Het Boek

Genesis 24:1-67

Isaaks huwelijk met Rebekka

1Abraham was een oud man geworden en de Here had hem in alle opzichten gezegend. 2Op een dag zei Abraham tegen zijn oudste dienaar, die zijn bezit beheerde: 3‘Zweer bij de Here, de God van hemel en aarde, dat je mijn zoon niet zult laten trouwen met een meisje uit deze streek, een Kanaänitische. 4Je moet naar mijn geboorteland gaan, naar mijn familie en daar een vrouw voor hem zoeken.’ 5‘En als ik geen meisje vind die dat hele eind wil reizen om te trouwen?’ vroeg de dienaar. ‘Moet ik Isaak dan terugbrengen naar het land waar u vandaan bent gekomen?’ 6‘Nee,’ waarschuwde Abraham, ‘dat mag je onder geen beding doen, 7de Here, de God van de hemel, heeft mij uit mijn geboorteland bij mijn familie weggeroepen om mij en mijn nakomelingen dit land te geven. Hij zal een engel voor je uit sturen en ervoor zorgen dat je daar een meisje vindt dat met Isaak kan trouwen. 8Als het je niet lukt, ben je van je eed ontslagen. Maar je mag mijn zoon nooit daarheen brengen.’

9De dienaar zwoer dat hij Abrahams opdracht zou uitvoeren. 10Hij nam tien kamelen mee, belaadde die met het beste en mooiste van de eigendommen van zijn meester en reisde naar Aram-Naharaïm, de woonplaats van Nachor. 11Hij stopte bij een waterput net buiten de stad en liet de kamelen neerknielen. Het was tegen de avond en de vrouwen van de stad zouden zo komen om water te putten. 12‘Och Here, God van mijn meester,’ bad hij, ‘wees goed voor mijn meester Abraham en laat mijn opdracht slagen. 13Ik sta hier bij de waterput en de vrouwen van de stad zullen zo water komen halen. 14Laat het alstublieft zo zijn dat het meisje aan wie ik vraag: “Kunt u mij iets te drinken geven?” dat doet en gelijk aanbiedt ook de kamelen te drenken. Laat dat het meisje zijn dat U voor Isaak hebt uitgezocht. Dan weet ik wat U wilt.’

15Terwijl hij nog met de Here sprak, naderde een mooi jong meisje met een waterkruik de put en 16haalde water. Zij was Rebekka, de dochter van Betuël, de zoon van Nachor en Milka. 17De dienaar liep snel naar haar toe en vroeg of zij hem iets te drinken wilde geven. 18‘Natuurlijk, meneer,’ zei zij en haalde vlug de kruik van haar schouder om hem te drinken te geven. 19Toen zei ze: ‘Ik zal voor uw kamelen ook water putten, net zoveel tot ze genoeg hebben.’ 20Ze leegde haar waterkruik in de drinkbak voor de kamelen en liep terug naar de put om meer water te halen. Dat deed ze net zo lang tot de kamelen genoeg hadden. 21De dienaar zei niets en keek alleen opmerkzaam toe of zij haar werk afmaakte. Dan zou hij weten of zij het was die de Here had uitgezocht. 22Toen de kamelen hadden gedronken, haalde de dienaar een gouden ring van zes gram en twee gouden armbanden van elk honderdtwintig gram voor haar tevoorschijn. 23‘Van wie bent u een dochter?’ informeerde hij. ‘Denkt u dat uw vader genoeg ruimte heeft om ons deze nacht onderdak te geven?’ 24‘Mijn vader is Betuël, de zoon van Milka, de vrouw van Nachor,’ antwoordde het meisje. 25‘Wij hebben genoeg stro en voer voor uw kamelen en er is ook een kamer voor gasten.’ 26De dienaar stond een ogenblik met gebogen hoofd en wierp zich toen neer voor de Here. 27‘Dank U, Here, God van mijn meester Abraham, voor uw trouw en goedheid en dat U mij rechtstreeks naar de familie van mijn meester hebt geleid.’

