Het Boek

Genesis 27:1-46

Jakob bedriegt Isaak

1Isaak werd op zijn oude dag halfblind. Op een dag riep hij zijn oudste zoon Esau bij zich. ‘Mijn zoon,’ zei Isaak, 2-4‘ik ben al oud en elke dag kan mijn laatste zijn. Neem je boog en je pijlen en schiet een stuk wild voor mij. Maak het dan voor me klaar zoals ik het graag lust, en breng het hier, zodat ik ervan kan eten. Daarna zal ik je als mijn oudste zoon zegenen nog vóór ik sterf.’

5Maar Rebekka had het gesprek afgeluisterd en toen Esau het veld in ging, 6-7 riep zij Jakob en vertelde hem wat zijn vader tegen zijn broer had gezegd. 8-10Rebekka gaf Jakob de raad: ‘Ga naar de kudde en breng twee jonge geiten hier. Dan zal ik het lievelingsgerecht van je vader klaarmaken. Jij moet hem dat brengen en als hij ervan heeft genoten, zal hij jou voor zijn dood zegenen in plaats van Esau!’ Maar Jakob protesteerde: ‘Maar moeder, vader laat zich heus niet zo gemakkelijk bedriegen. 11-12 Esau is behaard en ik heb een gladde huid. Stel dat vader zijn hand op mijn arm legt? Hij zal denken dat ik hem voor de gek wil houden en me vervloeken in plaats van zegenen!’ 13Maar Rebekka stelde hem gerust. ‘Ik zal zijn vervloeking op mij nemen, jongen,’ zei zij. ‘Doe jij nu maar wat ik heb gezegd. Ga die geiten halen!’

14Jakob deed wat zijn moeder hem had opgedragen en bracht haar de geiten, die zij klaarmaakte op de manier die Isaak het lekkerste vond. 15Toen haalde ze Esauʼs beste kleren voor de dag—die lagen daar in huis—en liet Jakob die aantrekken. 16Van de harige huid van de geiten maakte ze twee handschoenen, en een reep van de huid bond ze om Jakobs gladde hals. 17Toen gaf ze hem de schaal met het heerlijk ruikende vlees en wat versgebakken brood. 18Jakob ging de tent in waar zijn vader lag en antwoordde op Isaaks vraag wie daar was: 19‘Ik ben Esau, uw oudste zoon. Ik heb gedaan wat u mij hebt gevraagd. Hier is het gerecht dat u graag wilde hebben. Ga even rechtop zitten en eet het, zodat u mij kunt zegenen.’ 20En Isaak vroeg: ‘Hoe heb je dat zo snel voor elkaar gekregen, jongen?’ Jakob antwoordde daarop: ‘De Here, uw God, heeft mij geholpen!’ 21-23Isaak liet Jakob bij zich komen en betastte hem. ‘De stem is van Jakob, maar de handen zijn van Esau,’ zei hij bij zichzelf. 24Nogmaals vroeg Isaak hem of hij werkelijk Esau was, waarop Jakob weer bevestigend antwoordde. 25Toen was Isaak overtuigd en hij at van het gerecht en dronk de wijn, die Jakob ook had meegebracht. 26‘Kom hier en kus me, mijn zoon,’ vroeg Isaak na het eten. 27Jakob kuste hem en Isaak rook de geur van zijn kleren en was toen helemaal overtuigd. En hij gaf Jakob zijn zegen met de woorden: ‘De geur van mijn zoon is de goede geur van de aarde en het open veld, dat de Here heeft gezegend. 28Moge God je altijd genoeg regen voor je oogst, voor je koren en voor je wijnranken geven. 29Vele volken zullen zich aan je onderwerpen. Heers over je broeders. Je broers zullen voor je buigen. Vervloekt zijn zij die jou vervloeken en gezegend zijn zij die jou zegenen.’

30Na die zegen, toen Jakob nog maar net de tent van zijn vader had verlaten, kwam Esau terug van de jacht. 31Hij maakte zijn vaders lievelingsgerecht klaar en ging ermee naar de tent. 32Maar toen hij binnenkwam en zijn vader het eten aanbood, vroeg die bevreemd: ‘Wie is daar?’ Esau zei dat hij het was en Isaak schrok zichtbaar. 33‘Maar wie is hier dan net geweest met wildbraad, waarvan ik heb gegeten?’ vroeg hij zich verontrust af. 34Esau begon te klagen: ‘Och vader, zegen mij, zegen mij ook!’ 35Maar Isaaks antwoord was onverbiddelijk. ‘Je broer was hier en heeft mij bedrogen. Hij heeft jouw zegen weggenomen.’ 36Esau reageerde verbitterd. ‘Geen wonder dat ze hem de Bedrieger noemen. Eerst nam hij mij mijn eerstgeboorterecht af en nu heeft hij mijn zegen ook nog gestolen. Och, hebt u geen enkele zegen meer over voor mij?’ smeekte hij zijn vader. 37Maar Isaak moest hem teleurstellen. ‘Ik heb hem meester over jou gemaakt en hem jou en alle andere familieleden als dienaren gegeven. Ik heb hem veel koren en wijn beloofd. Wat kan ik jou nog geven?’ 38Maar Esau bleef vragen: ‘Och vader, heeft u dan geen enkele zegen meer voor mij?’ en begon te huilen. 39-40 Toen zei Isaak echter: ‘Je zult geen gemakkelijk leven krijgen. Je zult van je zwaard leven. Een tijdlang zul je je broer dienen, maar als je je best doet, zul je je van hem kunnen losmaken en vrij zijn.’

