Het Boek

1 Koningen 1:1-53

Adonia roept zichzelf tot koning uit

1Op zijn oude dag was koning David aan zijn bed gekluisterd. Maar onder hoeveel dekens hij ook sliep, altijd had hij het koud. 2‘Daar valt wel iets aan te doen,’ zeiden zijn dienaren tegen hem. ‘We zullen een jong meisje voor u zoeken die u kan verplegen en verzorgen. Zij zal in uw armen liggen en u warm houden.’ 3-4 Zij zochten het hele land Israël af, op zoek naar het mooiste meisje. Ten slotte werd Abisag gevonden, een meisje uit Sunam, dat bijzonder mooi was. Zij brachten haar bij de koning en zij verzorgde hem en lag in zijn armen om hem te verwarmen. De koning had echter geen gemeenschap met haar.

5Ongeveer in diezelfde tijd besloot Adonia, de zoon van David en Chaggit, zichzelf tot koning uit te roepen. Hij huurde rijtuigen en wagenmenners en zorgde voor vijftig mannen die als koninklijke voetknechten de straten voor hem vrijmaakten. 6Zijn vader, koning David, had hem zijn hele leven nooit eens goed onder handen genomen of de waarheid gezegd. Hij was bovendien een erg knappe jongeman en een jongere broer van Absalom. 7Hij nam generaal Joab en de priester Abjatar in vertrouwen en zij beloofden hem te helpen koning te worden. 8Maar tot degenen die trouw bleven aan koning David en zich niet inlieten met Adonia, behoorden de priester Sadok, Benaja, de profeet Natan, Simi, Reï en Davids legerbevelhebbers. 9Adonia ging naar de bron Rogel, waar hij op de steen Zohelet schapen, ossen en vetgemeste jonge geiten offerde. Daarna nodigde hij al zijn broers—de andere zonen van koning David—en alle koninklijke hoogwaardigheidsbekleders van Juda uit voor de feestelijke offermaaltijd. 10Maar de profeet Natan, Benaja, de trouwe legerbevelhebbers en zijn broer Salomo nodigde hij niet uit.

11Toen ging de profeet Natan naar Batseba, de moeder van Salomo, en vroeg haar: ‘Beseft u wel dat Chaggits zoon Adonia zich tot koning uitroept en dat koning David daar helemaal niets van weet? 12Ik raad u aan uw eigen leven en dat van uw zoon Salomo te redden. 13Ga onmiddellijk naar koning David en vraag hem: “U hebt mij toch beloofd dat Salomo u zou opvolgen? Waarom is Adonia dan nu koning?” 14En terwijl u nog met hem spreekt, zal ik dan binnenkomen en alles bevestigen wat u hebt gezegd.’ 15Zo ging Batseba naar de slaapkamer van de koning. Hij was al een erg oude man en Abisag zorgde voor hem. 16Batseba boog diep. ‘Wat wilt u?’ vroeg hij haar. 17Zij antwoordde: ‘U hebt mij bij de Here, uw God, gezworen dat Salomo u zou opvolgen en uw plaats zou innemen op de troon. 18Maar nu is Adonia koning geworden zonder dat u het weet. 19Hij is zijn kroning aan het vieren met het offeren van ossen, vette geiten en schapen. Bovendien heeft hij daarvoor al uw zonen, de priester Abjatar en generaal Joab uitgenodigd. Maar Salomo is niet uitgenodigd. 20Nu wacht heel Israël op uw beslissing wie door u is aangewezen als uw opvolger. 21Als u nu niets doet, zullen mijn zoon Salomo en ik na uw overlijden worden beschuldigd van hoogverraad.’

22-23 Terwijl zij nog sprak, vertelden Davids dienaren hem dat de profeet Natan hem wilde spreken. Natan kwam binnen, boog diep voor de koning en vroeg: 24‘Koning, hebt u Adonia aangewezen als troonopvolger? Hebt u hem uitgekozen om na u koning te worden? 25Vandaag viert hij zijn kroning met het offeren van ossen, vette geiten en vele schapen, waarbij hij uw zonen heeft uitgenodigd. Ook generaal Joab en andere hoofdofficieren en de priester Abjatar heeft hij uitgenodigd. Zij drinken en vieren feest en roepen: “Lang leve koning Adonia”. 26Maar de priester Sadok, Benaja, Salomo en ik zijn niet uitgenodigd. 27Is dit alles op uw aanwijzing gebeurd? Of hebt u soms al bekendgemaakt wie van uw zonen de volgende koning moet worden?’

