Het Boek

1 Samuël 2

Samuël, dienaar van God

1Daarna zong Hanna een loflied voor de Here:
‘Wat heeft de Here mij blij gemaakt! Wat een kracht heeft Hij mij gegeven! Nu kan ik vrijuit tegen mijn vijanden spreken, want de Here heeft mij verlost. Wat een vreugde!
Niemand is zo heilig als de Here! Er is geen andere God, geen andere Rots dan onze God.
Wees niet langer trots en zelfingenomen! De Here weet wat u hebt gedaan en zal uw daden beoordelen.
Zij die machtig waren, zijn het nu niet meer! Zij die zwak waren, zijn nu sterk.
Die het goed hadden, lijden nu honger. Die honger leden, zijn nu goed doorvoed. De onvruchtbare vrouw heeft nu zeven kinderen, zij die vele kinderen heeft, kan nu niet meer baren.
De Here doodt en Hij maakt levend. Hij laat de mens neerdalen in het dodenrijk en leidt hem daar ook weer uit.
Sommigen geeft Hij armoede, anderen rijkdom. De één vernedert Hij, de ander wordt verhoogd.
Hij helpt zwakken en armen overeind, hij haalt hen weg uit stof en slijk. Hij behandelt hen als vorsten en geeft hun eer en aanzien. Want de hele aarde is door de Here geschapen en Hij houdt de wereld in zijn hand.
Hij zal hen die Hem aanbidden beschermen, maar de goddelozen komen in duisternis om. Niemand zal slagen door zijn eigen kracht alleen.
10 Zij die tegen de Here vechten, worden gebroken, vanuit de hemelen laat Hij tegen hen de donder weerklinken. Hij oordeelt over de hele aarde. Hij geeft zijn Koning kracht en aan zijn Gezalfde grote eer.’

11 Elkana ging zonder Samuël naar Rama terug, het kind werd een dienaar van de Here onder toezicht van de priester Eli.

12 De zonen van Eli waren slechte mannen die niets om de Here gaven, 13,14 en ze maakten misbruik van hun priesterrechten. Zo gebeurde het regelmatig dat zij hun dienaar eropuit stuurden wanneer iemand een offer bracht. Terwijl het vlees van het offerdier werd gekookt, stak de dienaar een driepuntige vleeshaak in de pot waarbij alles wat aan de haak omhoog kwam voor de zonen van Eli was. Alle Israëlieten die naar Silo kwamen om te aanbidden, werden op die manier behandeld. 15 Soms kwam de dienaar nog voordat het vet op het altaar in brand was gestoken en eiste het nog rauwe vlees op voordat het werd gekookt, zodat het kon worden geroosterd. 16 Als de man die het offer bracht, antwoordde: ‘Neem zoveel u wilt, maar eerst moet het vet worden verbrand, zoals de wet voorschrijft,’ dan zei de dienaar brutaalweg: ‘Nee, ik wil het nu hebben en als ik het niet goedschiks krijg, neem ik het kwaadschiks.’ 17 Zo zondigden de beide jongemannen ernstig in de ogen van de Here, want ze toonden geen eerbied voor de offers van het volk aan de Here.

18 Samuël, een kind nog, was een dienaar van de Here en droeg een linnen mantel, net als de priesters. 19 Elk jaar maakte zijn moeder een mantel voor hem en bracht hem die wanneer zij en haar man hun offer kwamen brengen. 20 Voordat zij weer naar huis gingen, zegende Eli Elkana en Hanna en vroeg God hun nog meer kinderen te geven, die de plaats konden innemen van het kind dat zij aan de Here hadden afgestaan. 21 En de Here gaf Hanna nog drie zonen en twee dochters. Ondertussen groeide Samuël dicht bij de Here op.

22 Ook al was Eli erg oud, toch wist hij heel goed wat zijn zonen het volk aandeden, zoals dat zij sliepen met de vrouwen die bij de ingang van de tabernakel dienst deden. 23-25 ‘Ik heb van het volk van de Here vreselijke verhalen gehoord over wat jullie doen,’ zei Eli tegen zijn zonen. ‘Het is iets vreselijks het volk van de Here te laten zondigen. Als mensen tegen elkaar zondigen, zal God hun scheidsrechter zijn. Maar als mensen zondigen tegen de Here, wie zal het dan voor hen opnemen?’ Maar zij luisterden niet naar hun vader, want de Here had Zich al voorgenomen hen te doden.

