Het Boek

Hosea 6

Gods verlangen naar Israël

1‘Zij zullen zeggen: “Kom, laten we teruggaan naar de Here. Hij heeft ons verscheurd, Hij zal ons ook genezen. Hij heeft ons geslagen, Hij zal ook onze wonden verbinden. Hij zal ons na twee dagen weer overeind helpen en op de derde dag zullen wij, weer helemaal opgeknapt, met Hem leven. Ja, wij verlangen naar de Here en Hij zal daarop reageren, zo zeker als de komst van dauw of regen in het vroege voorjaar.”

Wat zal Ik met u doen, Israël en Juda? Want uw liefde verdwijnt als wolken in de morgen en verdampt als dauw in de vroege ochtend. Ik stuurde mijn profeten om u te waarschuwen voor uw ondergang. Ik heb u harde klappen toegebracht met mijn woorden en met de dood bedreigd. Onverwacht werd u getroffen door mijn veroordeling, als door een plotseling doorbrekend licht. Ik wil uw offers niet, Ik wil uw liefde. Ik hoef uw brandoffers niet, Ik wil dat u Mij kent.

Maar u bent net als Adam: u hebt mijn verbond verbroken en bent Mij zo ontrouw geworden. De bewoners van Gilead zijn misdadigers, de stad is vol bloedsporen. Zij zijn als een bende bandieten die loert op slachtoffers. Troepen priesters plegen moorden op de weg naar Sichem en bedrijven schandelijke misdaden. 10 Ik heb in Israël iets afschuwelijks gezien: Israël liep afgoden achterna en werd zo verontreinigd. 11 Ook u, Juda, zult uw straf nog oogsten. En Ik wilde u zo graag bevrijden!’

O Livro

Oséias 6

Israel é impenitente

1“Venham, voltemos para o Senhor; foi ele quem nos despedaçou — será ele quem nos há-de curar. Fez a ferida — tratará dela. Daqui a dois dias, nos dará a vida; ao terceiro, nos ressuscitará, e viveremos diante dele. Oh! Que possamos conhecer o Senhor! Apressemo-nos a conhecê-lo; responder-nos-á tão seguramente como o aparecimento da alva todas as manhãs, ou como a chuva da Primavera que rega a terra.”

Ó Efraim e Judá, que hei-de eu fazer convosco? Porque o teu amor desaparece como as nuvens pela manhã, ou como o orvalho com o nascer do Sol. Mandei os meus profetas para te advertirem da minha condenação; abati-te com as minhas palavras, ameaçando-te de morte. De repente, sem aviso, os meus juízos cairão sobre ti tão certo como o dia seguir-se à noite.

Mais do que os vossos sacrifícios quero a vossa bondade; mais do que os vossos holocaustos quero o conhecimento de Deus.

Mas, à semelhança de Adão, quebraste a minha aliança; recusaste o meu amor. Gileade é uma cidade de pecadores, cheias de traços de sangue. Os seus cidadãos são bandos de salteadores, armando ciladas às suas vítimas; magotes de sacerdotes põem-se ao longo do caminho para Siquem e praticam toda a espécie de abominações. 10 Sim, eu vi uma coisa horrível em Israel — Efraim andando atrás dos ídolos, Israel contaminando-se.

11 Ó Judá, para ti igualmente haverá uma abundante seara de castigos, que espera por ti — e eu queria tanto abençoar-te!