Salomo tot koning gezalfd

28‘Roep Batseba,’ zei David. Zij kwam weer binnen en ging voor de koning staan. 29Toen zwoer de koning: ‘Zo waar de Here leeft, die mij van elk gevaar heeft gered, 30verklaar ik dat uw zoon Salomo de volgende koning zal zijn, precies zoals ik u al eerder onder ede heb gezworen bij de Here, de God van Israël.’ 31Batseba boog opnieuw diep voor hem en riep uit: ‘Dank u wel! Moge koning David voor eeuwig leven!’ 32‘Roep de priester Sadok, de profeet Natan en Benaja hier,’ beval de koning. Toen zij bij hem binnenkwamen, zei hij tegen hen: 33‘Breng Salomo onder begeleiding van mijn lijfwacht naar Gichon. Salomo moet op mijn eigen muildier rijden. 34De priester Sadok en de profeet Natan moeten hem daar tot koning van Israël zalven. Blaas daarna op de trompetten en roep: “Lang leve koning Salomo!” 35Wanneer u hem daarna weer hier terugbrengt, moet hij op mijn troon plaatsnemen als de nieuwe koning, want ik heb hem benoemd tot koning over Israël en Juda.’ 36‘Amen. Prijs de Here, de God van mijn heer, de Koning,’ antwoordde Benaja en hij voegde daaraan toe: 37‘Moge de Here met Salomo zijn, zoals Hij met u was en moge God Salomoʼs bewind nog roemrijker maken dan het uwe!’

38Daarop brachten de priester Sadok, de profeet Natan, Benaja en Davids lijfwacht Salomo naar Gichon. Deze reed op Davids eigen muildier. 39Aangekomen in Gichon, pakte Sadok een hoorn met heilige olie uit het heiligdom en goot die over Salomo uit, daarna werd op de trompetten geblazen en riepen alle omstanders: ‘Lang leve koning Salomo!’ 40Vervolgens gingen zij allemaal met hem terug naar Jeruzalem. Onderweg werd de zalving van Salomo uitbundig met muziek gevierd. 41Adonia en zijn gasten hoorden het opgewonden geroep en het trompetgeschal, terwijl zij bijna met hun maaltijd gereed waren. ‘Wat gebeurt daar allemaal?’ wilde Joab weten. ‘Waarom heerst er zoʼn opwinding in de stad?’

42Terwijl hij dat zei, kwam Jonatan, de zoon van priester Abjatar, binnenrennen. ‘Kom binnen,’ zei Adonia tegen hem, ‘want u bent een goed man, u zult vast goed nieuws voor ons hebben.’ 43‘Integendeel, koning David heeft Salomo tot koning uitgeroepen!’ riep Jonatan. 44-45 ‘De koning zond hem naar Gichon met de priester Sadok, de profeet Natan en Benaja, geëscorteerd door de lijfwacht van de koning. Hij reed op het muildier van de koning. En Sadok en Natan hebben hem daar tot koning gezalfd! Zij zijn net teruggekeerd en nu viert de hele stad feest. Daar komt al dat lawaai vandaan. 46-47 Salomo zit intussen al op de troon en alle mensen feliciteren koning David met de woorden: “Moge God Salomo nog meer zegenen dan Hij u zegende en moge Salomoʼs bewind nog roemrijker worden dan het uwe!” De koning ligt nog op zijn rustbed en buigt zich daar in aanbidding neer. 48Hij heeft gezegd: “Gezegend zij de Here, de God van Israël, die een van mijn zonen heeft uitgekozen om op mijn troon te zitten, terwijl ik nog leef en er getuige van kan zijn.” ’

49-50 Adonia en zijn gasten sprongen op van tafel en ieder haastte zich naar huis. Adonia was bang dat Salomo wraak zou nemen. Daarom rende hij het heiligdom in en greep de horens van het heilige altaar om bescherming te zoeken. 51Aan koning Salomo werd gemeld: ‘Adonia is bang voor u. Hij heeft een van de hoeken van het altaar vastgegrepen en uitgeroepen: “Laat koning Salomo mij eerst zweren dat hij mij niet zal terechtstellen!” ’ 52Salomo zei: ‘Als hij zich voortaan goed gedraagt, zal hem niets overkomen. Maar als hij dat niet doet, moet hij sterven.’ 53Koning Salomo liet hem bij zich roepen en zij haalden hem bij het altaar vandaan. Toen hij voor de koning verscheen, boog Adonia diep voor hem neer. Salomo zei alleen maar: ‘Ga naar huis.’

