Het Boek

Genesis 43:1-34

Het tweede bezoek van Jozefs broers

1De vreselijke hongersnood bleef op het land drukken. 2Toen het graan dat zij uit Egypte hadden meegebracht bijna op was, zei Jakob tegen zijn zonen: ‘Ga nog maar een keer voedsel halen.’ 3-5Maar Juda zei tegen hem: ‘De leider van Egypte meende het toen hij zei: “U kunt hier beter niet terugkomen als u die jongste broer niet meeneemt.” We kunnen geen voedsel halen, tenzij Benjamin met ons meegaat.’ 6‘Waarom moesten jullie die man zo nodig vertellen dat jullie nog een jongere broer hadden?’ vroeg Israël geërgerd. ‘Jullie hebben mij mooi in de moeilijkheden gebracht.’ 7‘Maar die man vroeg ons speciaal naar onze familie,’ zeiden zij hem. ‘Hij wilde weten of onze vader nog leefde en vroeg ook of we nog een andere broer hadden. Daarom vertelden wij het hem. Hoe konden wij weten dat hij zou zeggen: “Neem uw jongste broer mee”?’

8Juda zei tegen zijn vader: ‘Laat mij de jongen meenemen, dan kunnen we gaan. Anders zullen we allemaal verhongeren en niet alleen wij, maar ook u en onze kleine kinderen. 9Ik verzeker u dat hij veilig zal zijn. Als ik hem niet terugbreng, zal ik voor altijd bij u in de schuld staan. 10Als u eerder had toegestemd, waren we nu al twee keer heen en terug naar Egypte geweest.’

11Ten slotte stemde Israël toe met de woorden: ‘Als het dan niet anders kan, moet het maar zo. Geef die man als geschenk balsem, honing, gom en hars, terpentijnnoten en amandelen. 12Neem dubbel geld mee, zodat jullie het geld dat boven in de zakken zat, kunnen terugbetalen. Iemand daar heeft vast een fout gemaakt. 13Neem jullie broer mee en ga. 14Moge God, de Almachtige, jullie genadig zijn als jullie bij die man komen, zodat hij Simeon vrijlaat en Benjamin laat terugkomen. Als ik mijn kinderen moet kwijtraken, dan moet het maar.’

15Zij namen de geschenken en het dubbele geld en trokken naar Egypte, waar ze weer oog in oog kwamen te staan met Jozef. 16Toen die zag dat ze Benjamin hadden meegenomen, zei hij tegen zijn huismeester: ‘Deze mannen zullen vanmiddag bij mij eten. Neem ze mee naar huis en maak een feestelijke maaltijd klaar.’ 17De man voerde de opdracht uit en nam de broers mee naar Jozefs paleis.

18Zij werden echter alleen maar banger, toen ze zagen waar ze heen werden gebracht. ‘Dit doet hij vanwege dat geld dat in onze zakken zat,’ zeiden ze tegen elkaar. ‘Hij zal wel zeggen dat we het hebben gestolen en ons tot slaven maken. Dan kan hij onze ezels ook in beslag nemen.’

19-21Toen ze bij de deur van het paleis kwamen, wendden zij zich tot de huismeester en zeiden: ‘Och meneer, na onze eerste reis naar Egypte om eten te halen, stopten we op de terugtocht voor de overnachting en openden onze zakken en daar zat het geld in, dat we voor het graan hadden betaald. 22Kijk, hier is het, we hebben het mee teruggenomen en we hebben nog meer geld om hier weer graan te kopen. We hebben geen flauw idee hoe dat geld in onze zakken is terechtgekomen.’ 23‘Maakt u zich daar maar geen zorgen over,’ zei de huismeester, ‘uw God of de God van uw vaderen zal het daar hebben gelegd, want wij hebben geen geld gemist.’ Toen liet de huismeester Simeon vrij. 24De broers werden het paleis binnengeleid en kregen water om hun voeten te wassen en de ezels werden gevoederd. 25Ze legden hun geschenken klaar voor Jozef wanneer hij die middag zou komen, want zij hadden gehoord dat hij thuis kwam eten.

26Toen Jozef kwam, boden ze hem de geschenken aan en bogen diep voor hem. 27Hij vroeg hoe het met hen ging. ‘En hoe is het met uw vader, die oude man over wie u sprak? Leeft hij nog?’ 28‘Jazeker,’ was het antwoord. ‘Hij leeft en is goed gezond.’ Daarna bogen zij weer diep voor hem. 29Met een knik naar Benjamin vroeg Jozef: ‘Is dit uw jongste broer over wie u mij vertelde? Hoe is het met je, mijn zoon? God zij je genadig.’ 30Toen verliet Jozef haastig het vertrek, want de liefde voor zijn broer overweldigde hem en hij kon zijn tranen niet bedwingen. In zijn slaapkamer huilde hij vrijuit. 31Daarna waste hij zijn gezicht en ging weer terug. Hij had zichzelf weer in bedwang. 32‘Laten we gaan eten,’ zei hij. Jozef at alleen. Zijn broers werden aan een andere tafel bediend en de Egyptenaren zaten aan een derde tafel. Egyptenaren verachtten Hebreeërs en aten niet samen met hen. 33Jozef wees ieder zijn plaats en zette hen op volgorde van leeftijd, van de oudste tot de jongste. Ze keken elkaar verbaasd aan! 34Hun eten kwam van Jozefs tafel. Maar Benjamin kreeg vijfmaal zoveel als de anderen! Het werd een echt feest met vrolijk gepraat en veel wijn.