28Het meisje liep vlug naar huis en vertelde alles aan haar moeder. 29-30 Toen haar broer Laban zag dat zij een ring en armbanden omhad, haastte hij zich naar de waterput, waar de man nog steeds bij zijn kamelen stond en zei tegen hem: 31‘Kom mee naar ons huis, mijn vriend. U staat hier nog te wachten, terwijl wij al een kamer voor u hebben klaargemaakt en een plaats voor uw kamelen hebben ingeruimd!’ 32De man ging met Laban mee naar huis en deze gaf hem stro en voer voor de kamelen en water, zodat de kamelendrijvers hun voeten konden wassen. 33Daarna gingen zij aan tafel. De dienaar weigerde echter te eten. ‘Voordat ik eet, wil ik eerst vertellen waarom ik hier ben,’ zei hij. Laban stemde toe.

34‘Ik ben de dienaar van Abraham,’ begon de man zijn verhaal, 35‘en de Here heeft mijn meester rijk gezegend, zodat hij een rijk en bekend man is geworden. De Here gaf hem veel schapen en runderen, goud en zilver, slaven en slavinnen en kamelen en ezels. 36Sara, de vrouw van mijn meester, heeft hem op hoge leeftijd nog een zoon gegeven, die al zijn bezittingen zal erven. 37Mijn meester heeft mij laten zweren dat ik geen vrouw voor zijn zoon zou zoeken onder de Kanaänitische meisjes, 38maar naar zijn geboorteland zou gaan, naar zijn familie, om daar een meisje te zoeken dat zijn vrouw zou kunnen worden. 39“Maar als ik nu geen meisje kan vinden dat wil meegaan?” vroeg ik hem. 40“Zij zal met je meegaan,” zei hij me, “want de Here, die ik altijd trouw heb gediend, zal een engel met je meesturen en je opdracht doen slagen. Ja, zoek een meisje onder mijn familieleden, onder de familie van mijn broer. Je hebt mij gezworen dat je zult gaan en het zult proberen. 41Als mijn familie het meisje echter niet wil laten gaan, ben je van je eed ontslagen.”

42Welnu, toen ik vanmiddag bij de waterput aankwam, heb ik gebeden en God gevraagd: “Och Here, God van mijn meester Abraham, als U mijn opdracht wilt laten slagen, leidt U mij dan zo: 43ik sta hier bij de waterput. Ik zal tegen het eerste meisje dat water komt halen, zeggen: geef mij alstublieft wat te drinken! 44En dan zal zij antwoorden: natuurlijk! En ik zal ook water putten voor uw kamelen! Laat dat het meisje zijn dat U hebt uitgezocht voor de zoon van mijn meester.” 45Terwijl ik dit zei, kwam Rebekka eraan met haar waterkruik op haar schouder. Ze liep naar de put en liet de kruik zakken om water te halen. Ik zei tegen haar: “Mag ik wat water van u?” 46Zij haalde de kruik van haar schouder, gaf mij te drinken en zei: “Natuurlijk, meneer, en ik zal uw kamelen ook te drinken geven!” En dat deed ze! 47Toen vroeg ik haar: “Van wie bent u een dochter?” en zij vertelde mij: “Mijn vader is Betuël, de zoon van Nachor en zijn vrouw Milka”. Daarom gaf ik haar de ring en de armbanden. 48Toen heb ik de Here, de God van mijn meester Abraham, gedankt en geprezen, omdat Hij mij de dochter van mijn meesters broer had aangewezen als vrouw voor zijn zoon.