41Esau haatte Jakob om wat hij had gedaan en dacht bij zichzelf: ‘Vader zal wel snel sterven en dan kan ik Jakob doden.’ 42Maar iemand kreeg lucht van zijn plan en vertelde het Rebekka. 43Zij riep Jakob bij zich en vertelde hem dat zijn broer het op zijn leven had voorzien. ‘Je moet naar je oom Laban in Haran vluchten,’ zei zij. 44‘Blijf daar tot je broer van gedachten is veranderd en je daad heeft vergeten. 45Dan zal ik iemand naar je toe sturen. Waarom zou ik jullie allebei op één dag moeten kwijtraken?’ 46Tegen Isaak zei Rebekka: ‘Ik heb een hartgrondige afkeer van die Hethitische vrouwen van Esau. Ik sterf nog liever dan dat ik Jakob met een van hen laat trouwen.’

Mawu a Mulungu mu Chichewa Chalero

Genesis 27:1-46

Yakobo Alandira Madalitso kwa Isake

1Isake atakalamba maso ake anachita khungu mwakuti sankatha kuona. Iye anayitana mwana wake wamkulu Esau nati kwa iye, “Mwana wanga.”

Iye anayankha, “Ine abambo.”

2Isake anati, “Tsopano ine ndakalamba, ndipo sindidziwa tsiku langa lakufa. 3Tsono tenga zida zako, muvi wako ndi uta, pita kuthengo ukandiphere nyama. 4Undikonzere chakudya chabwino monga muja ndimakonderamu ndipo ubwere nacho kwa ine kuti ndidye ndi kuti ndikudalitse ndisanamwalire.”

5Koma Rebeka amamvetsera pamene Isake amayankhula ndi mwana wake Esau. Esau atanyamuka kupita kuthengo kukaphera abambo ake nyama, 6Rebeka anati kwa mwana wake Yakobo, “Taona ndamva abambo ako akuwuza mʼbale wako Esau kuti, 7‘Bweretsere nyama yakutchire ndipo undikonzere chakudya chokoma kuti ndidye; kuti ndikudalitse pamaso pa Yehova ndisanamwalire.’ 8Tsopano mwana wanga, mvetsetsa ndipo uchite zimene ndikuwuze: 9Pita ku khola, ukatenge ana ambuzi abwino awiri, kuti ndikonzere abambo ako chakudya chokoma monga amakondera. 10Kenaka upite nacho chakudyacho kwa abambo ako kuti adye ndi kukudalitsa asanafe.”

11Koma Yakobo anati kwa Rebeka amayi ake, “Komatu mʼbale wanga Esau ndi munthu wa khungu la ubweya zedi, ndipo ine ndine munthu wa khungu losalala. 12Mwina abambo anga adzandikhudza, ndipo ndidzaoneka kuti ndawapusitsa. Tsono ndizadzitengera temberero mʼmalo mwa madalitso.”

13Amayi ake anati kwa iye, “Mwana wanga, temberero limenelo ligwere ine. Iwe ungochita zimene ine ndikukuwuza; pita kanditengere timbuzito.”

14Choncho anapita nakatenga timbuzito ndi kubwera nato kwa amayi ake. Choncho Rebeka anaphika chakudya chokoma monga momwe Isake amakondera. 15Tsono Rebeka anatenga zovala zabwino kwambiri za Esau mwana wake wamkulu zimene zinali mʼnyumba namuveka Yakobo. 16Anamuvekanso manja ake ndi khosi lake ndi zikopa za mwana wambuzi. 17Kenaka, anamupatsa Yakobo chakudya chokoma chija chimene anaphika pamodzi ndi buledi.

18Yakobo anapita kwa abambo ake ndipo anati, “Abambo anga.”

Ndipo anayankha, “Eya, kodi ndiwe mwana wanga uti?”

19Yakobo anati kwa abambo ake, “Ndine Esau mwana wanu woyamba. Ndachita monga munandiwuzira. Chonde dzukani ndi kukhala tsonga kuti mudyeko nyama ndakukonzeraniyi kuti tsono mundidalitse.”

20Isake anafunsa mwana wake, “Wayipeza msanga chotere bwanji mwana wanga?”

Iye anayankha, “Yehova Mulungu wanu anandithandiza kuti ndiyipeze.”

21Pamenepo Isake anati kwa Yakobo, “Tabwera pafupi ndikukhudze mwana wanga, kuti ndidziwedi ngati uli mwana wanga Esau kapena ayi.”

