Hosea 14 – HTB & CCL

Het Boek

Hosea 14:1-10

God biedt zijn vergeving aan

1Samaria zal worden gestraft, omdat zij tegen haar God is opgestaan. Haar bevolking zal worden gedood door een binnenvallend leger, haar babyʼs zullen doodgesmeten worden en haar zwangere vrouwen opengereten.

2Israël, ga terug naar de Here, uw God, want uw zonden hebben u laten struikelen. 3Belijd uw schuld! Ga terug naar de Here en zeg Hem: ‘Vergeef al onze zonden en wees ons genadig. In plaats van offers zullen wij U loven en prijzen. 4Assyrië kan ons niet verlossen en ons militair overwicht baat ons niets. Wij zullen nooit meer tegen onze afgoden zeggen: “U bent onze God.” Want van U alleen ervaren de wezen medelijden.’

5‘Dan zal Ik u genezen van uw afgoderij en ontrouw. Ik zal u liefhebben, uit eigen vrije wil, want mijn toorn zal voorgoed bedaren. 6Als dauw zal Ik Israël verfrissen. Zij zal bloeien als een lelie en haar wortels diep uitslaan als de ceders van de Libanon. 7Haar takken zullen uitlopen en zij zal zo mooi zijn als de olijfboom en heerlijk geuren als de wouden van de Libanon. 8Haar bevolking zal weer rusten onder zijn schaduw. Zij zal als vanouds koren verbouwen en bloeien als de wijnstok en beroemd zijn als de wijn van de Libanon.

9Israël, blijf bij de afgoden uit de buurt! Ik ben degene die u verhoort en voor u zorgt. Ik ben als een altijd groene boom, Ik draag altijd vrucht, Ik zal u blijven zegenen.’

10Ieder die verstandig is, moet acht slaan op deze dingen. Hij zal dan in staat zijn ze op hun juiste waarde te schatten. Want de wegen van de Here zijn recht en rechtvaardige mensen zullen die bewandelen. Maar zondaars die het proberen, zullen struikelen.

Mawu a Mulungu mu Chichewa Chalero

Hoseya 14:1-9

Kulapa Kubweretsa Madalitso

1Iwe Israeli bwerera kwa Yehova Mulungu wako.

Machimo anu ndi amene akugwetsani!

2Bweretsani zopempha zanu

ndipo bwererani kwa Yehova.

Munene kwa Iye kuti,

“Tikhululukireni machimo athu onse

ndi kutilandira mokoma mtima,

kuti tithe kukuyamikani ndi mawu a pakamwa pathu.

3Asiriya sangatipulumutse;

ife sitidzakwera pa akavalo ankhondo,

sitidzanenanso kuti, ‘Milungu yathu’

kwa zimene manja athu omwe anazipanga,

pakuti ndinu amene mumachitira chifundo ana amasiye.”

4Ine ndidzachiza kusakhulupirika kwawo

ndipo ndidzawakonda mwaufulu

pakuti ndaleka kuwakwiyira.

5Ndidzakhala ngati mame kwa Israeli

Ndipo iye adzachita maluwa ngati kakombo.

Adzazika mizu yake pansi

ngati mkungudza wa ku Lebanoni;

6mphukira zake zidzakula.

Kukongola kwake kudzakhala ngati mtengo wa olivi,

kununkhira kwake ngati mkungudza wa ku Lebanoni.

7Anthu adzakhalanso mu mthunzi wake.

Iye adzakula bwino ngati tirigu.

Adzachita maluwa ngati mphesa

ndipo kutchuka kwake kudzakhala ngati vinyo wochokera ku Lebanoni.

8Efereimu adzati, “Ndidzachita nawonso chiyani mafano?

Ine ndidzamuyankha ndi kumusamalira.

Ine ndili ngati mtengo wa payini wobiriwira;

zipatso zako zimachokera kwa Ine.”

9Ndani ali ndi nzeru? Adzazindikire zinthu izi.

Ndani amene amamvetsa zinthu? Adzamvetse izi.

Njira za Yehova ndi zolungama;

anthu olungama amayenda mʼmenemo,

koma anthu owukira amapunthwamo.