1 Koningen 21 – HTB & CCBT

Het Boek

1 Koningen 21:1-29

De wijngaard van Naboth

1Naboth, een man uit Jizreël, bezat een wijngaard aan de buitenkant van de stad, vlakbij Achabs buitenpaleis. 2Op een dag vroeg de koning hem of hij de wijngaard niet wilde verkopen. ‘Ik zou er graag een moestuin van willen maken,’ legde de koning uit, ‘omdat hij zo dicht naast het paleis ligt.’ Hij bood aan met contant geld te betalen of, als Naboth dat liever had, hem een beter stuk grond in ruil te geven. 3Maar Naboth antwoordde: ‘De Here verhoede dat ik dit stuk grond dat ik van mijn vader geërfd heb, verkoop. Het is al tijdenlang in het bezit van mijn familie.’ 4Achab ging kwaad en teleurgesteld terug naar zijn paleis. Hij weigerde iets te eten en ging op bed liggen met zijn gezicht naar de muur. 5‘Wat is er toch aan de hand?’ vroeg zijn vrouw Izébel hem. ‘Waarom eet je niet? Hoe kom je zo nukkig en boos?’ 6‘Ik heb Naboth gevraagd of hij mij zijn wijngaard wil verkopen of wil ruilen voor een ander stuk grond, maar hij weigert,’ vertelde Achab. 7‘Ben jij nu de koning van Israël of hoe zit dat?’ wilde Izébel van hem weten. ‘Sta op, eet wat en maak je geen zorgen meer. Ik zal zorgen dat je Naboths wijngaard krijgt.’

8Zij schreef enkele brieven namens Achab, sloot ze met zijn zegel en stuurde ze naar de stadsbestuurders van Jizreël, waar Naboth woonde. 9In de brief beval zij: ‘Roep de burgers bijeen om te vasten en te bidden. Haal Naboth naar voren 10en zorg dat twee nietsnutten tegen hem getuigen en hem beschuldigen van het vervloeken van God en de koning. Breng hem daarna buiten de stad en stenig hem, zodat hij sterft.’

11De stadsbestuurders en de aanzienlijkste mannen in Naboths woonplaats deden wat Izébel in haar brieven van hen had gevraagd. 12Zij belegden een samenkomst en sleurden Naboth voor de rechtbank. 13Twee gewetenloze mannen beschuldigden hem ervan God en de koning te hebben vervloekt. Daarop werd hij buiten de stad gebracht en met stenen doodgegooid. 14De stadsbestuurders stuurden Izébel daarna de boodschap dat Naboth dood was. 15Toen Izébel het nieuws had vernomen, zei zij tegen Achab: ‘Herinner jij je die wijngaard nog die Naboth niet wilde verkopen? Wel, je kunt hem op dit moment krijgen. Naboth is dood.’ 16Achab ging naar de wijngaard om die in bezit te nemen.

17Maar de Here zei tegen Elia: 18‘Ga naar Samaria en zoek koning Achab op. Hij is te vinden bij de wijngaard van Naboth, want die wil hij in bezit nemen. 19Geef hem de volgende boodschap van Mij door: “Is het vermoorden van Naboth nog niet erg genoeg? Moet u hem ook nog beroven? Omdat u dit hebt gedaan, zullen de honden uw bloed oplikken, net zoals zij Naboths bloed hebben opgelikt.” ’ 20‘Dus mijn vijand heeft mij gevonden,’ riep Achab Elia toe. ‘Ja,’ antwoordde Elia, ‘ik ben hier gekomen om Gods vloek over u uit te spreken, omdat u alleen nog maar doet wat kwaad is in de ogen van de Here. 21De Here gaat een ramp over u brengen en zal u uitroeien, geen van uw mannelijke nakomelingen, van hoog tot laag, zal het overleven. 22Hij gaat uw familie vernietigen, net zoals dat gebeurde met de families van koning Jerobeam en koning Baësa. U hebt zijn toorn opgewekt en heel Israël aangevoerd bij het zondigen. 23De Here heeft ook gezegd dat de honden van Jizreël uw vrouw Izébel zullen verscheuren bij de stadsmuur. 24De leden van uw familie die in de stad sterven, zullen door honden worden opgegeten en de gieren zullen zich storten op hen die op het land sterven.’ 25Niemand anders had zich zo volledig aan de zonde overgegeven als Achab, want zijn vrouw Izébel moedigde hem voortdurend aan tot allerlei goddeloze dingen. 26Hij was vooral schuldig omdat hij, net als de Amorieten, afgoden diende. En dat volk had de Here nu juist het land uitgejaagd om ruimte te maken voor zijn volk Israël.

