Het Boek

Exodus 1

De Israëlieten worden in Egypte

11-4 Dit zijn de namen van de zonen van Jakob en hun gezinnen die met hem meegingen naar Egypte: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar, Zebulon, Benjamin, Dan, Naftali, Gad en Aser. Zo gingen in totaal zeventig mensen met hem mee (Jozef was al in Egypte). Na verloop van tijd stierven Jozef en zijn broers en zo kwam er een einde aan hun generatie. Hun afstammelingen waren echter erg vruchtbaar en hun aantal nam snel toe. Uit die kleine groep van zeventig mensen groeide een groot volk, dat het hele land Gosen bevolkte.

Toen kreeg Egypte een nieuwe koning, die Jozef niet gekend had. Hij voelde dan ook geen enkele verplichting tegenover de inwoners van Gosen. Hij zei tegen zijn eigen volk: ‘Die Israëlieten zijn gevaarlijk. Dat volk vermeerdert zich zo snel dat het, als er ooit oorlog komt, vast en zeker de kant van onze vijanden zal kiezen en het land zal verlaten. 10 Wij moeten zorgen dat het zover niet komt.’ 11 Daarom zetten zij de Israëlieten in bij de bouw van de voorraadsteden Pitom en Raämses. De opzichters dwongen hen tot zwaar werk. 12 Maar hoe zwaarder het werk en de onderdrukking werden, des te sneller groeide het volk. De Egyptenaren zagen dat met lede ogen aan en verzwaarden de druk. 13 De Israëlieten moesten zware slavenarbeid verrichten, zowel op het land als bij de productie van stenen. 14 Mishandeling was aan de orde van de dag. 15 Maar alsof dat nog niet genoeg was, riep de farao, de koning van Egypte, de vroedvrouwen Sifra en Pua bij zich. 16 Zij moesten alle pasgeboren jongens doden en de meisjes in leven te laten. 17 Maar Sifra en Pua waren godvrezende vrouwen en weigerden de koning te gehoorzamen. Zij lieten alle babyʼs leven. 18 De koning liet hen bij zich komen en riep hen ter verantwoording: ‘Waarom hebben jullie mijn bevelen niet uitgevoerd en toch de pasgeboren jongens in leven gelaten?’ 19 ‘Koning,’ antwoordden zij, ‘die Hebreeuwse vrouwen hebben zulke snelle bevallingen dat wij het niet kunnen bijhouden. Ze doen er niet zo lang over als de Egyptische vrouwen!’ 20 God zegende het werk van deze vroedvrouwen, zodat het volk Israël steeds talrijker werd. 21 Omdat de vroedvrouwen goed hadden gehandeld in de ogen van de Here, gaf Hij hun zelf ook kinderen. 22 Toen gaf de farao zijn hele volk opdracht alle pasgeboren Hebreeuwse jongetjes in de Nijl te gooien. Alleen de kleine meisjes mochten blijven leven.

The Message

Exodus 1

11-5 These are the names of the Israelites who went to Egypt with Jacob, each bringing his family members:

Reuben, Simeon, Levi, and Judah,

Issachar, Zebulun, and Benjamin,

Dan and Naphtali, Gad and Asher.

Seventy persons in all generated by Jacob’s seed. Joseph was already in Egypt.

6-7 Then Joseph died, and all his brothers—that whole generation. But the children of Israel kept on reproducing. They were very prolific—a population explosion in their own right—and the land was filled with them.

“A New King . . . Who Didn’t Know Joseph”

8-10 A new king came to power in Egypt who didn’t know Joseph. He spoke to his people in alarm, “There are way too many of these Israelites for us to handle. We’ve got to do something: Let’s devise a plan to contain them, lest if there’s a war they should join our enemies, or just walk off and leave us.”

11-14 So they organized them into work-gangs and put them to hard labor under gang-foremen. They built the storage cities Pithom and Rameses for Pharaoh. But the harder the Egyptians worked them the more children the Israelites had—children everywhere! The Egyptians got so they couldn’t stand the Israelites and treated them worse than ever, crushing them with slave labor. They made them miserable with hard labor—making bricks and mortar and back-breaking work in the fields. They piled on the work, crushing them under the cruel workload.

15-16 The king of Egypt had a talk with the two Hebrew midwives; one was named Shiphrah and the other Puah. He said, “When you deliver the Hebrew women, look at the sex of the baby. If it’s a boy, kill him; if it’s a girl, let her live.”

17-18 But the midwives had far too much respect for God and didn’t do what the king of Egypt ordered; they let the boy babies live. The king of Egypt called in the midwives. “Why didn’t you obey my orders? You’ve let those babies live!”

19 The midwives answered Pharaoh, “The Hebrew women aren’t like the Egyptian women; they’re vigorous. Before the midwife can get there, they’ve already had the baby.”

20-21 God was pleased with the midwives. The people continued to increase in number—a very strong people. And because the midwives honored God, God gave them families of their own.

22 So Pharaoh issued a general order to all his people: “Every boy that is born, drown him in the Nile. But let the girls live.”