Chinese Contemporary Bible (Simplified)

诗篇 77

患难中的安慰

亚萨的诗,照耶杜顿的做法,交给乐长。

1我呼求上帝,我高声呼求,
上帝垂听我的祷告。
我在困境中寻求主。
我整夜举手祷告,
我的心无法得到安慰。
我思想上帝,发出哀叹;
我默想,心灵疲惫不堪。(细拉)
你使我无法合眼,
我心乱如麻,默然无语。
我回想从前的日子,
那久远的岁月,
想起自己夜间所唱的歌。
我沉思默想,扪心自问:
“难道主要永远丢弃我,
不再恩待我了吗?
难道祂的慈爱永远消逝了吗?
祂的应许永远落空了吗?
难道上帝已忘记施恩,
在愤怒中收回了祂的慈爱吗?”(细拉)
10 于是我说:“我感到悲伤的是,
至高者已不再彰显大能。”
11 耶和华啊,我要回想你的作为,
回想你从前所行的奇事。
12 我要默想你所行的一切事,
思想你一切大能的作为。
13 上帝啊,你的作为全然圣洁,
有哪个神明像你一样伟大?
14 你是行奇事的上帝,
你在列邦中彰显你的大能。
15 你以大能救赎了你的子民,
就是雅各和约瑟的后代。(细拉)

16 上帝啊,海水看见你就战栗,

深渊看见你就颤抖。
17 云层倒出雨水,
天上雷霆霹雳,电光四射。
18 旋风中传来你的雷声,
你的闪电照亮世界,
大地颤抖震动。
19 你的道路穿越海洋,经过洪涛,
但你的足迹无人看见。
20 你借着摩西和亚伦的手引领你的子民,
如同牧人引领羊群。

Het Boek

Psalmen 77

1Een psalm van Asaf voor de koordirigent. Voor de tempelzangers.

Ik roep naar God,
ik richt mij tot Hem
en verlang ernaar
dat Hij naar mij luistert.
Als ik het moeilijk heb,
zoek ik de Here.
De hele nacht
strek ik mijn handen
naar Hem uit
en word het wachten niet moe.
Alleen Hij kan mij troosten.
Als ik aan God denk,
moet ik kreunen.
Ik word overmeesterd
door het verlangen naar zijn hulp.
Ik kan er niet van slapen
en ben zo onrustig
dat ik niet kan bidden.
Ik denk aan vroeger,
aan de jaren die voorbijgingen.
Ik herinner mij
mijn blijde musiceren van toen,
ik pieker
over het verschil tussen toen en nu.
Heeft de Here mij dan voor altijd afgewezen?
Zal Hij mij geen genade geven?
Zijn zijn goedheid en trouw
voor altijd opgehouden?
Geldt zijn belofte niet meer
voor de komende generaties?
10 Vergeet God
ons zijn genade te geven?
Heeft Hij de liefde en het medeleven
uit zijn hart gebannen?
11 Ik moet zeggen
dat het mij groot verdriet doet
dat God, de Allerhoogste,
van gedachten verandert.
12 Toch blijf ik mij de grote wonderen van de Here herinneren.
Alles wat U in het verleden hebt gedaan, zal ik gedenken.
13 Ik wil over uw werk spreken en nadenken over alles wat U deed.
14 O God, uw wegen zijn altijd goed en heilig.
Wie is zo groot als U, onze God?
15 U bent de God die wonderen doet.
U hebt de volken uw macht laten zien.
16 U hebt uw volk op een machtige manier bevrijd.
Alle zonen van Jakob en Jozef en hun nageslacht.
17 Toen het water U zag, o God,
beefde en sidderde het.
18 De wolken lieten de regen neervallen
en de donder rolde langs de hemel.
Uw pijlen werden afgeschoten.
19 Het gedreun van de donder rolde langs de hemel.
De bliksemschichten verlichtten de hele aarde.
Alles sidderde en beefde.
20 U maakte een weg dwars door de zee,
een pad door het water heen.
Daardoor konden uw voetsporen
later niet worden gevonden.
21 U leidde uw volk als een schaapskudde,
met Aäron en Mozes als herders.