Holy Bible in Gĩkũyũ

1 Athamaki 1:1-53

Adonija Gwĩtua Mũthamaki

1Hĩndĩ ĩrĩa Mũthamaki Daudi aakũrire na agatindĩka mĩaka-rĩ, ndaiguaga ũrugarĩ o na mamũhumbĩra na nguo. 2Nĩ ũndũ ũcio ndungata ciake ikĩmwĩra atĩrĩ, “Reke tũcarie mũirĩtu mwĩthĩ gathirange, atungatagĩre mũthamaki na ũndũ wa kũmũmenyerera, na akomage hamwe nake nĩguo mũthamaki, mwathi witũ, aiguage ũrugarĩ.”

31:3 2Sam 3:7; Josh 19:18Magĩetha mũirĩtu mũthaka Isiraeli guothe, makĩona Abishagi ũrĩa Mũshunami, na makĩmũrehe kũrĩ mũthamaki. 4Mũirĩtu ũcio aarĩ mũthaka mũno; nake akĩmenyerera mũthamaki na akĩmũtungatĩra, no mũthamaki ndaigana gũkoma nake.

51:5 2Sam 3:4; 1Sam 8:11Na rĩrĩ, Adonija, ũrĩa nyina aarĩ Hagithu,1:5 Adonija aarĩ mwana wa kana wa Daudi (2Sam 3:4). akĩĩyumĩria, akiuga atĩrĩ, “Nĩ niĩ ngũtuĩka mũthamaki.” Nĩ ũndũ ũcio agĩthagathaga ngaari cia ita na mbarathi, na andũ mĩrongo ĩtano mathiiage matengʼerete marĩ mbere yake. 61:6 1Sam 3:13(Ithe ndaamũkaanĩtie ũndũ, kana akamũũria atĩrĩ, “Wĩkĩte ũna na ũna nĩkĩ?” Ningĩ aarĩ mũndũ mũthaka mũno, na nĩwe waciarĩtwo thuutha wa Abisalomu.)

71:7 2Sam 2:13; 1Sam 22:20Nake Adonija akĩrĩkanĩra na Joabu mũrũ wa Zeruia, na Abiatharu mũthĩnjĩri-Ngai, nao magĩtĩkĩra kũmũteithĩrĩria. 81:8 2Sam 23:8; 1Ath 4:18No Zadoku mũthĩnjĩri-Ngai, na Benaia mũrũ wa Jehoiada, na Nathani ũrĩa mũnabii, na Shimei, na Rei, na arangĩri arĩa a mwanya a Daudi matianyiitanĩire na Adonija.

91:9 2Sam 17:17; 1Maũ 29:24Nake Adonija akĩruta igongona rĩa ngʼondu, na ngʼombe, na njaũ iria noru Ihiga-inĩ rĩa Zohelethu, hakuhĩ na Eni-Rogeli. Nake agĩĩta ariũ a ithe othe, na nĩo ariũ a mũthamaki, na andũ othe a Juda arĩa maarĩ anene a nyũmba ya ũthamaki, 10no ndaigana gwĩta Nathani ũrĩa mũnabii, kana Benaia, kana arangĩri arĩa a mwanya, o na kana mũrũ wa ithe Solomoni.

111:11 2Sam 3:4Nake Nathani akĩũria Bathisheba, nyina wa Solomoni atĩrĩ, “Nĩũiguĩte atĩ Adonija mũrũ wa Hagithu nĩatuĩkĩte mũthamaki, Daudi mwathi witũ atekũmenya? 121:12 Thim 15:22Na rĩrĩ, reke ngũtaare ũrĩa ũngĩhota kũhonokia muoyo waku na muoyo wa mũrũguo Solomoni. 13Ũkĩra ũthiĩ kũrĩ Mũthamaki Daudi ũmwĩre atĩrĩ, ‘Mũthamaki mwathi wakwa, githĩ ndwehĩtire kũrĩ niĩ, ndungata yaku ũkĩnjĩĩra atĩrĩ: “Ti-itherũ Solomoni mũrũguo nĩwe ũgaatuĩka mũthamaki thuutha wakwa, na nĩwe ũgaikarĩra gĩtĩ gĩakwa gĩa ũthamaki”? Rĩu-rĩ, nĩ kĩĩ gĩtũmĩte Adonija atuĩke mũthamaki?’ 14Ũrĩ o kũu ũkĩaria na mũthamaki, na niĩ njũke ndoonye kuo nĩguo njĩkĩre hinya ũguo ũkũmwĩra.”