49Nu wil ik echter graag uw beslissing horen: ja of nee. Dan weet ik waar ik aan toe ben en wat ik moet doen.’ 50Laban en Betuël antwoordden: ‘Het is duidelijk dat de Here hier de hand in heeft, dus wat moeten wij nog zeggen? 51Neem haar maar mee en laat haar de vrouw van uw meesters zoon worden, want zo wil de Here het.’ 52Bij dat antwoord viel Abrahams dienaar op de knieën voor de Here. 53Daarna haalde hij zilveren en gouden sieraden en prachtige kleren voor Rebekka. Ook haar moeder en haar broer kregen kostbare geschenken. 54Toen werd er gegeten en overnachtte het hele gezelschap daar. De volgende morgen zei de dienaar: ‘Ik zou nu graag teruggaan naar mijn meester.’ 55‘Maar we willen Rebekka nog graag een dag of tien bij ons houden,’ protesteerden haar moeder en haar broer, ‘daarna kan zij met u meegaan.’ 56‘Houd u mij alstublieft niet op,’ pleitte de dienaar, ‘nu de Here mijn opdracht heeft laten slagen, wil ik het mijn meester graag gaan vertellen.’ 57‘Wel,’ zeiden zij, ‘we zullen het meisje vragen wat zij ervan denkt.’ 58Dus riepen zij Rebekka erbij. ‘Wil je met deze man meegaan?’ vroegen zij haar. En zij antwoordde: ‘Ja, ik zal met hem meegaan.’ 59Toen namen zij afscheid van Rebekka en zegenden haar met de woorden: 60‘Onze zuster, moge jij de moeder van miljoenen worden en mogen je nakomelingen al hun vijanden overwinnen.’ 61Rebekka en de vrouw die haar als baby verzorgde en de andere dienaressen zadelden hun kamelen en gingen met Abrahams dienaar mee.

62In de tussentijd was Isaak, die in de Negev woonde, naar de bron Lachai-Roï gereisd. 63Op een avond liep hij buiten om rustig te kunnen bidden en nadenken. Toen zag hij in de verte kamelen aankomen. 64Ook Rebekka had Isaak gezien en liet zich van haar kameel glijden. 65‘Wie is die man die ons door de velden tegemoetkomt?’ vroeg zij de dienaar van Abraham. ‘Dat is de zoon van mijn meester,’ was zijn antwoord. Daarop liet Rebekka haar sluier voor haar gezicht vallen. 66De dienaar vertelde Isaak toen het hele verhaal.

67Isaak nam Rebekka met zich mee naar zijn moeders tent en zij werd zijn vrouw. Isaak ging van haar houden en vond zo troost na de dood van zijn moeder.

Bíbélì Mímọ́ Yorùbá Òde Òn

Gẹnẹsisi 24:1-67

Isaaki àti Rebeka

1Abrahamu sì ti di arúgbó ní àkókò yìí, Olúwa sì ti bùkún fún un ni gbogbo ọ̀nà, 2Abrahamu wí fún olórí àwọn ìránṣẹ́ ilẹ̀ rẹ̀, tí ó jẹ́ alábojútó ohun gbogbo tí ó ní pé, “Fi ọwọ́ rẹ sí abẹ́ itan mi. 3Èmi yóò mú ọ búra lórúkọ Olúwa Ọlọ́run ọ̀run àti ayé, pé, ìwọ kì yóò fẹ́ aya fún ọmọ mi nínú àwọn ọmọbìnrin ará Kenaani, láàrín àwọn ẹni tí èmi ń gbé. 4Ṣùgbọ́n, ìwọ yóò lọ sí orílẹ̀-èdè mi, láàrín àwọn ará mi láti fẹ́ aya fún Isaaki, ọmọ mi.”

5Ìránṣẹ́ náà bi í wí pé, “Ǹjẹ́ bí ọmọbìnrin náà bá kọ̀ láti bá mi wá sí ilẹ̀ yìí ńkọ́? Ǹjẹ́ mo lè mú ọmọ rẹ padà lọ sí orílẹ̀-èdè níbi tí ìwọ ti wá?”

6Abrahamu sì wí fún un pé, “Rí i dájú pé ìwọ kò mú ọmọ mi padà lọ sí ibẹ̀.” 7Olúwa, Ọlọ́run ọ̀run tí ó mú mi jáde láti ilẹ̀ baba mi àti ní ilẹ̀ tí a bí mi, tí ó bá mi sọ̀rọ̀ tí ó sì búra fún mi pé, ‘Irú-ọmọ rẹ ni n ó fi ilẹ̀ yìí fún,’ yóò rán angẹli rẹ̀ ṣáájú rẹ, kí ìwọ kí ó lè rí aya fẹ́ wá fún ọmọ mi láti ibẹ̀. 8Bí obìnrin náà kò bá fẹ́ tẹ̀lé ọ wá, nígbà náà ni a tú ọ sílẹ̀ kúrò nínú ìbúra yìí, ṣùgbọ́n pàtàkì ni pé ìwọ kò gbọdọ̀ mú ọmọ mi padà lọ sí ibẹ̀.” 9Ìránṣẹ́ náà sì fi ọwọ́ rẹ̀ sí abẹ́ itan Abrahamu olúwa rẹ̀, ó sì búra fún nítorí ọ̀rọ̀ náà.