New International Reader's Version

Genesis 43:1-34

Joseph’s Brothers Go Down to Egypt Again

1There still wasn’t enough food anywhere in the land. 2After a while Jacob’s family had eaten all the grain the brothers had brought from Egypt. So their father said to them, “Go back. Buy us a little more food.”

3But Judah said to him, “The man gave us a strong warning. He said, ‘You won’t see my face again unless your brother Benjamin is with you.’ 4So send our brother along with us. Then we’ll go down and buy food for you. 5If you won’t send him, we won’t go down. The man said to us, ‘You won’t see my face again unless your brother is with you.’ ”

6Israel asked, “Why did you bring this trouble to me? Why did you tell the man you had another brother?”

7They replied, “The man questioned us closely about ourselves and our family. He asked us, ‘Is your father still living? Do you have another brother?’ We just answered his questions. How could we possibly know he would say, ‘Bring your brother down here’?”

8Judah spoke to Israel his father. “Send the boy along with me,” he said. “We’ll go right away. Then we and you and our children will live and not die. 9I myself promise to keep Benjamin safe. You can blame me if I don’t bring him back to you. I’ll set him right here in front of you. If I don’t, you can put the blame on me for the rest of my life. 10As it is, we’ve already waited too long. We could have made the trip to Egypt and back twice by now.”

11Then their father Israel spoke to them. He said, “If that’s the way it has to be, then do what I tell you. Put some of the best things from our land in your bags. Take them down to the man as a gift. Take some lotion and a little honey. Take some spices and myrrh. Take some pistachio nuts and almonds. 12Take twice the amount of money with you. You have to give back the money that was put in your sacks. Maybe it was a mistake. 13Also take your brother. Go back to the man at once. 14May the Mighty God cause him to show you mercy. May the man let your other brother and Benjamin come back with you. And if I lose my sons, I lose them.”

15So the men took the gifts. They took twice the amount of money. They also took Benjamin. They hurried down to Egypt and went to Joseph. 16When Joseph saw Benjamin with them, he spoke to the manager of his house. “Take these men to my house,” he said. “Kill an animal and prepare a meal. I want them to eat with me at noon.”

17The manager did what Joseph told him to do. He took the men to Joseph’s house. 18They were frightened when they were taken to Joseph’s house. They thought, “We were brought here because of the money that was put back in our sacks the first time. He wants to attack us and overpower us. Then he can hold us as slaves and take our donkeys.”

19So they went up to Joseph’s manager. They spoke to him at the entrance to the house. 20“Please, sir,” they said. “We came down here the first time to buy food. 21We opened our sacks at the place where we stopped for the night. Each of us found in our sacks the exact amount of the money we had paid. So we’ve brought it back with us. 22We’ve also brought more money with us to buy food. We don’t know who put our money in our sacks.”

23“It’s all right,” the manager said. “Don’t be afraid. Your God, the God of your father, has given you riches in your sacks. I received your money.” Then he brought Simeon out to them.

24The manager took the men into Joseph’s house. He gave them water to wash their feet. He provided feed for their donkeys. 25The brothers prepared their gifts for Joseph. He was planning to arrive at noon. They had heard that they were going to eat there.

26When Joseph came home, they gave him the gifts they had brought into the house. They bowed down low in front of him. 27He asked them how they were. Then he said, “How is your old father you told me about? Is he still living?”

28They replied, “Your servant our father is still alive and well.” And they bowed down to show him honor.

29Joseph looked around. Then he saw his brother Benjamin, his own mother’s son. He asked, “Is this your youngest brother? Is he the one you told me about?” He continued, “May God be gracious to you, my son.” 30It moved him deeply to see his brother. So Joseph hurried out and looked for a place to cry. He went into his own room and cried there.

31Then he washed his face and came out. He calmed down and said, “Serve the food.”

32They served Joseph by himself. They served the brothers by themselves. They also served the Egyptians who ate with Joseph by themselves. Because of their beliefs, Egyptians couldn’t eat with Hebrews. 33The brothers had been given places in front of Joseph. They had been seated in the order of their ages, from the oldest to the youngest. That made them look at each other in great surprise. 34While they were eating, some food was brought to them from Joseph’s table. Benjamin was given five times as much as anyone else. So all Joseph’s brothers ate and drank a lot with him.