22Yakobo anasendera kufupi ndi abambo ake Isake ndipo anamukhudza nati, “Mawuwa ndi mawu a Yakobo koma mikonoyi ndi mikono ya Esau.” 23Sanamuzindikire, popeza mikono yake inali ndi ubweya ngati ya mʼbale wake Esau; choncho anamudalitsa. 24Isake anafunsa, “Kodi ndiwedi mwana wanga Esau?”

Yakobo anayankha, “Inde ndine.”

25Ndipo iye anati, “Mwana wanga, patseko nyama yakoyo ndidye kuti ndikudalitse.”

Yakobo anabwera ndi nyama ija kwa Isake ndipo anadya. Kenaka anamupatsanso vinyo ndipo anamwa. 26Tsono Isake anati kwa Yakobo, “Bwera kuno mwana wanga undipsompsone.”

27Choncho anapita namupsompsona. Apa Isake anamva fungo la zovala zake, ndipo anamudalitsa nati,

“Haa, fungo la mwana wanga

lili ngati fungo la munda

umene Yehova waudalitsa.

28Mulungu akugwetsere mame akumwamba

ndipo minda yako ibale tirigu wambiri

ndi vinyo watsopano.

29Mitundu ya anthu ikutumikire iwe

ndipo anthu akugwadire iwe.

Ukhale wolamula abale ako,

ndipo ana aamuna a amayi ako akugwadire.

Amene akutemberera iwe atembereredwe

ndipo amene adalitsa iwe adalitsike.”

30Isake atatsiriza kudalitsa Yakobo, atangochoka pamaso pa abambo akewo, Esau anabwera kuchokera kosaka kuja. 31Nayenso anakonza chakudya chokoma nabwera nacho kwa abambo ake. Ndipo anati kwa iye, “Chonde abambo, dzukani mukhale tsonga kuti mudye nyamayi ndi kuti mundidalitse.”

32Abambo ake, Isake, anamufunsa kuti, “Ndiwe yani?”

Iye anayankha, “Ndine mwana wanu woyamba Esau.”

33Isake ananjenjemera kwambiri nati, “Nanga ndani uja anakapha nyama kutchire nʼkudzandipatsa? Ine ndadya kale, ndadya nyamayo iwe utangotsala pangʼono kubwera ndipo ndamudalitsa ndipo adzakhaladi wodalitsika.”

34Esau atamva mawu a abambo ake, analira mokweza ndi mowawidwa mtima nati kwa abambo ake, “Inenso dalitseni abambo anga!”

35Koma iye anati, “Mʼbale wako anabwera mwachinyengo ndipo watenga madalitso ako.”

36Esau anati, “Kodi nʼchifukwa chake iyeyu dzina lake lili Yakobo eti? Aka nʼkachiwiri kundinyenga: Anatenga ukulu wanga, pano watenga madalitso anga!” Kenaka anafunsa, “Kodi simunandisungireko ena madalitsowo?”

37Koma Isake anamuyankha nati, “Ndamudalitsa iye kuti akhale wokulamulira iwe. Ndaperekanso abale ake onse kuti akhale omutumikira iye, ndipo ndamudalitsa ndi tirigu wambiri, ndi vinyo watsopano. Ndiye ndingakuchitirenso chiyani mwana wanga?”

38Esau anati kwa abambo ake, “Kodi muli ndi dalitso limodzi lokhali, abambo anga? Inenso mundidalitse chonde abambo anga!” Pomwepo Esau analira mokuwa.

39Tsono Isake abambo ake anamuyankha kuti,

“Malo ako okhalapo

sadzabala dzinthu,

ndipo mvula sidzagwa pa minda yako.

40Udzakhala ndi moyo podalira lupanga

ndipo udzatumikira mʼbale wako.

Koma idzafika nthawi

pamene udzakhala mfulu

udzachotsa goli lake mʼkhosi mwako.”

Yakobo Athawira kwa Labani

41Ndipo Esau anamusungira chiwembu Yakobo chifukwa cha madalitso amene abambo ake anamupatsa. Esau anati kwa iye yekha, “Masiku olira abambo anga ayandikira; pambuyo pake ndidzamupha mʼbale wangayu Yakobo.”

42Pamene Rebeka anamva zimene mwana wake wamkulu Esau ankaganiza, anayitanitsa Yakobo nati kwa iye, “Mʼbale wako Esau akulingalira zakuti akuphe kuti akulipsire. 43Tsopano mwana wanga, chita zimene ndinene: Nyamuka tsopano, uthawire kwa mlongo wanga Labani ku Harani. 44Ukakhale naye kwa kanthawi mpaka mkwiyo wa mʼbale wako utatsika. 45Tsono mkwiyo wa mʼbale wakoyo ukadzatsika ndi kuyiwala zonse wamuchitirazi, ndidzatuma munthu kuti adzakutenge. Nanga nditayirenji nonse awiri nthawi imodzi?”

46Tsono Rebeka anati kwa Isake, “Ine sindikukondwera nawo anamwali a Chihiti. Ndipo ngati Yakobo angapeze mbeta kuno mwa anamwali a Chihitiwa, ndiye kuli bwino kungofa.”