27Toen Achab deze profetieën hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok vodden aan, vastte, sliep in dezelfde vodden en liep rond als een toonbeeld van vernedering. 28Elia kreeg daarop een andere boodschap van de Here: 29‘Ziet u hoe Achab zich voor Mij heeft vernederd? Omdat hij dat heeft gedaan, zal Ik wat Ik heb beloofd, pas na zijn dood doen. Tijdens het leven van zijn zoon zal ik deze ramp over zijn familie brengen.’

Chinese Contemporary Bible (Traditional)

列王紀上 21:1-29

葡萄園事件

1這事以後,又發生了一件事。耶斯列拿伯有個葡萄園,在撒瑪利亞亞哈王宮附近。 2一天,亞哈拿伯說:「你的葡萄園靠近我的王宮,你把它讓給我作菜園吧。我可以用更好的葡萄園來跟你交換,如果你願意,我也可以按地價付你錢。」 3拿伯說:「耶和華不准我把祖先的產業給你。」 4亞哈不能如願,就悶悶不樂地回到宮中,躺在床上生氣,飯也不吃。

5他妻子耶洗別過來問他:「王為什麼煩悶,不思飲食呢?」 6亞哈回答說:「我要耶斯列拿伯將他的葡萄園賣給我,如果他願意,我也可以用別的葡萄園跟他交換,可是他不肯。」 7耶洗別說:「你忘了自己是以色列王嗎?起來吃飯吧,高興點,我必讓你得到耶斯列拿伯的葡萄園。」

8於是,耶洗別亞哈王的名義寫信,並蓋上王印,送給跟拿伯同居一城的長老和貴族。 9信上說:「你們要宣告禁食,讓拿伯在百姓中坐首位, 10叫兩個無賴坐在他對面控告他咒詛上帝和君王,然後把他拉出去用石頭打死。」 11拿伯同居一城的長老和貴族接到來信,便依照信裡的指示行事。 12他們宣告禁食,讓拿伯在百姓中坐首位, 13又叫兩名無賴當眾作證指控拿伯咒詛上帝和君王。然後眾人把拿伯拖出城外,用石頭打死了他。 14事情辦好了以後,他們就派人去把拿伯被石頭打死的消息告訴耶洗別

15耶洗別接到消息後,就告訴亞哈說:「耶斯列拿伯已經死了,你去佔他不肯賣給你的葡萄園吧。」 16亞哈聽說拿伯死了,就起來,下去霸佔拿伯的葡萄園。

17耶和華對提斯比以利亞說: 18「你去撒瑪利亞以色列亞哈,他正在拿伯的葡萄園,他到那裡要霸佔那葡萄園。 19你要對他說,『耶和華說,你殺了人,還要奪他的產業嗎?』然後告訴他,耶和華說,『狗在哪裡舔拿伯的血,也必在哪裡舔你的血。』」

20亞哈見了以利亞,說:「我的對頭啊,你又來了!」以利亞說:「我又來了,因為你一心做耶和華視為惡的事。 21耶和華說,『我必降禍給你,徹底毀滅你,剷除你家中所有的男子,不管是奴隸還是自由人。 22我必使你一家的下場像尼八的兒子耶羅波安家和亞希雅的兒子巴沙家一樣,因為你惹我發怒,並且使以色列人陷入罪中。』 23至於耶洗別,耶和華說,『狗必在耶斯列的城牆邊吃耶洗別的肉。 24凡屬亞哈的人,死在城中的必被狗吃,死在郊野的必被飛鳥吃。』」

25從來沒有人像亞哈那樣受妻子耶洗別唆使,一心做耶和華視為惡的事。 26他像被耶和華驅逐的亞摩利人一樣祭拜神像,行為可憎。 27亞哈聽了以利亞的話,就撕裂衣服,披麻禁食,睡覺也不脫下麻衣,垂頭喪氣地走來走去。 28耶和華對提斯比以利亞說: 29「你看見亞哈在我面前如何痛悔了嗎?因為他在我面前痛悔,我不會在他有生之日降災,我要等他兒子執政的時候,才降災給他家。」