Chinese Contemporary Bible (Traditional)

詩篇 35

求上帝伸冤

大衛的詩。

1耶和華啊,
求你與我的敵人為敵,
攻擊那些攻擊我的人。
求你拿起大小盾牌來幫助我,
舉起矛槍攻擊追趕我的人。
求你對我說:
「我是你的拯救。」
願謀殺我的人蒙羞受辱,
謀害我的人落荒而逃!
願耶和華的天使驅散他們,
如風吹散糠秕!
願他們的道路漆黑泥濘,
有耶和華的天使在後追趕!
因為他們無故設網羅,
挖陷阱要害我。
願他們突遭禍患,
作繭自縛,自食惡果!
我要因耶和華而歡欣,
因祂的拯救而快樂。
10 我從心底發出讚歎:
耶和華啊,誰能像你?
你拯救弱者免受欺壓,
拯救窮人免遭掠奪。
11 惡人誣告我,
盤問我毫無所知的事情。
12 他們對我以惡報善,
令我傷心欲絕。
13 他們生病時,
我披上麻衣,
謙卑地為他們禁食禱告,
但上帝沒有垂聽。
14 我為他們哀傷,
視他們為朋友、弟兄;
我低頭為他們哭泣,
如同哀悼自己的母親。
15 我遭遇患難時,
他們卻聚在一起幸災樂禍,
合夥誹謗我。
素不相識的人也群起攻擊我,
不住地譭謗我。
16 他們肆無忌憚地嘲弄我,
咬牙切齒地憎惡我。

17 耶和華啊,
你袖手旁觀要到何時?
求你救我的性命免遭殘害,
救我脫離這些獅子。
18 我要在大會中稱謝你,
在眾人面前讚美你。
19 求你不要讓無故攻擊我的人幸災樂禍,
不要讓無故恨我的人沾沾自喜。
20 他們言語暴戾,
謀害安分守己的人。
21 他們高喊:「哈哈!哈哈!
我們親眼看見了。」
22 耶和華啊,這一切你都看見了,
求你不要再緘默,不要遠離我。
23 我的上帝,我的主啊,
求你起來為我辯護,為我伸冤。
24 我的上帝耶和華啊,
求你按你的公義宣告我無罪,
別讓他們幸災樂禍。
25 別讓他們說:
「哈哈,我們如願以償了!」
別讓他們說:
「我們除掉他了!」
26 願幸災樂禍的人蒙羞受辱,
自高自大的人無地自容!
27 願盼望我冤屈得雪的人揚聲歡呼!
願他們常說:「耶和華當受尊崇!
祂樂意賜福給自己的僕人。」
28 我要訴說你的公義,
終日讚美你。

Het Boek

Psalmen 35

1Een lied van David.

Here, als sommigen met mij argumenteren,
wilt U dan voor mij antwoorden?
Als iemand mij aanvalt,
vecht U dan voor mij terug.
Neem uw wapens op
en kom mij te hulp!
Val mijn achtervolgers aan.
Laat mij weten dat U mij zult verlossen!
Laat hen die mij willen doden,
voor schut staan.
Laat hen die slechte plannen tegen mij beramen,
beschaamd afdruipen.
Verstrooi hen als kaf in de wind,
op het moment dat uw Engel hen neerslaat.
Zij gaan op donkere, glibberige wegen
en de Engel van de Here achtervolgt hen daarop.
Want zonder aanleiding spanden zij een net voor mij
en groeven een valkuil om mij te vangen.
Ik hoop dat zij zonder het te merken zelf omkomen.
Dat zij in hun eigen kuil zullen vallen.
Ik verheug mij in de Here,
ik zing een loflied over zijn hulp en bevrijding.
10 Alles in mij juicht:
Here, wie kan U evenaren?
U bevrijdt arme en beproefde mensen
van hun onderdrukkers en berovers.
11 Leugenachtige getuigen nemen het woord
en vragen mij dingen die ik helemaal niet weet.
12 Zij vergelden goed met kwaad.
Mijn ziel is eenzaam geworden.
13 Zelf heb ik mij direct in rouwkleding gestoken
toen zij ziek waren.
Ik vernederde mij voor U met vasten
wanneer mijn gebed niet verhoord werd.
14 Ik liep rond alsof het mijn broer of mijn vriend betrof,
ik ging in het zwart alsof mijn moeder was gestorven.
15 Maar toen ík een keer in problemen zat,
lachten zij om mij en liepen te hoop om mij te zien.
Zelfs onbekenden begonnen mij te slaan
en maakten mij onophoudelijk bespottelijk.
16 Een heel stel ongelovige, spotlustige lieden
bedreigde mij.
17 Here,
hoe lang laat U hen nog hun gang gaan?
Verlos mij toch, ik ben eenzaam.
Laten zij mij niet verslinden.
18 Dan zal ik U te midden van alle gelovigen loven,
U prijzen waar iedereen bij is.
19 Laten mijn valse tegenstanders toch geen plezier over mij hebben!
Er zijn er die mij zonder reden haten!
20 Zij zijn niet op vrede uit.
Zij maken slechte plannen,
gericht tegen hen die in rust en stilte leven.
21 Zij bedreigen mij en zeggen:
‘Ha! Wij hebben het wel gezien!’
22 U ziet alles, Here, wilt U optreden?
Och Here, laat mij niet in de steek!
23 Sta op en vecht voor mijn recht.
God, mijn Here, voert U voor mij het woord in de rechtzaal.
24 Laat uw recht over mij beslissen, Here, mijn God,
zodat zij geen leedvermaak over mij kunnen hebben.
25 Dat zij niet kunnen denken:
‘Ha! Nu gebeurt wat wij willen!
Wij hebben hem eronder gekregen!’
26 Laten zij zich maar schamen,
al die mensen die op mijn ondergang zitten te wachten.
Ik hoop dat allen die mij verachten, te schande worden gemaakt.
27 Maar ik wil dat alle mensen
die verlangen naar mijn vrijspraak,
zullen juichen en zich verheugen.
Dat zij voortdurend de Here zullen grootmaken en zeggen:
‘De Here trekt Zich het lot van zijn geliefde dienaar aan.’
28 Zelf zal ik dag in, dag uit
over uw rechtvaardigheid spreken
en U loven en prijzen.