Knijga O Kristu

Otkrivenje 21:1-27

Novi Jeruzalem

1Ugledam zatim novo nebo i novu zemlju jer su staro nebo i zemlja iščeznuli. Ni mora više nema. 2I vidim Sveti grad, novi Jeruzalem, kako silazi s neba, od Boga, poput zaručnice urešene za muža.

3Začujem glasan povik s prijestolja: “Evo, Bog stanuje sa svojim narodom! Prebivat će s njima. Oni će biti njegov narod, a on će biti njihov Bog. 4Otrt će svaku suzu s njihovih očiju. Neće više biti smrti, neće biti žalosti, ni plača, ni boli. Jer sve prijašnje je uminulo.”

5Onaj koji sjedi na prijestolju reče: “Gle, činim sve novo!” Zatim meni reče: “Zapiši ove riječi—vjerodostojne su i istinite!” 6I još reče: “Svršeno je! Ja sam Alfa i Omega, Početak i Svršetak. Žednima ću dati da se besplatno napiju s izvora vode života. 7Svi će pobjednici baštiniti te blagoslove. Ja ću im biti Bog, a oni meni djeca. 8Ali sve kukavice, nevjernici i pokvarenjaci, svi ubojice i bludnici i vračari te idolopoklonici i svi lažljivci—završit će u jezeru što gori ognjem i sumporom. To je druga smrt.”

9Zatim mi priđe jedan od sedmorice anđela sa sedam posuda punih konačnih zala i reče: “Dođi da ti pokažem Zaručnicu, Jaganjčevu Ženu!”

10I u duhu21:10 Ili: u Duhu. me ponese na veliku, visoku goru i pokaže mi sveti grad Jeruzalem kako silazi s neba od Boga. 11Sav je blistao Božjom slavom poput dragoga kamena, poput kristalnoga jaspisa. 12Zidine su mu bile široke i visoke, s dvanaest vrata koja je čuvalo dvanaest anđela. A na svakim je vratima pisalo ime jednoga od izraelskih plemena. 13Sa svake strane—s istoka, sjevera, juga i zapada—bila su troja vrata. 14Gradske zidine imale su dvanaest temelja na kojima su pisala imena dvanaestorice Jaganjčevih apostola.

15Anđeo je imao štap za mjerenje nalik zlatnoj trski da izmjeri grad, njegova vrata i zidine. 16Grad se sterao u obliku kvadrata—duljina mu je bila jednaka širini. Anđeo trskom izmjeri grad: i duljina, i širina, i visina bile su jednake: dvanaest tisuća stadija.21:16 Ili 2 220 kilometara. 17Izmjeri zatim gradske zidine. Bile su široke sto četrdeset četiri lakta21:17 Ili 65 metara. po ljudskoj mjeri kojom je anđeo mjerio.

18Zidine su bile od jaspisa, a sam grad od zlata čistoga poput stakla. 19Gradske su zidine izgrađene na temeljima od različitoga dragog kamenja: prvi je temelj od jaspisa, drugi od safira, treći od kalcedona, četvrti od smaragda, 20peti od sardoniksa, šesti od sarda, sedmi od krizolita, osmi od berila, deveti od topaza, deseti od krizopraza, jedanaesti od hijacinta, a dvanaesti od ametista.

21Dvanaest vrata načinjeno je od dvanaest bisera—svaka od jednoga jedinog bisera. A glavna je ulica od čistoga zlata prozirnoga poput stakla.

22U gradu nisam vidio hram. Njegov je hram Svemogući Gospodin Bog—i Jaganjac. 23Tomu gradu ne trebaju ni sunce ni mjesec jer ga obasjava Božja slava, a Jaganjac mu je svjetlo. 24Narodi će hoditi u njegovoj svjetlosti, a vladari ovoga svijeta donosit će u njega svoju slavu. 25Gradska vrata ne zatvaraju se na svršetku dana jer noći nema. 26U njega će se unijeti slava i čast naroda. 27Ali neće ući ništa nečisto i nitko tko čini gadosti i govori laži, nego samo oni kojih su imena zapisana u Jaganjčevoj Knjizi života.

