Het Boek

Genesis 31

Terug naar het vaderland

11,2 Maar Jakob kwam er achter dat Labans zonen zeiden: ‘Alles wat hij bezit, heeft hij aan onze vader te danken. Zijn rijkdom is ten koste van onze vader ontstaan.’ Jakob merkte ook dat Labans vriendschap voor hem bekoelde. Toen sprak de Here met Jakob en zei: ‘Ga terug naar uw vaderland en uw familie. Ik zal bij u zijn.’

Daarom liet Jakob Rachel en Lea op een dag bij zich op het land komen, waar hij de kudde hoedde, om met hen te overleggen. ‘Jullie vader heeft zich tegen mij gekeerd,’ vertelde hij hun, ‘en nu heeft de God van mijn vaderen met mij gesproken. Jullie weten hoe hard ik voor jullie vader heb gewerkt, maar hij heeft mij bedrogen en is de afspraken over mijn loon herhaalde malen niet nagekomen. God heeft echter niet toegestaan dat hij mij benadeelde, want toen hij beloofde dat alle gespikkelde dieren voor mij zouden zijn, werden alleen nog gespikkelde dieren geboren. En toen hij van mening veranderde en zei dat ik alle gestreepte dieren mocht hebben, waren alle jonge dieren gestreept! Op die manier heeft God mij rijk gemaakt ten koste van jullie vader.

10 En in de bronsttijd had ik een droom en zag dat de parende bokken in de kudde allemaal gespikkeld, gestreept en gevlekt waren. 11 Toen, in mijn droom, riep de Engel van God: “Jakob!” En ik antwoordde: “Ja.” 12 Hij zei dat ik de witte ooien met de gespikkelde, gevlekte en gestreepte bokken moest laten paren. “Want Ik heb gezien wat Laban u heeft aangedaan,” zei de Engel. 13 “Ik ben de God die u heeft gezien bij Betel, waar u een gedenksteen hebt opgericht en Mij een belofte hebt gedaan. Verlaat dit land en keer terug naar uw geboorteland.” ’ 14 Rachel en Lea zeiden: ‘Wij gaan met je mee. Wij hebben hier niets meer te zoeken en wij zullen ook niets erven van onze vader. 15 Hij heeft ons behandeld als vreemden en ons verkocht. Van dat geld is al niets meer over. 16 De rijkdommen die God jou heeft gegeven van onze vader, waren eigenlijk van ons en onze kinderen! Doe maar wat God je heeft gezegd, wij staan achter je.’

17 Op een dag zette Jakob zijn vrouwen en kinderen op kamelen 18 en ging er vandoor zonder Laban iets te zeggen. Hij dreef zijn kudden, die hij daar in Paddan-Aram had verkregen, voor zich uit en nam al zijn bezittingen mee. Zo begon de terugreis naar zijn vader Isaak in het land Kanaän. 19 Laban was toen net bezig op het land de schapen te scheren. 20 Jakob verdween met al zijn bezittingen (Rachel stal stiekem haar vaders huisgoden), 21 stak de rivier de Eufraat over en zette koers naar het gebied aan de voet van het Gilead-gebergte.

22 Het duurde drie dagen voordat Laban te weten kwam dat Jakob was verdwenen. 23 Hij verzamelde een aantal mannen en zette de achtervolging in. Zeven dagen later achterhaalde hij de vluchtelingen bij het Gilead-gebergte.

