Mawu a Mulungu mu Chichewa Chalero

Yobu 39

1“Kodi iwe umadziwa nthawi imene mbalale yayikazi imaswera?
    Kodi umaonerera pamene nswala ikubala?
Kodi umawerenga miyezi imene zimakhala ndi bere?
    Kodi nthawi imene zimaswana iwe umayidziwa?
Zimakhala tsonga ndi kuswa ana awo;
    pamenepo ululu wobereka nʼkutha.
Ana a nyamazi amakhala ndi mphamvu ndipo amakulira mʼthengo;
    kenaka amachoka ndipo sabwereranso.

“Kodi bulu wakuthengo amamupatsa ndani ufulu wongodziyendera?
    Ndani amamasula zingwe zake?
Ine ndinamupatsa chipululu kuti chikhale mudzi wake,
    nthaka ya mchere kuti ikhale malo ake okhalamo
Iye amakhala kutali ndi phokoso la mu mzinda;
    ndipo samva kufuwula kwa oyendetsa nyama zakatundu.
Amayendayenda mʼmapiri kudya msipu
    ndipo amafunafuna msipu uliwonse wobiriwira.

“Kodi njati ingavomere kukutumikira?
    Kodi ingagone mu gome lako usiku?
10 Kodi ungathe kuyimanga ndi zingwe kuti izilima?
    Kodi ingasalaze nthumbira mʼmunda mwako?
11 Kodi ungadalire njatiyo chifukwa champhamvu zake?
    Kodi ungayilekere kuti igwire ntchito zako zolemetsa?
12 Kodi ungadalire kuti idzakubweretsera tirigu wako
    ndi kumuyika ku malo opunthira?

13 “Nthiwatiwa imakupiza mapiko ake monyadira,
    koma mapikowo sangafanane ndi mapiko ndi nthenga za kakowa.
14 Nthiwatiwa imakwirira mazira ake pansi
    ndipo amafundidwa ndi nthaka,
15 nthiwatiwayo sidera nkhawa kuti mazira ake angathe kuswanyidwa,
    ndi kuti nyama zakuthengo zitha kuwaponda.
16 Nthiwatiwa imachitira nkhanza ana ake ngati anawo si ake;
    Imayiwala zoti inavutika powabala.
17 Chifukwa Mulungu anayimana nzeru,
    simvetsa kanthu kalikonse.
18 Komatu nthiwatiwa ikadzambatuka ndi kuyamba kuthamanga,
    imamusiya kutali kavalo ndi wokwerapo wake.

19 “Kodi ndiwe amene umamupatsa mphamvu kavalo
    kapena kumuveka chenjerere mʼkhosi mwake?
20 Kodi ndiwe amene umalipatsa dzombe ulemerero wolumphira,
    ukali wake nʼkumachititsa mantha?
21 Iye amalumphalumpha moopseza, kukondwerera mphamvu zake,
    ndipo amapita ku nkhondo ndi mphamvu zake zonse.
22 Iye sachita mantha, saopa chilichonse;
    sabwerera mʼmbuyo akaona lupanga.
23 Zida zankhondo zimachita kwichikwichi mʼchimake pambali pake
    pamodzi ndi mkondo wonyezimira ndi nthungo.
24 Kavaloyo amanjenjemera ndi ukali ndi kulumphalumpha;
    satha kungoyima pamene wamva kulira kwa lipenga.
25 Lipenga likalira amati, ‘Twee!’
    Amamva fungo la nkhondo ali patali,
    kufuwula kwa anthu olamulira nkhondo ndi mfuwu wankhondo.

26 “Kodi kabawi amawuluka ndi nzeru zako,
    ndi kutambasula mapiko ake kupita kummwera?
27 Kodi umalamulira chiwombankhanga ndiwe kuti chiziwuluka
    ndi kumanga chisa chake pamwamba penipeni?
28 Chimakhala pa phiri ndipo chimakhala pamenepo usiku;
    chimakhala pa msonga penipeni pa mwala.
29 Chili pamenepo chimayangʼanayangʼana choti chigwire kuti chidye;
    maso ake amachionera patali chinthucho.
30 Ana ake amayamwa magazi,
    ndipo kumene kuli mitembo ndiko chimapezeka.”

