Knijga O Kristu

Matej 11:1-30

Isus i Ivan Krstitelj

(Lk 7:18-30)

1Kad je završio s uputama dvanaestorici učenika, Isus ode poučavati i propovijedati po gradovima.

2Ivan Krstitelj je u tamnici čuo o Kristovim čudesnim djelima, pa pošalje svoje učenike da upitaju Isusa: 3“Jesi li ti zaista onaj koji treba doći ili da čekamo drugoga?”

4Zatim odgovori Ivanovim učenicima: “Idite Ivanu i ispričajte što čujete i vidite: 5slijepcima se vraća vid, hromi hodaju, gubavci ozdravljaju, gluhi čuju, mrtvi ustaju i Radosna vijest se propovijeda siromasima. 6Recite mu i ovo: ‘Blago onome tko se zbog mene ne sablazni!’”

7Kad su otišli, Isus počne govoriti mnoštvu o Ivanu. “Kad ste izišli u pustinju, što ste išli gledati? Samo trsku kako se povija na vjetru? 8Ili ste išli vidjeti raskošno odjevena čovjeka? Ali takvi žive u kraljevskim palačama. 9Ili ste išli vidjeti Božjeg proroka? Da, on je i više od proroka. 10Jer Ivan je čovjek o kojemu u Svetome pismu piše:

‘Gledajte, šaljem pred vas svojega glasnika

i on će vam pripraviti put.’11:10 Malahija 3:1.

11Zaista vam kažem: Od svih ljudi koji su ikada rođeni nije bilo većega od Ivana Krstitelja. Pa ipak, i najmanji u kraljevstvu nebeskomu veći je od njega! 12A od vremena kad je Ivan Krstitelj počeo propovijedati i krstiti pa sve do sada, navala je na kraljevstvo nebesko i siloviti ga prisvajaju. 13Jer svi su proroci i Zakon proricali o Ivanu. 14I, ako ste mi to spremni povjerovati, on je taj drugi Ilija koji je trebao doći.11:14 Vidjeti: Malahija 3:23. 15Slušajte, kad već imate uši!

Isusov sud o suvremenicima

16A s kime da usporedim ovaj naraštaj? On je poput djece koja sjede i igraju se na gradskome trgu, pa jedna drugoj dovikuju:

17‘Veselo smo vam zasvirali,

ali niste htjeli zaplesati.

Onda smo vam zapjevali tužaljke,

ali ni plakati niste htjeli.’

18Jer, došao je Ivan koji je postio i nije pio vino, a oni kažu: ‘Ima zloduha.’ 19Onda sam došao ja, Sin Čovječji. Jedem i pijem, pa sada govore: ‘Izjelica je i pijanac, prijatelj je ubiračima poreza i drugim grešnicima!’ Ali Božja će se mudrost opravdati svojim djelima.”

Sud za nevjernike

(Lk 7:31-35; 10:13-15)

20Tada počne koriti gradove u kojima se zbilo najviše njegovih čudesnih djela zato što se nisu obratili Bogu. 21“Teško tebi, Korozaine! Teško tebi, Betsaido! Jer da su se čudesa koja su se kod vas dogodila zbila u pokvarenima Tiru i Sidonu, oni bi se već odavno obratili u kostrijeti i pepelu. 22Kažem vam da će Tiru i Sidonu na Sudnji dan biti lakše nego vama! 23A ti, Kafarnaume, zar ćeš se do neba uzdignuti? Strovalit ćeš se u pakao. Da su se čudesa koja su se u tebi zbila dogodila u Sodomi, ona bi zaista ostala do danas. 24Kažem vam da će Sodomi biti lakše na Sudnji dan nego vama!”

Isusova molitva zahvale

(Lk 10:21-22)

25Tada Isus reče: “Oče, gospodaru neba i zemlje, slavim te što si to skrio od mudrih i umnih, a objavio malenima. 26Da, Oče, tebi se to svidjelo tako učiniti.

27Moj mi je Otac sve predao. Nitko ne poznaje Sina nego Otac i nitko ne poznaje Oca nego Sin i oni kojima se Sin hoće objaviti.

28Dođite k meni svi koji ste umorni i opterećeni i ja ću vas odmoriti. 29Uzmite na sebe moj jaram i učite od mene jer sam krotka i ponizna srca. Tako ćete naći spokoj svojim dušama. 30Moj je jaram sladak, a moje breme lako.”

