Het Boek

Hosea 1:1-12

Hoseaʼs vrouw en kinderen

1Hosea, de zoon van Beëri, ontving verscheidene boodschappen van de Here. Dat was in de tijd dat de koningen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia over Juda regeerden en dat koning Jerobeam, de zoon van Joas, over Israël regeerde.

2Dit is de eerste boodschap van de Here.

De Here zei tegen Hosea: ‘Trouw met een vrouw die prostituee is en kinderen heeft die door andere mannen verwekt zijn. Dit zal een voorbeeld zijn van de manier waarop mijn volk Mij ontrouw is geweest. Want het heeft openlijk overspel gepleegd door afgoden te vereren.’ 3Toen trouwde Hosea met Gomer, de dochter van Diblaïm. Zij raakte in verwachting en schonk het leven aan een zoon. 4De Here zei: ‘Noem het kind Jizreël, want het duurt niet lang meer of Ik zal in het dal van Jizreël wraak nemen op Jehuʼs koningshuis voor de moorden die Jehu heeft begaan. Ja, Ik zal zelfs een einde maken aan de positie van Israël als onafhankelijk koninkrijk. 5In het dal van Jizreël zal Israël een verpletterende nederlaag lijden.’

6Gomer raakte opnieuw in verwachting en deze keer was het een dochter. God zei tegen Hosea: ‘Noem haar Lo-Ruchama (Geen medelijden meer), want Ik zal geen medelijden meer hebben met Israël of haar weer vergeven. 7Maar Ik zal Mij wél het lot aantrekken van het volk van Juda. Ik, die haar God ben, zal haar verlossen van haar vijanden, zonder hulp van haar troepen of wapens.’ 8Toen Gomer Lo-Ruchama niet meer zelf voedde, werd zij voor de derde keer zwanger en bracht een zoon ter wereld. 9God zei: ‘Geef hem de naam Lo-Ammi (Niet mijn volk), want Israël is niet van Mij en Ik ben niet haar God. 10Toch zal eens de tijd komen waarin Israël zal uitgroeien tot een groot volk. Er zullen meer mensen zijn dan iemand ooit kan tellen, zoveel als het zand aan het strand! Op de plaats waar gezegd werd: “U bent niet mijn volk,” zal Ik dan zeggen: “U bent mijn kinderen, kinderen van de levende God.” 11Dan zullen het volk van Juda en dat van Israël zich verenigen en één leider over zich aanstellen. Samen zullen zij terugkeren uit ballingschap. Wat zal dat een grandioze dag zijn, als God zijn volk weer zal uitzaaien op de vruchtbare grond van hun eigen land!’

12O Jizreël, geef uw broers en zusters een nieuwe naam. Noem uw broers nu Ammi (Mijn volk) en uw zusters Ruchama (Medelijden).

Swedish Contemporary Bible

Hosea 1:1-11

Hoseas äktenskap – en symbol

(1:1—3:5)

1Detta är Herrens ord som kom till Hosea, Beeris son, när Ussia, Jotam, Achas och Hiskia var kungar i Juda och Jerobeam, Joashs son, regerade i Israel.

Hoseas familj

2Så här börjar Herrens tal genom Hosea. Herren sa till honom: ”Gå och skaffa dig en sköka till hustru och barn som föds i otukt, för landet bedriver otukt gentemot Herren.” 3Han gifte sig då med Gomer, dotter till Divlajim, och hon blev med barn och födde honom en son. 4Herren sa till honom: ”Ge honom namnet Jisreel, för snart ska jag straffa Jehus släkt för hans massaker i Jisreel och göra slut på Israels kungadöme. 5Den dagen ska jag bryta sönder Israels båge i Jisreels dal.”

6Hon blev åter med barn och födde en dotter. Herren sa till Hosea: ”Ge henne namnet Lo Ruchama, för jag ska inte längre förbarma mig över israeliterna så att jag förlåter dem.1:6 Lo Ruchama betyder hon som inte får förbarmande (Lo är en negation). I slutet av versen (förlåter ) är grundtextens innebörd osäker. 7Men jag ska förbarma mig över Juda folk och rädda dem genom Herren, deras Gud. Jag ska inte rädda dem genom båge eller svärd, strid, hästar eller ryttare.”

8När Gomer hade slutat amma Lo Ruchama, blev hon med barn igen och födde en son. 9Herren sa: ”Ge honom namnet Lo Ammi1:9 Betyder inte mitt folk., för ni är inte mitt folk och jag finns inte till för er.

10Men antalet israeliter ska bli som sandkornen på havsstranden, omöjliga att mäta och räkna. Där det nu sägs till dem: ’Ni är inte mitt folk’, där ska de kallas ’Den levande Gudens barn.’ 11Då ska Juda och Israels folk förenas och ha en gemensam ledare. De ska växa upp ur landet, och Jisreels dag blir stor.