26 De jonge Samuël groeide op en was geliefd, zowel bij de Here als bij de mensen. 27 Op een dag kwam een profeet bij Eli en gaf hem de volgende boodschap van de Here: ‘Heb Ik mijn kracht niet duidelijk laten zien aan uw voorouders, toen zij slaven waren onder de farao in Egypte? 28 Heb Ik uw stamvader Levi niet uit al zijn broers gekozen om mijn priester te worden, te offeren op het altaar, reukwerk te verbranden en de priesterlijke mantel te dragen wanneer hij Mij diende? Heb Ik niet een deel van de offergeschenken van het volk toegewezen aan u, de priesters? 29 Waarom misbruikt u de offers die Mij worden gebracht? Waarom hebt u uw zonen meer geëerd dan Mij? Waarom hebt u zich volgegeten van de beste offers van mijn volk Israël die alleen Mij toekomen? 30 Daarom verklaar Ik, de Here, de God van Israël, dat ook al heb Ik beloofd dat uw familie altijd mijn priesters zouden blijven, u niet moet denken ongestoord met deze gruwelijke praktijken te kunnen doorgaan. Ik zal alleen eren wie Mij eren en Ik zal verachten wie Mij verachten. 31 Ieder van uw familieleden zal voortaan jong sterven, zodat zij niet langer als priester zullen dienen. Uw familie zal worden vernietigd. 32 Het zal Israël in alle opzichten goed gaan, maar u zult blijvende ellende ondervinden en in uw familie zal niemand oud worden. 33 Slechts één zal Ik bij mijn altaar toelaten en die zal al deze dingen met pijn moeten aanzien en van verdriet wegkwijnen. Alle leden van uw familie zullen in de kracht van hun leven sterven. 34 En om te bewijzen dat wat Ik heb gezegd zal gebeuren, zal Ik ervoor zorgen dat uw zonen Hofni en Pinechas op dezelfde dag sterven! 35 Daarna zal Ik een betrouwbare priester aanstellen die Mij zal dienen en alles zal doen wat Ik hem opdraag. Ik zal zijn familie zegenen en hij zal Mij altijd trouw blijven. 36 Al uw nakomelingen die nog overblijven, zullen zich diep voor hem buigen en hem smeken om brood en geld. “Alstublieft,” zullen zij zeggen, “geef mij toch een plaatsje bij de priesterdienst, zodat ik nog wat te eten krijg.” ’

New International Reader's Version

1 Samuel 2

Hannah’s Prayer

1Then Hannah prayed. She said,

“The Lord has filled my heart with joy.
    He has made me strong.
I can laugh at my enemies.
    I’m so glad he saved me.

“There isn’t anyone holy like the Lord.
    There isn’t anyone except him.
    There isn’t any Rock like our God.

“Don’t keep talking so proudly.
    Don’t let your mouth say such proud things.
The Lord is a God who knows everything.
    He judges everything people do.

“The bows of great heroes are broken.
    But those who trip and fall are made strong.
Those who used to be full have to work for food.
    But those who used to be hungry aren’t hungry anymore.
The woman who couldn’t have children has seven of them now.
    But the woman who has had many children is sad now because hers have died.

“The Lord causes people to die. He also gives people life.
    He brings people down to the grave. He also brings people up from death.
The Lord makes people poor. He also makes people rich.
    He brings people down. He also lifts people up.
He raises poor people up from the trash pile.
    He lifts needy people out of the ashes.
He lets them sit with princes.
    He gives them places of honor.

“The foundations of the earth belong to the Lord.
    On them he has set the world.
He guards the paths of his faithful servants.
    But evil people will lie silent in their dark graves.

“People don’t win just because they are strong.
10     Those who oppose the Lord will be totally destroyed.
The Most High God will thunder from heaven.
    The Lord will judge the earth from one end to the other.