Het Boek

Job 39

God verlangt een antwoord

1‘Kunt u de prooi verzorgen voor een leeuwin en de honger van haar jongen stillen,
die in het hol of in het struikgewas liggen te wachten?
Wie zorgt voor de raven wanneer hun jongen tot God roepen en hongerig door het nest kruipen?
Weet u wanneer de berggeiten hun jongen werpen en de hinden moeten kalven?
5,6 Weet u hoeveel maanden zij moeten dragen voordat zij zich krommen om hun jongen te werpen en van die last verlost zijn?
Hun jongen groeien op in het open veld, waarna zij hun ouders verlaten en nooit meer bij hen terugkeren.
Wie laat de wilde ezels vrij rondlopen, wie heeft hun touwen losgemaakt?
Ik heb hun een leefgebied gegeven in de wildernis en de zoutvlakten.
10 Want zij lachen om het lawaai van de stad en het geschreeuw van drijvers.
11 De bergweiden zijn hun grasland, daar zoeken zij naar groene blaadjes.
12 Zal de wilde stier u willen dienen? Zal hij ʼs nachts bij uw voerbak blijven staan?
13 Kunt u de stier voor het ploegen gebruiken? Zal hij de eg voor u trekken?
14 Zult u op hem vertrouwen omdat hij zo sterk is? Zult u hem zelf laten uitmaken waar hij werkt?
15 Kunt u hem gebruiken om uw graan binnen te brengen naar de dorsvloer?
16 De struisvogel klapt vrolijk met haar vleugels, maar met haar slagpennen en veren is zij nog geen ooievaar.
17 Zij legt haar eieren op de grond en laat ze warm worden in het zand.
18 Ze vergeet daarbij dat iemand ze kan kapottrappen of dat de wilde dieren ze kunnen vernielen.
19 Zij behandelt haar jongen hard alsof ze helemaal niet van haar zijn, zij vindt het niet erg ze te dragen en de eieren te leggen,
20 want God heeft haar geen wijsheid of gezond verstand gegeven!
21 Maar als zij opspringt om weg te rennen, verslaat zij het snelste paard met zijn berijder!
22 Hebt u het paard zijn kracht en die prachtige manen gegeven?
23 Hebt u hem het vermogen gegeven te springen als een sprinkhaan? Zijn gebries is angstaanjagend.
24-26 Hij woelt vrolijk met zijn hoeven de grond om en is trots op zijn kracht. En wanneer hij ten strijde trekt, toont hij geen angst voor het zwaard en gaat hij er niet vandoor als de pijlkoker klettert en speren en lansen blinken.
27 Opgewonden stormt hij over het veld en is niet meer te houden wanneer het trompetgeschal klinkt.
28 Bij het geluid van de hoorn begint hij te snuiven. Van ver ruikt hij de strijd. De strijdkreten en het geluid van de bevelen klinken hem vertrouwd in de oren.
29 Weet u hoe een havik zijn vleugels naar het zuiden uitslaat?
30 Vliegt de gier op uw bevel omhoog om op de hoge rotsen een nest te bouwen?
31 Hij leeft dag en nacht op de rotsen en bouwt daar zijn nest als een onneembaar fort.
32 Van daaruit bespiedt hij zijn prooi ver beneden hem.
33 Zijn jongen in het nest leven van bloed, want waar gesneuvelden zijn, daar is de gier ook.’

34 De Here vervolgde:

35 ‘Wilt u nog steeds redetwisten met de Almachtige en Hem verbeteren? Of is dit genoeg? Kan de man die Mij wilde bekritiseren, Mij nu ook de antwoorden geven?’

36 Job antwoordde God:

37 ‘Ik ben een onwaardig mens, hoe zou ik U kunnen antwoorden?
38 Ik leg mezelf het zwijgen op en zal niet voor de tweede maal spreken. Ik heb al veel te veel gezegd.’