24 Die nacht verscheen God in een droom aan Laban. ‘Let op uw woorden als u met Jakob gaat praten, u mag hem niet zegenen, maar ook niet vervloeken,’ zei God. 25 Ten slotte ontmoetten de mannen elkaar in het gebergte. Jakob had zijn tenten op een bergkam opgeslagen. Labans kamp lag wat lager. 26 ‘Waarom ben je zo stiekem weggeslopen?’ vroeg Laban. ‘Je hebt mijn dochters meegevoerd alsof het krijgsgevangenen zijn. En waarom heb je mij geen afscheidsfeest voor je laten houden, met veel muziek en zang? 27,28 Je hebt me zelfs niet de kans gegeven mijn dochters en kleinkinderen vaarwel te kussen. Ik vind het maar een vreemde zaak. 29 Ik zou je gemakkelijk de les kunnen lezen, maar de God van je vader is de afgelopen nacht aan mij verschenen en heeft gezegd: “Let op uw woorden als u met Jakob spreekt, u mag hem niet zegenen, maar ook niet vervloeken.” 30 Maar nu moet je mij eens vertellen: als je bent weggegaan, omdat je zo graag terug wilt naar je geboorteland, waarom heb je dan mijn huisgoden gestolen?’

31 ‘Ik ben stilletjes weggegaan, omdat ik bang was,’ antwoordde Jakob. ‘Ik was bang dat u uw dochters zou terugnemen. 32 En wat betreft uw huisgoden, ik vervloek degene die ze heeft meegenomen. Laat hem maar sterven! Als u ook maar iets vindt dat wij van u hebben gestolen, zal ik het u zonder meer teruggeven. Dat zweer ik in het bijzijn van al deze mannen.’ Jakob wist namelijk niet dat Rachel ze had gestolen. 33 Laban doorzocht eerst Jakobs tent, daarna die van Lea en toen die van de twee bijvrouwen, maar hij vond niets. Als laatste doorzocht hij Rachels tent. 34 Maar Rachel had de beeldjes in haar zadeltas verstopt en zat daar nu bovenop! Zo moest Laban zijn speurtocht onverrichter zake beëindigen. 35 ‘Neem mij niet kwalijk, vader, dat ik niet opsta, maar ik ben ongesteld,’ zei Rachel.

36,37 Maar nu was Jakob goed boos geworden. ‘Wat hebt u gevonden?’ beet hij Laban toe. ‘Wat is mijn misdaad? U hebt mij achtervolgd alsof ik een misdadiger ben en nu hebt u alles doorzocht. Leg nu al die gestolen spullen hier maar neer, zodat iedereen ze kan zien en kan zeggen van wie ze zijn! 38 Twintig jaar ben ik bij u geweest en al die tijd heb ik goed voor uw ooien en geiten gezorgd, zodat zij gezonde jongen ter wereld brachten. Nooit heb ik ook maar één ram aangeraakt om ervan te eten. 39 Als er een door wilde dieren werd aangevallen en gedood, ging ik dan naar u toe om te zeggen dat u een dier minder had? Nee! Ik nam het verlies op me. U liet mij elk gestolen dier betalen, of het nu wel of niet mijn schuld was. 40 Ik werkte voor u in de hitte van de dag en in koude en slapeloze nachten. 41 Ja, twintig jaar, veertien om uw dochters te verdienen en zes om een kudde te krijgen! En u hebt mijn loon wel tienmaal gewijzigd! 42 Als het aan u had gelegen en God—de God van mijn grootvader Abraham, de glorierijke God van mijn vader Isaak—niet goed voor mij was geweest, dan had u mij zonder iets weggestuurd. Maar God heeft uw wreedheid en mijn harde werken gezien, daarom is Hij de afgelopen nacht aan u verschenen.’

43 Laban bond in: ‘Deze vrouwen zijn mijn dochters, deze kinderen zijn van mij en ook de kudden en al je andere bezittingen zijn van mij. Hoe zou ik mijn eigen dochters en kleinkinderen kunnen benadelen? 44 Vooruit, laten we een verdrag sluiten, jij en ik, en laten we daarnaar leven.’ 45 Jakob pakte een steen en zette hem rechtop als een gedenksteen. 46 Hij liet zijn mannen stenen op een hoop gooien en naast die steenhoop at hij met Laban.