10Ìránṣẹ́ náà sì mú ìbákasẹ mẹ́wàá, pẹ̀lú onírúurú ohun dáradára láti ọ̀dọ̀ olúwa rẹ̀, ó sì dìde ó sì lọ sí Aramu-Naharaimu, sí ìlú Nahori, 11Ó sì mú àwọn ìbákasẹ náà kúnlẹ̀ nítòsí kànga lẹ́yìn ìlú, ó ti ń di ọwọ́ ìrọ̀lẹ́ ní àkókò tí àwọn obìnrin máa ń lọ pọn omi.

12Ó sì gbàdúrà wí pé, “Olúwa, Ọlọ́run Abrahamu olúwa à mi; jẹ́ kí n ṣe àṣeyọrí lónìí, sì fi àánú hàn fún Abrahamu olúwa mi. 13Kíyèsi i, mo dúró ní ẹ̀bá kànga omi yìí, àwọn ọmọbìnrin ìlú yìí sì ń jáde wá pọn omi. 14Jẹ́ kí ó ṣe pé nígbà tí mo bá wí fún ọ̀kan nínú àwọn ọmọbìnrin pe, ‘Jọ̀wọ́ sọ ládugbó rẹ kalẹ̀, kí n le mu omi,’ tí ó bá sì wí pé, ‘mu ún, èmi ó sì fún àwọn ìbákasẹ rẹ náà mu pẹ̀lú,’ jẹ́ kí ó ṣe èyí tí o yàn fún ìránṣẹ́ rẹ Isaaki. Nípa èyí ni n ó fi mọ̀ pé o ti fi àánú hàn fún olúwa mi.”

15Kí o tó di pé, ó parí àdúrà, Rebeka dé pẹ̀lú ìkòkò omi rẹ̀ ní èjìká rẹ̀. Ọmọ Betueli ni. Betueli yìí ni Milka bí fún Nahori arákùnrin Abrahamu. 16Ọmọbìnrin náà rẹwà, wúńdíá ni, kò sì tí ì mọ ọkùnrin, ó lọ sí ibi ìsun omi náà, ó sì pọn omi sínú ìkòkò omi, ó sì gbé e, ó ń gòkè bọ̀ kúrò níbi omi.

17Ìránṣẹ́ náà súré lọ pàdé rẹ̀, ó sì wí fun un pé, “Jọ̀wọ́ fún mi ni omi díẹ̀ nínú ìkòkò omi rẹ.”

18Òun náà dáhùn pé, “Mu, olúwa mi,” ó sì yára sọ ìkòkò omi náà ka ọwọ́ rẹ̀, ó sì fún un mu.

19Lẹ́yìn tí ó ti fún un ni omi mu tán, ó wí pé, “Èmi ó bu omi fún àwọn ìbákasẹ rẹ pẹ̀lú títí wọn yóò fi mu àmutẹ́rùn.” 20Ó sì yára da omi inú ìkòkò omi rẹ̀ sínú ìbùmu, ó sáré padà lọ sí ibi omi láti pọn sí i wá fún àwọn ìbákasẹ, títí tí ó fi pọn fún gbogbo wọn. 21Láìsọ ọ̀rọ̀ kan, ìránṣẹ́ yìí ń wo ọmọbìnrin náà fínní fínní láti mọ̀ bóyá Ọlọ́run ti ṣe ìrìnàjò òun ní rere tàbí bẹ́ẹ̀ kọ́.

