Священное Писание (Восточный перевод), версия для Таджикистана

Заб 73

О Всевышний, зачем Ты навсегда отверг нас?
    Почему гнев Твой возгорелся на овец пастбищ Твоих?
Вспомни народ, который Ты приобрёл с давних времён,
    который Ты искупил, чтобы он был Твоим наследием;
    вспомни гору Сион, на которой Ты обитаешь.
Направь Свои шаги к вековым развалинам –
    всё разрушил враг во святилище!
Враги Твои рычали посреди собрания Твоего,
    установили там свои знамёна.
Они размахивали своими топорами,
    как дровосеки в густом лесу,
и своими секирами и бердышами
    разрушили все резные стены.
Они сожгли святилище Твоё дотла,
    осквернили место для поклонения Тебе.
Решили они в сердце своём: «Уничтожим их полностью!» –
    и по всей стране сожгли места,
    где мы поклонялись Тебе.
Знамений не видят наши глаза,
    и не осталось пророков,
и нет никого, кто знал бы,
    когда наступит этому конец.

10 О Всевышний, как долго ещё будет глумиться враг,
    и вечно ли будет противник оскорблять Твоё имя?
11 Почему Ты удерживаешь Свою руку, Свою правую руку?
    Высвободи кулак Свой и порази их!

12 Всевышний, мой Царь от начала,
    Ты принёс спасение на землю.
13 Ты разделил Своей силой море,
    Ты сокрушил головы морских чудовищ.
14 Ты сокрушил голову левиафана[a],
    жителям пустынь отдав его в пищу.
15 Ты иссёк источник и поток,
    Ты иссушил бегущие реки.
16 День и ночь – Твои;
    Ты создал солнце и луну.
17 Ты определил границы земли,
    сотворил лето и зиму.

18 Вспомни, о Вечный, как глумится враг
    и как безумный народ оскорбляет Твоё имя.
19 Не отдавай зверям душу Твоей горлицы;
    жизней Твоих страдальцев не забудь никогда.
20 Взгляни на Своё соглашение,
    потому что насилие во всех тёмных уголках земли.
21 Да не возвратится угнетённый с позором;
    пусть бедный и нищий восхвалят Твоё имя.

22 Восстань, Всевышний, и защити Своё дело;
    вспомни, как глупец оскорбляет Тебя весь день.
23 Не забудь крика Своих врагов,
    шума, который непрестанно поднимают противники Твои.

Notas al pie

  1. Заб 73:14 Левиафан – морское чудовище, символ враждебных Всевышнему сил. См. пояснительный словарь.

Het Boek

Psalmen 73

1Een psalm van Asaf.

God is zeker goed voor zijn volk Israël,
Hij is goed voor alle mensen die een zuiver hart bezitten.
Wat mijzelf betreft:
bijna had ik het rechte pad verlaten,
bijna was ik uitgegleden.
Dat komt doordat ik jaloers was op de trotse mensen,
toen ik zag hoe voorspoedig de ongelovigen leefden.
Zij lijken geen problemen te kennen,
ook lichamelijk niet:
zij zien er gezond en weldoorvoed uit.
Zij weten niet wat zorgen zijn
en niemand legt hun een strobreed in de weg.
Daarom dragen zij hun trots als een halsketting
en pronken zij met geweld alsof het dure kleren zijn.
Hun gezicht is pafferig van het vet.
Zij verbeelden zich van alles.
Zij steken overal de spot mee
en spreken kwaadaardig
over het onderdrukken van andere mensen.
Hun taal is gezwollen, trots en uit de hoogte.
Zij zetten een grote mond op tegen God
en verachten de mensen.
10 Het volk houdt rekening met hen
en zij profiteren ervan.
11 Zij zeggen: ‘God kan niet alles weten.
De Allerhoogste heeft wel iets anders te doen
dan Zich met ons te bemoeien.’
12 Kijk, zo leven nu de ongelovigen.
Zonder zorgen worden zij alleen maar rijker en rijker.
13 Voor niets heb ik zuiver geleefd,
mij ver gehouden van onrecht.
14 De hele dag word ik gekweld,
elke morgen voel ik mijn straf.
15 Als ik echter net zo had gehandeld en gesproken,
hoorde ik niet meer bij U.
16 Ik heb mij het hoofd gebroken hoe dit mogelijk was.
In mijn ogen was het onbegrijpelijk en onaanvaardbaar.
17 Maar uiteindelijk ging ik Gods huis binnen
en zag hoe het met de ongelovigen afliep.
18 Werkelijk, U laat hen op gladde wegen lopen en uitglijden.
U laat hen ten slotte ineenstorten en een ruïne worden.
19 In een oogwenk veranderen zij
en bekijkt ieder hen met afgrijzen.
Dan zijn ze weg, omgekomen door rampen.
20 Zoals een droom na het ontwaken niet echt blijkt te zijn,
zo ontkent U, Here, hun bestaan
als U erbij wordt betrokken.
21 Toen bitterheid in mijn hart opkwam
en ik opstandig en geprikkeld was,
22 reageerde ik als een dwaas zonder inzicht.
Ik gedroeg mij onredelijk tegenover U.
23 Toch zal ik altijd bij U blijven,
U houdt mij stevig vast.
24 Door uw raadgevingen zal ik mij laten leiden
en wanneer ik eenmaal sterf,
mag ik in uw heerlijkheid bij U komen.
25 Wie of wat heb ik, buiten U, nog nodig?
Als ik U heb, heb ik verder niets nodig
en verlang ik niets meer.
Noch op aarde, noch in de hemel.
26 Al zou ik geestelijk en lichamelijk bezwijken,
mijn hart vertrouwt op God,
Hij is mijn rots.
Voor eeuwig houdt Hij mij vast.
27 Het is duidelijk: wie niet met U leven,
gaan hun ondergang tegemoet.
U vernietigt ieder die U verlaat en andere goden dient.
28 En ik? Ik ben gelukkig als ik dicht bij God ben.
De Almachtige Here is mijn toevluchtsoord.
Ik wil iedereen over uw werk vertellen.