47,48 Zij noemden de steenhoop Jegar-Sahaduta (Hoop van het Getuigenis) in Labans taal en Gal-Ed in Jakobs taal. ‘Deze steenhoop zal als getuige tussen ons instaan, indien iemand over die grens komt,’ zei Laban. 49 Daarom heette de steenhoop ook Mispa (Wachttoren). Want Laban zei: ‘Moge de Here de wacht houden over ons als wij niet meer bij elkaar zijn. 50 En als jij mijn dochters slecht behandelt of andere vrouwen neemt, zal ik het niet weten, maar God zal het wel zien. 51,52 Deze hoop stenen is een getuige van onze belofte, dat wij deze lijn niet zullen passeren om elkaar aan te vallen, jij niet en ik niet. 53 De God van Abraham en Nachor en van hun vader zal degene die dat wel doet, vernietigen.’ Toen zwoer Jakob bij de Machtige God van zijn vader Isaak dat hij de scheidingslijn zou eerbiedigen. 54 Daarop bracht Jakob een offer en nodigde allen uit voor een maaltijd. Beide groepen overnachtten daar op de berg. 55 Laban stond de volgende morgen vroeg op, kuste zijn dochters en kleinkinderen vaarwel en keerde terug naar huis.

Bíbélì Mímọ́ Yorùbá Òde Òn

Gẹnẹsisi 31

Jakọbu sá kúrò lọ́dọ̀ Labani

1Jakọbu sì gbọ́ pé àwọn ọmọ Labani ń wí pé, “Jakọbu ti gba gbogbo ohun ìní baba wa, ó sì ti kó ọrọ̀ jọ fún ara rẹ̀ lára àwọn ohun tí í ṣe ti baba wa.” Jakọbu sì ṣàkíyèsí pé ìwà Labani sí òun ti yí padà sí ti àtẹ̀yìnwá.

Nígbà náà ni Olúwa wí fún Jakọbu pé, “Padà lọ sí ilẹ̀ àwọn baba à rẹ, sí ọ̀dọ̀ àwọn ará rẹ, èmi ó sì wà pẹ̀lú rẹ.”

Jakọbu sì ránṣẹ́ pe Rakeli àti Lea sí pápá níbi tí àwọn ohun ọ̀sìn rẹ̀ wà. Ó sì wí fún wọn pé, “Mo rí i wí pé ìwà baba yín sí mi ti yí padà sí ti tẹ́lẹ̀, ṣùgbọ́n Ọlọ́run baba mi wà pẹ̀lú mi. Ẹ sá à mọ̀ pé, mo ti fi gbogbo agbára mi ṣiṣẹ́ fún baba yín, Síbẹ̀síbẹ̀ baba yín ti rẹ́ mi jẹ ní ẹ̀ẹ̀mẹwàá ọ̀tọ̀ọ̀tọ̀ ni ó sì ti yí owó iṣẹ́ mi padà. Ṣùgbọ́n Ọlọ́run kò jẹ́ kí ó le è pa mi lára. Tí ó bá wí pé, ‘Àwọn ẹran onílà ni yóò dúró fún owó iṣẹ́ rẹ,’ nígbà náà ni gbogbo àwọn ẹran ń bí onílà; bí ó bá sì wí pé, ‘Àwọn ẹran onítótòtó ni yóò dúró fún owó iṣẹ́ rẹ’ nígbà náà ni gbogbo ẹran ń bi onítótòtó. Bẹ́ẹ̀ ni Ọlọ́run gba ẹran baba yín, ó sì fi fún mi.

10 “Ní àsìkò tí àwọn ẹran ń gùn, mo la àlá mo sì ri pé àwọn òbúkọ tí wọ́n ń gun àwọn ẹran jẹ́ onítótòtó, onílà àti alámì. 11 Angẹli Ọlọ́run wí fún mi nínú àlá náà pé, ‘Jakọbu.’ Mo sì wí pé, ‘Èmi nìyí.’ 12 Ó sì wí pé, ‘Gbé ojú rẹ sókè kí o sì wò ó, gbogbo àwọn òbúkọ tí ó ń gun àwọn ẹran jẹ́ onítótòtó, onílà àti alámì, nítorí mo ti rí gbogbo ohun ti Labani ń ṣe sí ọ. 13 Èmi ni Ọlọ́run Beteli, níbi tí ìwọ ti ta òróró sí ọ̀wọ́n, ìwọ sì jẹ́ ẹ̀jẹ́ láti sìn mi. Nísinsin yìí, kúrò ní ilẹ̀ yìí kíákíá kí o sì padà sí ilẹ̀ ibi tí a gbé ti bí ọ.’ ”