22Lẹ́yìn tí àwọn ìbákasẹ náà ti mu omi tán, ni ọkùnrin náà mú òrùka wúrà ààbọ̀ ìwọ̀n ṣékélì àti júfù méjì fún ọwọ́ rẹ̀, tí ìwọ̀n ṣékélì wúrà mẹ́wàá. 23Lẹ́yìn náà, ó béèrè pé, “Ọmọ ta ni ìwọ í ṣe? Jọ̀wọ́ wí fún mi, ǹjẹ́ ààyè wà ní ilé baba rẹ láti wọ̀ sí ní alẹ́ yìí?”

24Ó dáhùn pé, “Betueli ọmọ tí Milka bí fún Nahori ni baba mi” 25Ó sì fi kún un pé, “Àwa ní koríko àti ṣakaṣaka tó pẹ̀lú, àti ààyè láti wọ̀ sí.”

26Nígbà náà ni ọkùnrin náà tẹríba, ó sì sin Olúwa, 27wí pe, “Olùbùkún ni fún Olúwa, Ọlọ́run Abrahamu olúwa mi ti kò jẹ́ kí àánú àti òtítọ́ rẹ̀ kí ó yẹ̀ lọ́dọ̀ olúwa mi. Ní ti èmi Olúwa ti darí ìrìnàjò mi sí ilé ìbátan olúwa mi.”

28Ọmọbìnrin náà sì sáré, ó sì lọ sọ ohun gbogbo wọ̀nyí fún àwọn ará ilé ìyá rẹ̀. 29Rebeka ní arákùnrin tí ń jẹ́ Labani; Labani sì sáré lọ bá ọkùnrin náà ní etí odò. 30Bí ó sì ti rí òrùka imú àti ẹ̀gbà ní ọwọ́ arábìnrin rẹ̀ tí ó sì tún gbọ́ ohun tí Rebeka sọ pé ọkùnrin náà sọ fún òun, ó jáde lọ bá ọkùnrin náà, ó sì bá a, ó dúró ti ìbákasẹ wọ̀n-ọn-nì ní ẹ̀bá ìsun omi. 31Ó wí fún ọkùnrin náà pé, “Wá, ìwọ ẹni ìbùkún Olúwa, Èéṣe tí o dúró sí ìta níhìn-ín? Mo ti pèsè ààyè sílẹ̀ fún ọ àti ààyè fún àwọn ìbákasẹ rẹ.”

32Ọkùnrin náà sì bá Labani lọ ilé, ó sì tú ẹrù orí ìbákasẹ rẹ̀ sílẹ̀, ó sì fún wọn ni koríko àti oúnjẹ. Ó sì bu omi fún ọkùnrin náà àti àwọn arákùnrin rẹ̀ láti wẹ ẹsẹ̀ wọn. 33Wọ́n sì gbé oúnjẹ síwájú rẹ̀, ṣùgbọ́n, ó wí pé, “Èmi kò ní jẹun àyàfi bí mo bá sọ ohun tí mo ní í sọ.”

Labani sì wí pé, “Kò burú, sọ ọ́.”

34Nítorí náà, ó wí pé, “ìránṣẹ́ Abrahamu ni èmi. 35Olúwa sì ti bùkún olúwa mi gidigidi. Ó sì ti di ọlọ́rọ̀, Ó sì ti fún un ní àgùntàn, màlúù, àti fàdákà àti wúrà, ìránṣẹ́kùnrin àti ìránṣẹ́bìnrin àti ìbákasẹ àti kẹ́tẹ́kẹ́tẹ́. 36Sara aya olúwa mi sì ti bí ọmọkùnrin kan fún un, ní ìgbà ogbó rẹ̀, olúwa mi sì ti fún ọmọ náà ní ohun gbogbo tí ó ní. 37Olúwa mi sì ti mú mi búra wí pé, ‘Ìwọ kò gbọdọ̀ fẹ́ aya fún ọmọ mi, láàrín àwọn ọmọbìnrin Kenaani, ní ilẹ̀ ibi tí èmi ń gbé, 38Ṣùgbọ́n lọ sí ìdílé baba mi láàrín àwọn ìbátan mi kí o sì fẹ́ aya fún ọmọ mi.’

39“Mo sì bí olúwa mi léèrè pé, ‘Ǹjẹ́ bí ọmọbìnrin náà kò bá fẹ́ bá mi wá ńkọ́?’