15Nĩ ũndũ ũcio Bathisheba agĩthiĩ kuona mũthamaki ũcio mũkũrũ kanyũmba gake ga thĩinĩ, kũrĩa aatungatagĩrwo nĩ Abishagi ũrĩa Mũshunami. 16Bathisheba akĩinamĩrĩra, agĩturia ndu mbere ya mũthamaki.

Nake mũthamaki akĩmũũria atĩrĩ, “Ũkwenda atĩa?”

17Akĩmũcookeria atĩrĩ, “Mwathi wakwa, wee mwene nĩwehĩtire harĩ niĩ ndungata yaku na rĩĩtwa rĩa Jehova Ngai waku, ũkiuga atĩrĩ: ‘Solomoni mũrũguo nĩwe ũgaatuĩka mũthamaki thuutha wakwa, na nĩwe ũgaikarĩra gĩtĩ gĩakwa kĩa ũnene.’ 18No rĩrĩ, Adonija nĩatuĩkĩte mũthamaki, na wee mũthamaki mwathi wakwa ndũmenyete ũhoro ũcio. 191:19 1Ath 1:9Nĩarutĩte igongona inene rĩa ngʼombe nyingĩ, na njaũ noru, na ngʼondu, na ageeta ariũ a mũthamaki othe, na Abiatharu ũrĩa mũthĩnjĩri-Ngai, na Joabu ũrĩa mũnene wa mbũtũ cia ita, no ndetĩte Solomoni ndungata yaku. 20Mũthamaki mwathi wakwa, andũ a Isiraeli othe nĩwe macũthĩrĩirie, nĩguo ũmamenyithie nũũ ũgaikarĩra gĩtĩ kĩa ũnene thuutha waku wee mũthamaki, mwathi wakwa. 211:21 Kĩam 15:15; 1Ath 2:10Kwaga ũguo-rĩ, rĩrĩa mũthamaki mwathi wakwa agaakoma ahurũke hamwe na maithe make, niĩ na mũrũ wakwa Solomoni tũgaatuuo ta andũ ageri ngero.”

22Hĩndĩ ĩrĩa aaragia na mũthamaki, Nathani ũrĩa mũnabii agĩkinya. 23Nao makĩĩra mũthamaki atĩrĩ, “Mũnabii Nathani arĩ haha.” Nĩ ũndũ ũcio Nathani agĩthiĩ mbere ya mũthamaki, akĩinamĩrĩra, agĩturumithia ũthiũ thĩ.

24Nathani akĩũria atĩrĩ, “Wee mũthamaki mwathi wakwa-rĩ, nĩũtuĩte atĩ Adonija nĩwe ũgaatuĩka mũthamaki thuutha waku, na atĩ nĩwe ũgaikarĩra gĩtĩ gĩaku kĩa ũnene? 25Ũmũthĩ nĩaikũrũkĩte na akaruta igongona inene rĩa ngʼombe nyingĩ, na njaũ noru, na ngʼondu. Na ageeta ariũ a mũthamaki othe, na anene a thigari othe, na Abiatharu ũrĩa mũthĩnjĩri-Ngai. Rĩu nĩ kũrĩa maraarĩa na makanyua marĩ hamwe nake, makiugaga atĩrĩ, ‘Mũthamaki Adonija arotũũra nginya tene!’ 26No rĩrĩ, niĩ ndungata yaku, na Zadoku ũrĩa mũthĩnjĩri-Ngai, na Benaia mũrũ wa Jehoiada, na ndungata yaku Solomoni ndanatwĩta. 27Ũndũ ũyũ-rĩ, nĩ mũthamaki mwathi wakwa wĩkĩte atamenyithĩtie ndungata ciake nũũ ũgũikarĩra gĩtĩ kĩa ũnene kĩa mũthamaki mwathi wakwa thuutha wake?”