14 Nígbà náà ni Rakeli àti Lea dáhùn pé, “Ìpín wo ní a ní nínú ogún baba wa? 15 Àjèjì ha kọ́ ni ó kà wá sí? Kì í ṣe torí pé ó tà wá nìkan, ṣùgbọ́n ó ti ná gbogbo owó tí ó gbà lórí wa tán. 16 Dájúdájú gbogbo ọrọ̀ ti Ọlọ́run gbà lọ́wọ́ baba wa fún ọ, tiwa àti ti àwọn ọmọ wa ní í ṣe. Nítorí náà ohun gbogbo tí Ọlọ́run bá pàṣẹ fun ọ láti ṣe ni kí ìwọ kí ó ṣe.”

17 Nígbà náà ni Jakọbu gbé àwọn ọmọ àti aya rẹ̀ gun ìbákasẹ. 18 Ó sì da gbogbo agbo ẹran rẹ̀ ṣáájú pẹ̀lú gbogbo ọrọ̀ tí ó ti kójọ ni Padani-Aramu, láti lọ sí ọ̀dọ̀ Isaaki baba rẹ̀ ni ilẹ̀ Kenaani.

19 Nígbà tí Labani sì lọ láti rẹ́run àgùntàn, Rakeli sì jí àwọn ère òrìṣà ilé baba rẹ̀. 20 Síwájú sí i, Jakọbu tan Labani ará Aramu, nítorí kò sọ fún un wí pé òun ń sálọ. 21 Ó sì sálọ pẹ̀lú ohun gbogbo tí ó ni, ó sì la odò kọjá (Eufurate), ó sì kọrí sí àwọn ilẹ̀ olókè ti Gileadi.

Labani lépa Jakọbu

22 Ní ọjọ́ kẹta ni Labani gbọ́ pé Jakọbu ti sálọ. 23 Ó sì mú àwọn arákùnrin rẹ̀ pẹ̀lú rẹ̀, ó sì lépa Jakọbu, ó sì lépa wọn fún ọjọ́ méje, ó sì bá wọn ní òkè Gileadi. 24 Ọlọ́run sì yọ sí Labani ará Aramu lójú àlá ní òru, ó sì wí fun un pé, “Ṣọ́ra, má ṣe sọ ohunkóhun fún Jakọbu, ìbá à ṣe rere tàbí búburú.”

25 Jakọbu ti pa àgọ́ rẹ̀ si orí òkè kan, nígbà tí Labani bá a. Labani àti àwọn tí ó wá pẹ̀lú rẹ̀ sì pàgọ́ tì wọ́n sí ilẹ̀ òkè Gileadi. 26 Nígbà náà ni Labani wí fún Jakọbu pé, “Èwo ni ìwọ ṣe yìí? Tí ìwọ sì tàn mi, ó sì kó àwọn ọmọbìnrin mi bi ìgbèkùn tí a fi idà mú. 27 Èéṣe tí ìwọ yọ́ lọ tí ìwọ sì tàn mi? Kí ló dé tí ìwọ kò sọ fún mi pé ìwọ ń lọ, kí èmi fi ayọ̀ àti orin, pẹ̀lú ìlù àti ohun èlò orin sìn ọ́. 28 Ìwọ kò tilẹ̀ jẹ́ kí èmi fi ẹnu ko àwọn ọmọ ọmọ mi lẹ́nu, pẹ̀lú àwọn ọmọbìnrin mi pé ó dìgbà? Ìwọ ṣiwèrè ní ohun tí ìwọ ṣe yìí. 29 Mo ní agbára láti ṣe ọ ni ibi, ṣùgbọ́n ní òru àná, Ọlọ́run baba rẹ sọ fún mi pé, kí èmi ṣọ́ra, kí èmi má ṣe sọ ohun kan fún Jakọbu, ìbá à ṣe rere tàbí búburú. 30 Nísinsin yìí, ìwọ ti lọ nítorí ìwọ fẹ́ láti padà lọ sí ilé baba rẹ, ṣùgbọ́n èéṣe tí ìwọ fi jí àwọn òrìṣà mi?”