Het Boek

Mattheüs 11:1-30

Jezus over Johannes de Doper

1Nadat Jezus zijn twaalf leerlingen had gezegd wat zij moesten doen, ging Hij weg om in verschillende steden het goede nieuws te brengen.

2Johannes de Doper, die nu in de gevangenis zat, hoorde wat de Christus allemaal deed. Daarom stuurde hij zijn leerlingen naar Hem toe met de vraag: 3‘Jezus, bent U het op wie wij hebben gewacht? Of moeten wij uitkijken naar iemand anders?’ 4Jezus antwoordde: ‘Ga terug naar Johannes en vertel hem wat jullie horen en zien: 5blinden zijn gaan zien en verlamden lopen weer, melaatsen zijn genezen en doven kunnen nu horen, doden zijn weer levend gemaakt en arme mensen horen het goede nieuws. 6Gelukkig is degene die in Mij blijft geloven.’

7Toen de leerlingen van Johannes weggingen, zei Jezus tegen de mensen die om Hem heen stonden: ‘U bent in de woestijn geweest om Johannes te zien. Wat dacht u eigenlijk van hem? Dat hij een riet was dat wuift in de wind? 8Of dacht u iemand met dure kleren te zullen zien, zoals aan het hof van een koning? 9Of bent u erheen gegaan om een profeet te zien? Ja, een profeet! En méér dan een profeet! 10Want hij is de man over wie in het boek van Maleachi geschreven staat: “Ik stuur mijn boodschapper voor u uit om voor u een weg te banen.” 11Onthoud dit: van alle mensen die ooit geboren zijn, is niemand groter dan Johannes de Doper. Toch is de kleinste in het Koninkrijk van de hemelen groter dan hij! 12Sinds de tijd van Johannes de Doper tot nu toe wordt het Koninkrijk van de hemelen tegengewerkt en proberen sommigen er met geweld binnen te dringen. 13Want zowel Mozes als de profeten hebben gezegd dat het zou komen. 14En ten slotte verscheen Johannes. Of u het nu wilt geloven of niet, hij is de Elia die volgens de profeet Maleachi verwacht moest worden. 15Wie oren heeft, moet ook goed luisteren!

16Wat kan Ik over u zeggen? U bent net kinderen die buiten spelen en tegen elkaar zeggen: 17“We hebben fluit gespeeld en jullie wilden niet dansen. Toen hebben we klaagliederen gezongen en jullie wilden niet treuren.” 18Want Johannes de Doper drinkt geen wijn en eet vaak niet, en u zegt: “Hij is bezeten.” 19Ik, de Mensenzoon, eet en drink wel, en u moppert: “Hij is een veelvraat en een drinker, een vriend van tolontvangers en slechte mensen!” De praktijk zal wel duidelijk maken wat wijsheid is!’

20Hij begon verwijten te maken aan de steden waar Hij de meeste wonderen had gedaan. Hij verweet ze dat zij zich niet tot God hadden bekeerd. 21‘Chorazin! Betsaïda! Wat ziet het er voor u slecht uit! Als in de zondige steden Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die Ik in uw straten heb gedaan, zouden zij zich allang vol schaamte en berouw tot God hebben bekeerd. 22Voor Tyrus en Sidon zal het op de dag van het grote oordeel minder erg zijn dan voor u. 23En Kafarnaüm? Zal het worden verheerlijkt tot in de hemel? Nee, het zal verzinken in het dodenrijk. Want als de geweldige wonderen die Ik in Kafarnaüm heb gedaan, in de zondige stad Sodom waren gebeurd, zou ze er nu nog zijn. 24De dag van het grote oordeel zal voor Sodom zeker niet zo erg zijn als voor Kafarnaüm.’

25En Jezus bad dit gebed: ‘Vader, Heer van hemel en aarde, dank U wel dat U aan kleine kinderen hebt bekendgemaakt wat u voor wijzen en geleerden verborgen hebt gehouden. 26Ja, Vader, want zo hebt U het gewild.’

27Hij sprak weer tot de mensen. ‘Mijn Vader heeft Mij alles toevertrouwd. Hij is de enige die de Zoon echt kent. En Ik ben de enige die de Vader echt kent. En ook de mensen die Ik heb laten zien wie Hij is, kennen Hem. 28Als de lasten u drukken en u vermoeid bent, kom dan bij Mij. Ik zal u rust geven. 29Voeg u naar Mij en wees mijn leerling, want Ik ben vriendelijk en nederig van hart. Bij Mij zult u diepe innerlijke rust vinden. 30Wat Ik van u vraag is nooit te zwaar en de last die u voor Mij moet dragen, is licht.’