Забур 132 CARS - Psalmen 132 HTB

Священное Писание

Забур 132:1-3

Песнь 132

Песнь восхождения, Давуда.

1Как хорошо и как приятно

жить братьям вместе!

2Это – как возлитое на голову драгоценное масло,

стекающее на бороду главного священнослужителя Харуна,

стекающее на края его одежды132:2 См. Исх. 29:7; 30:22-33.;

3как если бы роса горы Хермон132:3 Хермон – гора на северной границе Исраила, известная тем, что на её склонах выпадает чрезвычайно обильная роса.

сошла на горы Сионские.

Там Вечный обещал дать Своё благословение –

вечную жизнь.

Het Boek

Psalmen 132:1-18

1Een bedevaartslied.

Here, denk toch aan alle moeite

die David heeft doorstaan.

2Hoe hij heeft gezworen aan de Here

en een belofte heeft gedaan aan de machtige God van Jakob.

3Hij zei: ‘Ik meen het,

ik zal mijn huis niet meer binnengaan

en niet meer naar bed gaan,

4en ik zal de slaap niet vatten

5eer ik voor de Here een plaats heb gevonden,

waar Hij kan wonen.

Een woonplaats voor de machtige God van Jakob.’

6Weet u,

wij hoorden in Efrata al

over zijn woning spreken

en vonden haar in de velden van Jaär.

7Laten wij zijn huis binnengaan

en ons diep voor Hem buigen.

8Here, sta op en ga naar uw rustplaats,

U en de ark die spreekt van uw kracht.

9Laten uw priesters zich kleden in rechtvaardigheid

en uw volgelingen jubelen over uw grootheid.

10Keer U niet af van uw uitverkorene,

ter wille van uw dienaar David.

11De Here heeft David een kostbare belofte gedaan

die Hij nooit zal verbreken.

Hij zei: ‘Een van uw eigen nakomelingen

zal Ik koning maken.

12Als uw zonen zich aan mijn wet houden

en spreken over alles wat Ik hun leer,

zullen ook hun kinderen weer regeren.’

13Want de Here heeft Jeruzalem uitgekozen.

Daar wilde Hij graag wonen.

14Hij zei: ‘Dit is de plaats

waar Ik altijd rust zal vinden.

Hier wil Ik graag wonen.

15Het eten in deze stad zal Ik zegenen

en de armen die er wonen,

zal Ik volop te eten geven.

16De priesters van Jeruzalem

zullen mijn bevrijding kennen

en de gelovigen zullen blij jubelen.

17In Jeruzalem zal Ik David sterk maken.

Door hem die Ik uitkies,

zal het licht schijnen.

18Zijn vijanden zal Ik met schande overladen,

maar hijzelf zal een stralende kroon dragen.’