31 Jakọbu dá Labani lóhùn pé, “Ẹ̀rù ni ó bà mi nítorí, mo rò pé ìwọ le fi tipátipá gba àwọn ọmọbìnrin rẹ lọ́wọ́ mi. 32 Ṣùgbọ́n bí o bá ri ẹnikẹ́ni pẹ̀lú ère rẹ, kí ẹni náà di òkú. Ó tún wí pé, Níwájú gbogbo ìbátan wa báyìí, wò ó fúnrarẹ̀, bí o bá rí ohunkóhun tí í ṣe tìrẹ, mú un.” Jakọbu kò sì mọ̀ pé, Rakeli ni ó jí àwọn òrìṣà náà.

33 Labani sì lọ sínú àgọ́ Jakọbu àti ti Lea àti ti àwọn ìránṣẹ́bìnrin méjèèjì, kò sì rí ohunkóhun. Lẹ́yìn ìgbà tí ó jáde nínú àgọ́ Lea ni ó lọ sí àgọ́ Rakeli. 34 Rakeli sì gbé àwọn òrìṣà náà sínú gàárì ìbákasẹ, ó sì jókòó lé e lórí. Labani sì wá gbogbo inú àgọ́, kò sì rí ohunkóhun.

35 Rakeli sì wí fún baba rẹ̀ pé, “Má ṣe bínú pé èmi ò le dìde dúró níwájú rẹ baba à mi, ohun tí ó fà á ni pé, mò ń ṣe nǹkan oṣù lọ́wọ́.” Ó sì wá àgọ́ kiri, kò sì rí àwọn òrìṣà ìdílé náà.

36 Inú sì bí Jakọbu, ó sì pe Labani ní ìjà pé, “Kí ni ẹ̀ṣẹ̀ mi? Ẹ̀ṣẹ̀ wo ni mo ṣẹ̀ ọ tí ìwọ fi ń lépa mi bí ọ̀daràn? 37 Nísinsin yìí tí ìwọ ti tú gbogbo ẹrù mi wò, kí ni ohun tí í ṣe tirẹ̀ tí ìwọ rí? Kó wọn kalẹ̀ báyìí níwájú gbogbo ìbátan rẹ àti tèmi, kí wọn kí ó sì ṣe ìdájọ́ láàrín àwa méjèèjì.

38 “Mo ti wà lọ́dọ̀ rẹ fún ogún ọdún, àwọn àgùntàn tàbí ewúrẹ́ rẹ kò sọnù bẹ́ẹ̀ n kò pa ọ̀kan jẹ rí nínú àwọn àgbò rẹ. 39 Èmi kò mú ọ̀kankan wá fún ọ rí nínú èyí tí ẹranko búburú fàya, èmi ni ó fi ara mọ́ irú àdánù bẹ́ẹ̀. Ẹrankẹ́ran tí wọ́n bá sì jí lọ, lọ́sàn án tàbí lóru, ìwọ ń gba owó rẹ̀ lọ́wọ́ mi 40 Báyìí ni mo wà; oòrùn ń pa mi lọ́sàn án, òtútù ń pa mi lóru, mo sì ń ṣe àìsùn. 41 Báyìí ni ohun gbogbo rí fún ogún ọdún tí mo fi wà nínú ilé rẹ. Ọdún mẹ́rìnlá ni mo fi sìn ọ́ fún àwọn ọmọbìnrin rẹ méjèèjì, mo sì sìn ọ fún ọdún mẹ́fà fún àwọn ẹran ọ̀sìn, lẹ́ẹ̀mẹ́wàá ni o sì yí owó iṣẹ́ mi padà. 42 Bí ó bá ṣe pé Ọlọ́run àwọn baba mi, Ọlọ́run Abrahamu àti ẹ̀rù Isaaki kò wà pẹ̀lú mi ni, ìwọ ìbá ti lé mi jáde lọ́wọ́ òfo. Ṣùgbọ́n, Ọlọ́run ti rí gbogbo ìpọ́njú mi àti iṣẹ́ àṣekára tí mo fi ọwọ́ mi ṣe, ó sì kìlọ̀ fún ọ lóru àná.”