Daudi Gũtua Solomoni Mũthamaki

28Hĩndĩ ĩyo Mũthamaki Daudi akiuga atĩrĩ, “Ĩtai Bathisheba oke.” Nĩ ũndũ ũcio Bathisheba agĩũka harĩ mũthamaki, akĩrũgama mbere yake.

291:29 2Sam 4:9Nake mũthamaki akĩĩhĩta, akiuga atĩrĩ: “O ta ũrĩa Jehova atũũraga muoyo, ũrĩa wanaahonokia kuuma mathĩĩna-inĩ mothe, 30ti-itherũ ũmũthĩ nĩguo ngũhingia ũrĩa ndehĩtire kũrĩ we na rĩĩtwa rĩa Jehova Ngai wa Isiraeli, ngĩkwĩra atĩrĩ: Solomoni mũrũguo nĩwe ũgaatuĩka mũthamaki thuutha wakwa, na nĩwe ũgaikarĩra gĩtĩ gĩakwa kĩa ũnene handũ hakwa.”

31Nake Bathisheba akĩinamĩrĩra, agĩturumithia ũthiũ thĩ, na agĩturia ndu mbere ya mũthamaki, akiuga atĩrĩ, “Mũthamaki mwathi wakwa Daudi arotũũra nginya tene!”

321:32 1Sam 2:35Mũthamaki Daudi akiuga atĩrĩ, “Ĩtai Zadoku ũrĩa mũthĩnjĩri-Ngai, na Nathani ũrĩa mũnabii, na Benaia mũrũ wa Jehoiada moke.” Rĩrĩa mookire mbere ya mũthamaki, 331:33 Atiir 10:4; 2Maũ 32:30akĩmeera atĩrĩ, “Thiĩi na ndungata cia mwathi wanyu na mũhaicie Solomoni mũrũ wakwa igũrũ rĩa nyũmbũ yakwa, mũmũikũrũkie nginya Gihoni. 341:34 1Sam 10:1; 2Sam 15:10Mũrĩ kũu, mũreke Zadoku ũrĩa mũthĩnjĩri-Ngai na Nathani ũrĩa mũnabii mamũitĩrĩrie maguta atuĩke mũthamaki wa Isiraeli. Ningĩ mũhuhe karumbeta, na mwanĩrĩre atĩrĩ, ‘Mũthamaki Solomoni arotũũra nginya tene!’ 35Ningĩ mũcooke mwambate nake, oke aikarĩre gĩtĩ gĩakwa kĩa ũnene, na athamake handũ hakwa. Nĩndĩmũthuurĩte aathanage Isiraeli na Juda.”

36Benaia mũrũ wa Jehoiada agĩcookeria mũthamaki atĩrĩ, “Ameni! Jehova, Ngai wa mũthamaki mwathi wakwa arotũma gũtuĩke guo. 371:37 Josh 1:5, 17O ta ũrĩa Jehova akoretwo arĩ hamwe na mũthamaki mwathi wakwa, aroikara hamwe na Solomoni na atũme wathani wake ũnenehe gũkĩra wathani wa mũthamaki mwathi wakwa Daudi!”

381:38 1Sam 30:14; 2Sam 15:18Tondũ ũcio Zadoku ũrĩa mũthĩnjĩri-Ngai, na Nathani ũrĩa mũnabii, na Benaia mũrũ wa Jehoiada, hamwe na Akerethi na Apelethi,1:38 Akerethi na Apelethi maarĩ thigari iria ciarũgamagĩrĩra Daudi. magĩikũrũka, makĩhaicia Solomoni nyũmbũ ya Mũthamaki Daudi, makĩmumagaria nginya Gihoni. 391:39 Thab 89:20; Thaam 26:1; Thab 47:5Zadoku ũrĩa mũthĩnjĩri-Ngai akĩruta rũhĩa rwa maguta kuuma hema-inĩ ĩrĩa nyamũre1:39 Ĩno nĩ hema ĩrĩa Daudi aakire ya kũiga ithandũkũ rĩa Maathani, no ti Hema-ya-Gũtũnganwo ĩrĩa yarĩ Gibeoni (3:4; 2Sam 6:17). na agĩitĩrĩria Solomoni. Ningĩ makĩhuha karumbeta, nao andũ othe makĩanĩrĩra, makiuga atĩrĩ, “Mũthamaki Solomoni arotũũra nginya tene!” 401:40 1Sam 10:5Andũ othe makĩambata mamũrũmĩrĩire, makĩhuhaga mĩtũrirũ me na gĩkeno kĩnene, nginya thĩ ĩgĩthingitha nĩ mũrurumo.

