Mawu a Mulungu mu Chichewa Chalero

Masalimo 71

1Mwa Inu Yehova ine ndathawiramo;
    musalole kuti ndichititsidwe manyazi.
Mundilanditse ndi kundipulumutsa mwa chilungamo chanu,
    mutchere khutu lanu ndi kundipulumutsa.
Mukhale thanthwe langa lothawirapo,
    kumene ine nditha kupita nthawi zonse;
lamulani kuti ndipulumuke,
    pakuti Inu ndinu thanthwe langa ndi linga langa.
Landitseni Inu Mulungu wanga, kuchoka mʼdzanja la oyipa,
    kuchoka mʼdzanja la oyipa ndi anthu ankhanza.

Pakuti Inu mwakhala chiyembekezo changa, Inu Ambuye Wamphamvuzonse,
    chilimbikitso changa kuyambira ndili mwana.
Kuyambira pamene ndinabadwa, ndakhala ndikudalira Inu;
    Inu munanditulutsa mʼmimba mwa amayi anga,
    ndipo ndidzakupembedzani nthawi zonse.
Ine ndakhala chinthu chodabwitsa kwa anthu ambiri
    koma Inu ndinu wonditchinjiriza wamphamvu.
Pakamwa panga padzaza ndi matamando anu,
    kulengeza ulemerero wanu tsiku lonse.

Musanditaye pamene ndakalamba;
    musandisiye pamene mphamvu zanga zatha.
10 Pakuti adani anga ayankhula motsutsana nane;
    iwo amene amadikira kuti andiphe amapangana pamodzi.
11 Iwo amati, “Mulungu wamusiya;
    mutsatireni ndi kumugwira,
    pakuti palibe amene adzamupulumutse.”
12 Musakhale kutali ndi ine Inu Mulungu,
    bwerani msanga, Inu Mulungu wanga; thandizeni.
13 Ondineneza anga awonongeke mwa manyazi,
    iwo amene akufuna kundipweteka
    avale chitonzo ndi manyazi.

14 Koma ine ndidzakhala ndi chiyembekezo mwa Inu nthawi zonse,
    ndidzakutamandani mowirikizawirikiza.
15 Pakamwa panga padzafotokoza za chilungamo chanu,
    za chipulumutso chanu tsiku lonse,
    ngakhale sindikudziwa muyeso wake.
16 Ndidzabwera ndi kulengeza za machitidwe amphamvu zanu Inu Ambuye Wamphamvuzonse.
    Ndidzalengeza chilungamo chanu, chanu chokha.
17 Kuyambira ubwana wanga, Inu Mulungu mwakhala mukundiphunzitsa,
    ndipo mpaka lero ine ndikulengeza za ntchito zanu zodabwitsa
18 Ngakhale pamene ndakalamba ndipo imvi zili mbuu
    musanditaye Inu Mulungu,
mpaka nditalengeza mphamvu zanu
    kwa mibado yonse yakutsogolo.

19 Mphamvu zanu ndi kulungama kwanu zimafika mpaka kumwambamwamba.
    Ndani wofanana nanu Inu Mulungu,
    amene mwachita zazikulu?
20 Ngakhale mwandionetsa mavuto
    ambiri owawa,
mudzabwezeretsanso moyo wanga;
    kuchokera kunsi kwa dziko lapansi,
    mudzandiukitsanso.
21 Inu mudzachulukitsa ulemu wanga
    ndi kunditonthozanso.

22 Ndidzakutamandani ndi zeze
    chifukwa cha kukhulupirika kwanu Mulungu,
ndidzayimba matamando kwa Inu ndi pangwe,
    Inu Woyera wa Israeli.
23 Milomo yanga idzafuwula ndi chimwemwe
    pamene ndidzayimba matamando kwa Inu
    amene mwandiwombola.
24 Lilime langa lidzafotokoza za ntchito zanu zachilungamo
    tsiku lonse,
pakuti iwo amene amafuna kundipweteka
    achititsidwa manyazi ndi kusokonezedwa.

Het Boek

Psalmen 71

1Bij U kan ik wegschuilen, Here.
Stel mij nooit teleur.
Verlos mij door uw rechtvaardigheid.
Luister naar mij en bevrijd mij.
U bent voor mij als een rots, waarin ik wonen kan,
als een huis waar ik met vertrouwen naar toe ga.
U stelt mij dat huis ter beschikking,
zodat ik veilig kan wonen.
Want U bent mijn bevrijder en mijn rots.
O God, verlos mij
uit de handen van de ongelovigen,
uit de beklemmende greep van de gewelddadige misdadigers.
Ik verwacht alles van U.
Almachtige Here, van kindsbeen af
heb ik alleen op U vertrouwd.
Toen mijn moeder mij nog verwachtte,
steunde ik al op U.
Vanaf die tijd hebt U mij al geholpen.
Al mijn lofliederen zijn alleen voor U.
Velen dachten dat ik die wonderen zelf deed,
maar U was degene tot wie ik altijd vluchtte.
Ik kan alleen maar liederen tot uw eer zingen,
de hele dag spreek ik over uw grootheid.
Stuur mij niet weg
nu ik ouder ben geworden.
Zult U mij niet verlaten
nu ik minder kracht over heb?
10 Ik heb U nodig,
want mijn tegenstanders hebben het over mij,
zij die mij willen doden, overleggen met elkaar.
11 Zij zeggen: ‘God heeft hem in de steek gelaten.
Laten we hem opjagen en grijpen,
er is toch niemand die hem te hulp komt.’
12 Och, mijn God, blijf niet zo ver van mij af staan,
haast U toch mij te helpen.
13 Laat hen die mij naar het leven staan,
voor schut staan en worden vernietigd.
Laat hen die mijn ondergang voor ogen hebben,
zelf te schande gemaakt en bespot worden.
14 Ik blijf U verwachten,
ik zal alleen maar meer en meer U de eer geven.
15 Ik zal spreken over uw rechtvaardigheid en recht,
dag in, dag uit vertellen hoe U bevrijdt.
Ik kan er niet over ophouden.
16 Overal waar ik kom, zal ik spreken
over de macht en majesteit van de Almachtige Here.
Alleen over uw rechtvaardigheid zal ik vertellen.
17 O God, sinds ik een kind was,
hebt U mij alles geleerd,
tot op de dag van vandaag
vertel ik anderen over uw wonderen.
18 Nu ben ik oud en grijs,
mijn God, laat mij nu niet in de steek!
Ik zal deze nieuwe generatie
vertellen over uw macht.
Wie het maar horen wil,
vertel ik over uw kracht.
19 Uw rechtvaardigheid en recht
zijn oneindig, o God.
U hebt grote dingen tot stand gebracht.
Wie kan zich met U meten, o God?
20 U hebt mij door heel veel moeilijke omstandigheden
en problemen laten gaan,
maar ik weet dat U mij uit al die situaties zult bevrijden.
U zult mij weer helemaal in ere herstellen.
21 Wilt U komen en mij troosten?
Wilt U mij weer aanzien geven?
22 Dan zal ik met de harp lofliederen voor U zingen,
want U bent trouw, mijn God.
Ik zal psalmen voor U zingen bij de citer,
voor U, die de Heilige van Israël bent.
23 Ik zal jubelen en psalmen voor U zingen.
U hebt mij innerlijk bevrijd.
24 De hele dag door zal ik spreken
over uw rechtvaardigheid.
En de mensen die uit waren op mijn ondergang,
zullen zich diep schamen en afdruipen.