43 Labani sì dá Jakọbu lóhùn, “Tèmi ni àwọn obìnrin wọ̀nyí, ọmọ mi ni àwọn ọmọ wọ̀nyí pẹ̀lú, àwọn agbo ẹran yìí, tèmi ni wọ́n pẹ̀lú. Gbogbo ohun tí o rí wọ̀nyí, tèmi ni. Kí ni mo wá le ṣe sí àwọn ọmọbìnrin wọ̀nyí àti àwọn ọmọ wọn tí wọn bí? 44 Wá, jẹ́ kí a dá májẹ̀mú pẹ̀lú ara wa, èyí yóò sì jẹ́ ẹ̀rí ní àárín wa.”

45 Jakọbu sì mú òkúta kan ó sì gbé e dúró bí ọ̀wọ́n. 46 Ó sì wí fún àwọn ìbátan rẹ̀ pé, “Ẹ kó àwọn òkúta díẹ̀ jọ.” Wọ́n sì kó òkúta náà jọ bí òkìtì wọ́n sì jẹun níbẹ̀. 47 Labani sì pe orúkọ rẹ̀ ní Jegari-Sahaduta, ṣùgbọ́n Jakọbu pè é ni Galeedi.

48 Labani sì wí pé, “Òkìtì yìí jẹ́ ẹ̀rí láàrín èmi àti ìwọ ní òní.” Ìdí nìyí tí a fi pe orúkọ rẹ̀ ni Galeedi. 49 Ó tún pè é ni Mispa nítorí, ó wí pé, “Kí Olúwa kí ó máa ṣọ́ èmi àti ìwọ nígbà tí a bá yà kúrò lọ́dọ̀ ara wa tán. 50 Bí o bá fìyà jẹ àwọn ọmọbìnrin mi, tàbí tí o fẹ́ aya mìíràn yàtọ̀ sí wọn, rántí pé, Ọlọ́run ń bẹ láàrín wa bí ẹlẹ́rìí bí ẹnikẹ́ni kò tilẹ̀ sí.”

51 Labani tún sọ síwájú fún Jakọbu pé, “Òkìtì àti ọ̀wọ̀n tí mo gbé kalẹ̀ láàrín èmi àti ìwọ yìí, 52 yóò jẹ́ ẹ̀rí wí pé èmi kò ni ré ọ̀wọ̀n àti òkìtì yìí kọjá láti bá ọ jà àti pé ìwọ pẹ̀lú kì yóò kọjá òkìtì tàbí ọ̀wọ̀n yìí láti ṣe mí ní ibi. 53 Ǹjẹ́ kí Ọlọ́run Abrahamu àti Ọlọ́run Nahori, àti Ọlọ́run baba wọn ṣe ìdájọ́ láàrín wa.”

Jakọbu sì fi ẹ̀rù Isaaki baba rẹ̀ búra. 54 Jakọbu sì rú ẹbọ níbẹ̀ ni orí òkè, ó sì pe àwọn ẹbí rẹ̀ láti jẹun. Lẹ́yìn ìgbà tí wọ́n ti jẹun, ibẹ̀ náà ni wọ́n sùn ní ọjọ́ náà.

55 Ní kùtùkùtù òwúrọ̀ ọjọ́ kejì, Labani fi ẹnu ko àwọn ọmọ ọmọ rẹ̀ lẹ́nu àti àwọn ọmọbìnrin rẹ̀ pẹ̀lú, ó sì súre fún wọn. Labani sì padà lọ sí ilé.