40“Ó sì dáhùn wí pé, ‘Olúwa, níwájú ẹni tí èmi ń rìn yóò rán Angẹli rẹ̀ ṣáájú rẹ yóò sì jẹ́ kí o ṣe àṣeyọrí ní ìrìnàjò rẹ, kí ìwọ kí ó ba le fẹ́ aya fún ọmọ mi, láàrín àwọn ìbátan mi, àti láàrín àwọn ìdílé baba mi. 41Nígbà tí ìwọ bá lọ sí ọ̀dọ̀ ìdílé baba mi (gẹ́gẹ́ bí mo tí wí), nígbà náà ni ìwọ tó bọ́ nínú ìbúra yìí.’

42“Nígbà tí mo dé ibi ìsun omi lónìí, mo wí pé, ‘Olúwa Ọlọ́run Abrahamu olúwa mi, bí ìwọ bá fẹ́, jọ̀wọ́ jẹ́ kí n ṣe àṣeyọrí lórí ohun tí mo bá wá yìí, 43Wò ó, mo dúró ní ẹ̀bá ìsun omi yìí, kí ó ṣe pé, nígbà tí wúńdíá kan bá jáde wá pọn omi, tí èmi sì wí fún un pé, “Jọ̀wọ́ fún mi ní ìwọ̀nba omi díẹ̀ mu nínú ládugbó rẹ,” 44tí ó bá sì wí fún mi pé, “Mu ún, èmi yóò sì tún pọn omi fún àwọn ìbákasẹ rẹ pẹ̀lú,” Jẹ́ kí ẹni náà jẹ́ ẹni tí Olúwa yàn fún ọmọ Abrahamu, olúwa mi.’

45“Kí n sì tó gbàdúrà tán nínú ọkàn mi, Rebeka jáde wá pẹ̀lú ìkòkò omi rẹ̀ ní èjìká rẹ̀, ó sì lọ sí ibi ìsun omi ó sì pọn omi. Mo sì wí fun un pé, ‘Jọ̀wọ́ fún mi ni omi mu.’

46“Kíákíá ni ó sọ ìkòkò rẹ̀ kalẹ̀ láti èjìká rẹ̀, ó sì wí fún mi pé, ‘Mu ún, èmi yóò sì tún fún àwọn ìbákasẹ rẹ mu pẹ̀lú.’ Mo sì mu, ó sì tún fún àwọn ìbákasẹ mi mu pẹ̀lú.

47“Mo béèrè lọ́wọ́ rẹ̀ pé, ‘Ọmọ ta ní ìwọ í ṣe?’

“Ó sì wí fún mi pé, ‘ọmọbìnrin Betueli tí í ṣe ọmọ Nahori ni òun, Milka sì ni ìyá òun.’

“Nígbà náà ni mo fi òrùka náà bọ imú rẹ̀, mo sì fi ẹ̀gbà ọwọ́ náà si ní ọwọ́. 48Èmi sì tẹríba, mo sì wólẹ̀ fún Olúwa, mó sì fi ìbùkún fún Ọlọ́run Abrahamu olúwa mi, ẹni tí ó mú mi tọ ọ̀nà títọ́ láti rí ọmọ ọmọ arákùnrin olúwa mi mú wá fún ọmọ rẹ̀. 49Ǹjẹ́ nísinsin yìí bí ẹ̀yin yóò bá fi inú rere àti òtítọ́ bá olúwa mi lò, ẹ sọ fún mi, bí bẹ́ẹ̀ sì kọ́, ẹ sọ fún mi, kí ń le è mọ ọ̀nà tí èmi yóò yà sí.”

50Labani àti Betueli sì dáhùn pé, “Lọ́dọ̀ Olúwa ni èyí ti wá, nítorí náà àwa kò le sọ rere tàbí búburú fún ọ. 51Rebeka nìyí, mú un kí ó máa lọ, kí ó sì di aya ọmọ olúwa à rẹ, bí Olúwa ti fẹ́.”