“He will give power to his king.
    He will give honor to his anointed one.”

11 Then Elkanah went home to Ramah. But the boy Samuel served the Lord under the direction of Eli the priest.

Eli’s Evil Sons

12 Eli’s sons were good for nothing. They didn’t honor the Lord. 13 When any of the people came to offer a sacrifice, here is what the priests would do. While the meat was being boiled, the servant of the priest would come with a large fork in his hand. 14 He would stick the fork into the pan or pot or small or large kettle. Then the priest would take for himself everything the fork brought up. That’s how Eli’s sons treated all the Israelites who came to Shiloh. 15 Even before the fat was burned, the priest’s servant would come over. He would speak to the person who was offering the sacrifice. He would say, “Give the priest some meat to cook. He won’t accept boiled meat from you. He’ll only accept raw meat.”

16 Sometimes the person would say to him, “Let the fat be burned first. Then take what you want.” But the servant would answer, “No. Hand it over right now. If you don’t, I’ll take it away from you by force.”

17 That sin of Eli’s sons was very great in the Lord’s sight. That’s because they were not treating his offering with respect.

18 But the boy Samuel served the Lord. He wore a sacred linen apron. 19 Each year his mother made him a little robe. She took it to him when she went up to Shiloh with her husband. She did it when her husband went to offer the yearly sacrifice. 20 Eli would bless Elkanah and his wife. He would say, “May the Lord give you children by this woman. May they take the place of the boy she prayed for and gave to the Lord.” Then they would go home. 21 The Lord was gracious to Hannah. Over a period of years she had three more sons and two daughters. During that whole time the boy Samuel grew up serving the Lord.

22 Eli was very old. He kept hearing about everything his sons were doing to all the Israelites. He also heard how his sons were sleeping with the women who served at the entrance to the tent of meeting. 23 So Eli said to his sons, “Why are you doing these things? All the people are telling me about the evil things you are doing. 24 No, my sons. The report I hear isn’t good. And it’s spreading among the Lord’s people. 25 If a person sins against someone else, God can help that sinner. But if anyone sins against the Lord, who can help them?” In spite of what their father Eli said, his sons didn’t pay any attention to his warning. That’s because the Lord had already decided to put them to death.

26 The boy Samuel continued to grow stronger. He also became more and more pleasing to the Lord and to people.

Prophecy Against Eli’s Family

27 A man of God came to Eli. He told him, “The Lord says, ‘I made myself clearly known to your relatives who lived long ago. I did it when they were in Egypt under Pharaoh’s rule. 28 At that time, I chose Aaron from your family line to be my priest. I chose him out of all the tribes of Israel. I told him to go up to my altar. I told him to burn incense. I chose him to wear a linen apron when he served me. I also gave his family all the food offerings presented by the Israelites. 29 Why don’t you treat my sacrifices and offerings with respect? I require them to be brought to the house where I live. Why do you honor your sons more than me? Why do you fatten yourselves on the best parts of every offering that is made by my people Israel?’

30 “The Lord is the God of Israel. He announced, ‘I promised that members of your family line would serve me as priests forever.’ But now the Lord announces, ‘I will not let that happen! I will honor those who honor me. But I will turn away from those who look down on me. 31 The time is coming when I will cut your life short. I will also cut short the lives of those in your family line of priests. No one in your family line will grow old. 32 You will see nothing but trouble in the house where I live. Good things will still happen to Israel. But no one in your family line will ever grow old. 33 I will prevent the members of your family from serving me at my altar. I will destroy the eyesight of all of you I allow to live. I will also cause you to lose your strength. And everyone in your family line will die while they are still young.

34 “ ‘Something is going to happen to your two sons, Hophni and Phinehas. When it does, it will show you that what I am saying is true. They will both die on the same day. 35 I will raise up for myself a faithful priest. He will do what my heart and mind want him to do. I will make his family line of priests very secure. They will always serve as priests to my anointed king. 36 Everyone left in your family line will come and bow down to him. They will beg him for a piece of silver and a loaf of bread. They will say, “Please give me a place to serve among the priests. Then I can have food to eat.” ’ ”