eyo yonna eritabanguka,

n’emirambo gy’abantu baayo abattiddwa gyonna gibeere omwo.

4851:48 a Is 44:23; Kub 18:20 b nny 11Eggulu n’ensi ne byonna ebibirimu

birireekana olw’essanyu olwa Babulooni,

abalimuzikiriza balimulumba

okuva mu bukiikakkono,”

bw’ayogera Mukama.

4951:49 Zab 137:8; Yer 50:29“Babulooni kirigwa olw’Abayisirayiri abaafa,

nga bonna abaafa mu nsi yonna

bwe baweddewo olwa Babulooni.

5051:50 a nny 45 b Zab 137:6Mmwe abawonye ekitala,

mwanguwe okugenda!

Mujjukire Mukama nga muli mu nsi ey’ewala,

mulowooze ku Yerusaalemi.”

5151:51 a Zab 44:13-16; 79:4 b Kgb 1:10“Tuweddemu amaanyi

kubanga tuvumiddwa

era tukwatiddwa ensonyi,

kubanga abagwira bayingidde

mu bifo ebitukuvu eby’ennyumba ya Mukama.”

5251:52 nny 47“Naye ennaku zijja,” bw’ayogera Mukama,

“lwe ndibonereza ebifaananyi bya bakatonda be, be yakola n’emikono,

era mu nsi ye yonna,

abaliko ebisago balisinda.

5351:53 a Lub 11:4; Is 14:13-14 b Yer 49:16Newaakubadde nga Babulooni atuuka ku bire

era ne yeenyweza n’ebigo bye eby’amaanyi,

ndimusindikira abazikiriza,”

bw’ayogera Mukama.

5451:54 Yer 50:22“Eddoboozi ly’okukaaba liva mu Babulooni,

eddoboozi ery’okuzikirira okunene

okuva mu nsi y’Abakaludaaya.

5551:55 Zab 18:4Mukama alizikiriza Babulooni,

alizikiza oluyoogaano lwakyo olunene.

Amayengo g’abalabe galijja ng’amazzi amangi;

okuwuluguma kw’amaloboozi kuliwulirwa.

5651:56 a nny 48 b Zab 46:9 c Zab 46:6; 94:1-2; Kbk 2:8Omuzikiriza alirumba Babulooni;

abalwanyi be baliwambibwa,

n’emitego gyabwe girimenyebwa.

Kubanga Mukama Katonda asasula,

alisasula mu bujjuvu.

5751:57 a Zab 76:5; Yer 25:27 b Yer 46:18; 48:15Nditamiiza abakungu be n’abasajja be abajjudde amagezi,

ne bagavana, ab’ebitongole awamu n’abalwanyi;

balyebaka emirembe gyonna era tebalizuukuka,”

bw’ayogera Kabaka ayitibwa Mukama Katonda ow’Eggye.

5851:58 a nny 44 b nny 64 c Kbk 2:13Bw’ati bw’ayogera Mukama Katonda ow’Eggye nti,

“Bbugwe wa Babulooni omunene alisendebwa

era n’emiryango gye emiwanvu gyokebwe;

abantu beetawanyiza bwerere nga bafuba,

okutawaana kw’eggwanga kuliba nku za muliro.”

5951:59 a Yer 36:4 b Yer 52:1 c Yer 28:1Buno bwe bubaka Yeremiya bwe yawa omukungu Seraya mutabani wa Neriya, mutabani wa Maseya, bwe yagenda e Babulooni ne Zeddekiya kabaka wa Yuda, nga Zeddekiya afuga mu mwaka gwe ogwokuna. Seraya ye yali omu ku bakungu abakulu. 6051:60 Yer 30:2; 36:2Yeremiya yali awandiise mu muzingo ebikangabwa byonna ebyali bigenda okutuuka ku Babulooni, byonna ebyali biwandiikiddwa ebyali bikwata ku Babulooni. 61Yagamba Seraya nti, “Bw’otuuka mu Babulooni, laba ng’osoma mu ddoboozi ery’omwanguka ebigambo bino byonna. 6251:62 Is 13:20; Yer 50:13, 39Olwo ogambe nti, ‘Ayi Mukama, ogambye nti olizikiriza ekifo kino, nti tewali nsolo oba muntu alikibeeramu; kibeere matongo emirembe gyonna.’ 63Bw’omalanga okusoma omuzingo guno gusibeeko ejjinja ogukanyuge mu mugga Fulaati. 6451:64 a nny 58 b Yob 31:40Olyoke ogambe nti, ‘Bw’ati Babulooni bwalisaanawo aleme kubbulukuka olw’akabi ke ndimuleetako. N’abantu be balizikirira.’ ”

Ebigambo bya Yeremiya bikoma awo.