52Nígbà tí ọmọ ọ̀dọ̀ Abrahamu gbọ́ ohun tí wọ́n wí, ó wólẹ̀ níwájú Olúwa. 53Nígbà náà ni ó kó ohun èlò wúrà àti fàdákà jáde àti aṣọ, ó sì fi wọ́n fún Rebeka, ó fún arákùnrin Rebeka àti ìyá rẹ̀ ní ẹ̀bùn olówó iyebíye pẹ̀lú. 54Lẹ́yìn náà ni òun àti àwọn ọkùnrin tí ó bá a wá tó jẹ, tí wọ́n sì mu, tí wọn sì sùn níbẹ̀ ní òru ọjọ́ náà.

Bí wọ́n ti dìde ní òwúrọ̀ ọjọ́ kejì, ó wí pé, “Ẹ rán mi padà lọ sí ọ̀dọ̀ olúwa mi.”

55Ṣùgbọ́n arákùnrin Rebeka àti ìyá rẹ̀ fèsì pé, “A fẹ́ kí Rebeka wà pẹ̀lú wa fún nǹkan bí ọjọ́ mẹ́wàá sí i, lẹ́yìn èyí, ìwọ le máa mu lọ.”

56Ṣùgbọ́n ó wí fún wọn pé, “Ẹ má ṣe dá mi dúró, Olúwa sá à ti ṣe ọ̀nà mi ní rere. Ẹ rán mi lọ, kí èmi kí ó le è tọ olúwa à mi lọ.”

57Nígbà náà ni wọ́n sọ pé, “Jẹ́ kí a pe ọmọ náà gan an kí a sì bi í” 58Wọ́n sì pe Rebeka wọ́n sì bi í, wí pé, “Ṣe ìwọ yóò bá ọkùnrin yìí lọ.”

Ó sì dáhùn pé, “Bẹ́ẹ̀ ni, èmi yóò lọ.”

59Wọ́n sì gbà kí Rebeka àti olùtọ́jú rẹ̀, pẹ̀lú ìránṣẹ́ Abrahamu àti àwọn ọkùnrin tí ó wà pẹ̀lú rẹ̀ máa lọ. 60Wọ́n sì súre fún Rebeka, wọn sì wí fun un pé,

“Ìwọ ni arábìnrin wa,

ìwọ yóò di ìyá ẹgbẹ̀rún lọ́nà ẹgbẹ̀rún;

Ǹjẹ́ kí àwọn irú-ọmọ rẹ

kí ó ni ẹnu ibodè ọ̀tá wọn.”

61Nígbà náà ni Rebeka àti àwọn ìránṣẹ́bìnrin rẹ̀ múra, wọn sì gun àwọn ìbákasẹ, wọ́n sì bá ọkùnrin náà padà lọ. Ìránṣẹ́ náà sì mú Rebeka, ó sì bá tirẹ̀ lọ.

62Isaaki sì ń ti ọ̀nà kànga Lahai-Roi bọ, nítorí ìhà gúúsù ni ó ń gbé. 63Isaaki sì jáde lọ sí oko ni ìrọ̀lẹ́ láti ṣe àṣàrò, bí ó sì ti gbé ojú sókè, ó rí àwọn ìbákasẹ tí ń bọ̀ wá. 64Rebeka pẹ̀lú sì gbójú sókè, ó sì rí Isaaki. Ó sọ̀kalẹ̀ lórí ìbákasẹ, 65Ó sì béèrè lọ́wọ́ ìránṣẹ́ náà wí pé, “Ta ni ọkùnrin tí ń bọ̀ wá pàdé wa láti inú oko?”

Ìránṣẹ́ náà sì wí fun un pé, “Olúwa mi ni,” nítorí náà ni Rebeka mú ìbòjú, ó sì bo ojú rẹ̀.

66Nígbà náà ni ìránṣẹ́ náà ròyìn fún Isaaki ohun gbogbo tí ó ti ṣe. 67Nígbà náà ni Isaaki mú Rebeka wọ inú àgọ́ ìyá rẹ̀, Sara, ó sì di aya rẹ̀, ó sì fẹ́ràn rẹ̀; ó sì jẹ́ ìtùnú fún Isaaki lẹ́yìn ikú ìyá rẹ̀.