411:41 1Maũ 23:12-13Adonija na ageni othe arĩa maarĩ hamwe nake makĩigua mũrurumo ũcio rĩrĩa maarĩ hakuhĩ kũrĩĩkia iruga rĩao. Rĩrĩa maiguire mũgambo wa karumbeta, Joabu akĩũria atĩrĩ, “Inegene rĩu rĩothe rĩrĩ itũũra-inĩ nĩ rĩa kĩĩ?”

421:42 2Sam 18:26O akĩaragia-rĩ, Jonathani mũrũ wa Abiatharu ũrĩa mũthĩnjĩri-Ngai agĩkinya. Adonija akĩmwĩra atĩrĩ, “Toonya thĩinĩ. Mũndũ wa bata tawe no nginya akorwo nĩ ũhoro mwega aatũrehere.”

43Jonathani agĩcookia atĩrĩ; “Aca ti ũguo! Mũthamaki Daudi mwathi witũ nĩatuĩte Solomoni mũthamaki. 44Mũthamaki nĩoimagarĩtie Solomoni hamwe na Zadoku ũrĩa mũthĩnjĩri-Ngai, na Nathani ũrĩa mũnabii, na Benaia mũrũ wa Jehoiada, na Akerethi na Apelethi, na nĩmahaicĩtie Solomoni nyũmbũ ya mũthamaki, 45na rĩrĩ, Zadoku ũrĩa mũthĩnjĩri-Ngai, na Nathani ũrĩa mũnabii nĩmamũitĩrĩirie maguta kũu Gihoni atuĩke mũthamaki. Kuuma hau nĩmambatĩte makiugagĩrĩria, narĩo itũũra rĩothe rĩkamaamũkĩria. Rĩu nĩrĩo inegene rĩrĩa mũraigua. 461:46 Gũcook 17:18O na ningĩ, Solomoni nĩaikarĩire gĩtĩ gĩake kĩa ũnene gĩa ũthamaki. 471:47 1Ath 1:37Ningĩ atongoria a ũthamaki nĩmokĩte gũcookeria Mũthamaki Daudi, mwathi witũ, ngaatho, makoiga atĩrĩ: ‘Ngai waku arotũma rĩĩtwa rĩa Solomoni rĩgĩe na ngumo gũkĩra rĩaku, naguo ũthamaki wake ũroneneha gũkĩra waku!’ Nake mũthamaki nĩainamĩrĩra na aakĩgooca arĩ o gĩtanda-inĩ, 481:48 1Ath 3:6oiga atĩrĩ, ‘Jehova Ngai wa Isiraeli arogoocwo, ũrĩa wĩtĩkĩrĩtie maitho makwa meyonere mwana ũmwe wakwa agĩikarĩra gĩtĩ gĩakwa kĩa ũnene ũmũthĩ.’ ”

49Hĩndĩ ĩyo ageni othe a Adonija makĩmaka, magĩũkĩra, magĩĩthiĩra, o mũndũ na njĩra yake. 501:50 Thaam 27:2No rĩrĩ, Adonija, nĩ ũndũ wa gwĩtigĩra Solomoni, agĩthiĩ akĩĩnyiitĩrĩra hĩa cia kĩgongona. 51Hĩndĩ ĩyo Solomoni akĩmenyithio atĩrĩ, “Adonija nĩaretigĩra Mũthamaki Solomoni, na nĩenyiitĩrĩire hĩa cia kĩgongona. Aroiga atĩrĩ, ‘Mũthamaki Solomoni nĩehĩte harĩ niĩ ũmũthĩ anjĩĩre atĩ ndekũũraga ndungata yake na rũhiũ rwa njora.’ ”

521:52 1Sam 14:45Solomoni agĩcookia atĩrĩ, “Angĩona atĩ nĩ mũndũ wagĩrĩire, gũtirĩ rũcuĩrĩ rwake rwa mũtwe rũkaagũa thĩ; no angĩoneka na ũũru no agaakua.” 53Ningĩ Mũthamaki Solomoni agĩtũma andũ, nao makĩmũikũrũkia kuuma kĩgongona-inĩ. Adonija akĩinamĩrĩra harĩ Mũthamaki Solomoni, nake Solomoni akĩmwĩra atĩrĩ, “Inũka gwaku mũciĩ.”