Het Boek

Openbaring 21:1-27

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

1Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De tegenwoordige hemel en de tegenwoordige aarde waren er niet meer, en ook de zee was verdwenen. 2Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel naar beneden komen, bij God vandaan. Zij zag er feestelijk uit, als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor de bruidegom en hem opwacht. 3Ik hoorde een luide stem vanaf de troon zeggen: ‘Gods woonplaats is nu bij de mensen, Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij zal Zelf bij hen zijn. 4Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen. Er zal geen dood meer zijn, geen verdriet, geen rouw of pijn, want die dingen horen bij de oude wereld die voorbij is.’ 5Hij die op de troon zat, zei: ‘Ik maak alles nieuw.’ En Hij zei tegen mij: ‘Schrijf het allemaal op, want wat Ik zeg, is waar en betrouwbaar. 6Het heeft zich allemaal voltrokken. Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft, zal Ik water geven uit de bron die leven geeft, voor niets. 7Wie overwinnen, krijgen dit van Mij. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn kinderen zijn. 8Maar lafaards, trouwelozen, verdorvenen, moordenaars, mensen die ontucht plegen, tovenaars, afgodendienaars en bedriegers staat wat anders te wachten: het brandende zwavelmeer, de tweede dood.’

9Toen kwam een van de zeven engelen die de zeven schalen met de zeven laatste rampen hadden uitgegoten, naar mij toe en zei: ‘Kom, ik zal u de bruid van het Lam laten zien, zijn vrouw.’ 10Hij droeg mij in de geest naar een grote, hoge berg en liet mij de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel naar beneden kwam, van God vandaan. 11De stad schitterde met goddelijke pracht. Er kwam een gloed vanaf als van een zeer dure edelsteen, als van een kristalheldere diamant. 12De stad was omgeven door een brede, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. Op de twaalf poorten stonden de namen van de twaalf stammen van Israël. Er waren drie poorten aan elke kant: 13drie op het oosten, drie op het noorden, drie op het westen en drie op het zuiden. 14De fundering van de stadsmuur bestond uit twaalf stenen, waarop de namen van de twaalf apostelen van het Lam stonden. 15De engel die met mij sprak, had een gouden meetlat om de stad, de poorten en de muur op te meten. 16Toen hij die opmat, bleek de lengte even groot als de breedte te zijn, de stad vormde een vierkant. De hoogte, de lengte en de breedte waren allemaal even groot: ruim eenentwintighonderd kilometer. 17Daarna mat hij de dikte van de muren op en die bleek vierenzestig meter te zijn. De engel gebruikte menselijke maten. 18De stad zelf was van zuiver goud en zo doorzichtig als glas. De muur bestond uit een doorschijnend edelgesteente, uit diamant 19en was gebouwd op een fundering van twaalf lagen die met allerlei edelstenen versierd was: de eerste laag met diamant, de tweede laag met lazuursteen, de derde met robijn, de vierde met smaragd, 20de vijfde met sardonyx, de zesde met sardius, de zevende met topaas, de achtste met beryl, de negende met chrysoliet, de tiende met chrysopraas, de elfde met saffier, de twaalfde met amethist.

21De twaalf poorten waren parels, elke poort bestond uit één parel. En de hoofdstraat was van zuiver goud, als doorzichtig glas. 22Ik zag in de stad geen tempel, want de Here, de Almachtige God, en het Lam zijn Zelf haar tempel. 23De stad heeft geen zonlicht of maanlicht nodig, want zij wordt verlicht door de schittering van God en het Lam is haar lamp. 24De volken zullen in haar licht leven en de koningen van de aarde zullen hun rijkdom ernaartoe brengen. 25Haar poorten zullen de hele dag openstaan, zij zullen nooit worden gesloten, omdat er geen nacht zal zijn. 26De rijkdom en de pracht van de volken zal in de stad worden gebracht. 27Maar er komt niets lelijks of slechts in, verdorven mensen en leugenaars blijven erbuiten. Alleen de mensen die in het levensboek van het Lam staan, mogen die stad binnengaan.